1984/11 ongegrond

M. J. Dörr contra Loes de Fauwe

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van M. J. Dörr tegen Loes de Fauwe.

DE KLACHT

Bij brief van 28 maart 1983 en aanvullende brieven van 24 april en 1 juni 1983 heeft M. J. Dörr te Haarlem (klager) een klacht ingediend tegen Loes de Fauwe (betrokkene). Bij brief van 14 juli 1983 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 augustus 1984 alwaar klager en betrokkene in persoon aanwezig waren, de eerste met zijn advocaat Mr. H. A. van Marle.

FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager is handelaar in onroerend goed en heeft als zodanig ook bemiddeld bij het verkrijgen van leningen door aspirant-kopers. Klager oefende zijn bedrijf uit middels een besloten vennootschap. Deze is op 13 oktober 1981 in staat van faillissement verklaard. Op 3 november volgde het faillissement van klager in privé. Klager werd in de loop van het faillissement, juni 1982, gegijzeld wegens weigerachtigheid tot het geven van inlichtingen aan de curator. Naar aanleiding van tegen klager ingediende aanklachten wegens onder andere oplichting werd tegen hem tevens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
Betrokkene heeft aan deze zaak een aantal artikelen gewijd in Het Parool. In een artikel van 21 maart 1983 maakt zij melding van een demonstratie van gedupeerden voor het huis van klager. Bij het artikel staat een foto van de demonstranten voor het huis van klager afgedrukt.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager verwijt betrokkene dat zij mede-initiatiefneemster is geweest tot de demonstratie zodat zij kon zorgen dat er een fotograaf ter plaatse was. Klager meent dat iedere publiciteit over de demonstratie achterwege had moeten blijven nu het om een ongeoorloofde samenscholing ging, die dan ook door de politie uiteengejaagd is. Het tweede bezwaar van klager is dat betrokkene zijn persoon in verband brengt met oplichting, fraude en andere dergelijke verdachtmakingen. Indien betrokkene de moeite had genomen hem zelf te horen, had hij kunnen uit leggen dat hij ten onrechte verdacht werd van die strafbare feiten; ten onrechte in gijzeling werd gehouden en dat de curator en de rechter-commissaris in hun taak tekort schoten.
Betrokkene ontkent dat zij de demonstratie mede heeft georganiseerd. Wel was zij van te voren getipt zodat zij met een fotograaf ter plaatse kon zijn. Mede gezien tegen de achtergrond van de eerdere artikelen over de zaak en de opmerkelijk lange duur van de gijzeling vond zij de demonstratie een nieuwsfeit dat genoeg belang had om in het artikel vermelden met een foto geïllustreerd te worden. In de tweede plaats wijst betrokkene er op dat in het artikel sprake is van een vooronderzoek in een strafzaak waaruit volgt dat klagers schuld aan de genoemde strafbare feiten nog niet vast stond. Zij verkreeg haar informatie van de curator en de rechter-commissaris en heeft dit in het artikel ook duidelijk tot uitdrukking laten komen. De toenmalige advocaat van klager wilde geen inlichtingen geven. Om die reden vroeg zij een bezoekerspas aan om klager met het oog op eventuele latere artikelen zelf te horen. Omdat bedoelde advocaat later wel wilde praten, heeft zij het bezoek aan klager niet laten doorgaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager heeft geen feiten kunnen noemen die de conclusie wettigen of aannemelijk maken dat betrokkene mede-initiatiefneemster is geweest van een demonstratie voor zijn huis. Dit verwijt acht de Raad daarom ongegrond. Evenmin kan de Raad klager volgen in zijn bezwaar dat betrokkene onbehoorlijke journalistiek ('riooljournalistiek') zou hebben bedreven door in het artikel melding te maken van de demonstratie en de redenen voor de gijzeling en het strafrechtelijk onderzoek. Betrokkene heeft slechts behoorlijk gecontroleerde feiten genoemd. Zij heeft immers, zoals zij in het artikel duidelijk heeft doen uitkomen, de door haar vermelde bijzonderheden over het faillissement en het strafrechtelijk onderzoek ontleend aan mededelingen, welke door de curator en de rechter-commissaris aan haar zijn gedaan. Betrokkene was niet verplicht klager in persoon te horen nu klager een advocaat had, die wel door haar werd benaderd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht in beide onderdelen ongegrond. De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 16 augustus 1984 door Mr. R. de Waard, voorzitter; Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, Drs. H. W. M. van Run en T. Lücker, leden; in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 11.