1983/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Stichting Het Amsterdams Navigatie Instituut tegen Ton Raap.

DE KLACHT

Bij brief van 25 oktober 1982 heeft Gerard Kuiper namens de stichting Stichting Het Amsterdams Navigatie Instituut (klaagster) te Oostwoud een klacht ingediend tegen Ton Raap (betrokkene).
Bij brief van 4 maart 1983 heeft betrokkene zich verweerd . De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juni 1983. Klaagster werd vertegenwoordigd door Gerard Kuiper. Betrokkene had laten weten verhinderd te zijn maar geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak in zijn afwezigheid.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Het Westfries Weekblad is een blad dat gratis huis-aan-huis wordt verspreid. In de editie van 27 september 1982 is onder de titel 'Navigatiecursus bij Nauticum Navigare een artikel verschenen onder verantwoordelijkheid van Ton Raap, redacteur van het Westfries Weekblad. Onderwerp van het stuk is het voor de pleziervaart ingevoerde vaarbewijs en de daartoe bestaande cursussen. Volgens het artikel zijn de meeste cursussen te beknopt van opzet met als gevolg dat het landelijk gemiddelde van het aantal kandidaten dat het examen voor het vaarbewijs haalt, niet hoog is.
Het artikel maakt vervolgens melding van de cursussen, die worden gegeven door Nauticum Navigare te Schardam. Deze cursussen zijn volgens de schrijver wel zeer gedegen. Het artikel eindigt met de mededeling waar en wanneer de nieuwe cursus van Nauticum Navigare begint en waar aanmelding kan plaatsvinden.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld omdat het artikel feitelijke onjuistheden bevat en omdat de indruk wordt gewekt als zou alleen Nauticum Navigare cursussen van behoorlijk niveau verzorgen. Indirect worden hierdoor het instituut van klaagster en andere soortgelijke instellingen in diskrediet gebracht.

Feitelijk onjuist zijn volgens klaagster de volgende uitspraken:
1. De meeste cursussen zijn te beknopt van opzet.
2. Er wordt niet meer theorie behandeld dan nodig is voor het examen.
3. Het landelijk gemiddelde van geslaagde kandidaten is niet hoog.
4. Er wordt te weinig oefening geboden. 5. De cursussen zijn te bekrompen.
Ten aanzien van het onder 3 gestelde deelt klaagster mee dat het landelijk gemiddelde boven de 70% ligt, hetgeen in vergelijking met bijvoorbeeld het percentage succesvolle kandidaten bij de eindexamens van middelbare scholen niet ongunstig is, volgens klaagster. Ten aanzien van de punten 1, 2, 4 en 5 vraagt klaagster zich af in hoeverre door betrokkene onderzoek is ingesteld naar de juistheid van deze stellingen. Klaagster trekt dit in twijfel nu er volgens opgave van ANWB en KNWV ruim 40 instituten/cursusleiders zijn, die zich bezighouden met onderricht voor de diploma's 'Theoretische Kustnavigatie' en 'Vaarbewijs'.
Klaagster meent dat betrokkene deze beweringen achterwege had moeten laten nu deze door hem kennelijk niet op hun juistheid zijn getoetst.
Betrokkene heeft in zijn verweerschrift gesteld dat hij naar aanleiding van het artikel telefonisch is benaderd van de zijde van klaagster. In dat telefoongesprek heeft hij zich bereid verklaard een reactie van klaagster op te nemen. Eveneens per telefoon heeft hij gevraagd of de heer Gerard Kuiper, de officiƫle vertegenwoordiger van klaagster, nader contact met hem wilde opnemen. Hoewel dit niet is gebeurd is hij nog steeds bereid aandacht te besteden aan het bedrijf van klaagster. Hiertegenover heeft klaagster gesteld dat het haar niet om publiciteit voor haar bedrijf gaat.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens klaagster is een aantal passages uit de aangevallen publikatie feitelijk onjuist. Klaagster heeft echter geen gegevens aangedragen, die het de Raad mogelijk maken zich hierover een oordeel te vormen. Daartegenover staat dat betrokkene heeft aangeboden in een nadere publikatie klaagster aan het woord te laten komen waarbij ook eventuele feitelijke onjuistheden recht gezet zouden kunnen worden. Klaagster heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Om deze redenen acht de Raad dit onderdeel van de klacht ongegrond.
Het tweede onderdeel van de klacht betreft de vraag of betrokkene niet meer objectiviteit had moeten betrachten. Ten deze overweegt de Raad dat huis-aan-huis bladen veelal een enigszins propagandistische inslag hebben, waarmee het publiek bij lezing rekening houdt. Voorzover het artikel indirect een onderwaardering inhoudt van andere opleidingsinstituten dan het met name genoemde Nauticum Navigare geldt ook hier, dat betrokkene heeft aangeboden klaagster het woord te geven.
De Raad is van oordeel dat de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, door betrokkene niet zijn overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 2 juni 1983 door Mr. H. B. Vroom. voorzitter, Drs. J. F. T. Vugts, D. F. Houwaart. Drs. H. W. M. van Run en Mr. D. T. Dalmolen, leden in tegenwoordigheid van mevrouw Mr. A. C. M. Karsten, secretaris

RvdJ 1983, 9.