1983/6 gegrond

P. A. Vroon contra hoofdredacteur NRC

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van P. A. Vroon tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

DE KLACHT

Bij brief van 11 juni 1982 heeft Piet Vroon te Culemborg (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkene). De klacht was aanvankelijk gericht tegen F. W. J. Backus, redacteur van NRC Handelsblad.
Bij brief van 4 februari 1983 heeft betrokkene op de klacht geantwoord. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 april 1983. Klager was in persoon aanwezig. Namens betrokkene verscheen M. J. M. van Rooy.

DE FEITEN

In NRC Handelsblad van 27 mei 1982 verscheen onder de titel 'Dr. P. A. Vroons identificatiereflex' een bespreking van het door klager geschreven boek 'De hand op vandaag'. Het artikel was geschreven door Fred Backus. Omdat klager het op een groot aantal punten niet eens was met die bespreking nam hij telefonisch kontakt op met ir. S. Rozendaal, redacteur van de betreffende bijlage. Afgesproken werd dat een weerwoord van klager zou worden opgenomen en wel van ongeveer eenzelfde lengte als de bespreking zelf. Ingevolge deze afspraak zond klager op 29 mei 1982 zijn reaktie. Deze was 4 à 5 pagina's lang en omvatte commentaar op 16 punten. Toen deze reaktie niet opgenomen bleek in de bijlage van NRC Handelsblad van 3 juni 1982, zoals volgens klager was afgesproken, nam hij opnieuw telefonisch kontakt op met ir. S. Rozendaal. Deze verwees hem naar zijn mede-redacteuren wetenschappen E. J. Boer en F. W. J. Backus. In een telefoongesprek met F. W. J. Backus werden vervolgens gedetailleerde en nauwkeurige afspraken gemaakt over inkorting van het stuk. Het weerwoord van klager verscheen vervolgens in de bijlage van NRC Handelsblad van 10 juni 1982 in de vorm van een ingezonden brief. Het bleek toen in verschillende opzichten verder te zijn ingekort dan met redacteur Backus was overeengekomen.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

De bezwaren van klager zijn de volgende. Eerst kwam de redactie terug op de toezegging van de redacteur Rozendaal dat een weerwoord zou worden geplaatst van ongeveer dezelfde lengte als de boekbespreking zelf. Nadat klager zich erbij had neergelegd dat zijn weerwoord zou worden ingekort en hierover nauwkeurig gedetailleerde afspraken met redacteur Backus had gemaakt, moest hij ondervinden dat, zonder dat hierover enig overleg met hem was gevoerd, het stuk nog aanmerkelijk verder was ingekort. Als gevolg van dit laatste zijn vier van de zestien punten in meerdere of mindere mate bekort en drie van die zestien punten zelfs zonder meer weggelaten, waaronder de door klager aangevallen beschuldiging van zelfplagiaat. Hieronder verstaat klager het presenteren van oude artikelen als nieuw, bijvoorbeeld door deze onder één nieuwe titel te bundelen. De bespreking van de redacteur Backus hield een dergelijke beschuldiging in, namelijk in de laatste zin waarin werd beweerd dat klager enkele jaren geleden een paar artikelen bundelde onder de titel 'Weg met de psychologie' . Het betreffende boek was echter geen bundeling van reeds eerder verschenen artikelen maar een nieuw niet eerder gepubliceerd boek. Klager stelt voorts nog, dat betrokkene zich bezwaarlijk op plaatsgebrek kan beroepen ter verontschuldiging van de inkorting van het weerwoord, omdat wel ruimte is gebruikt voor het opnieuw plaatsen - zij het in verkleinde vorm -van een ook reeds bij de boekbespreking geplaatste illustratie. Een bijkomende onzorgvuldigheid acht klager het dat zijn reaktie is opgenomen als een ingezonden brief terwijl was afgesproken dat deze als artikel zou worden geplaatst. Klager benadrukt dat hij zich vooral beklaagt over de gedragingen van redacteur Backus.
Betrokkene erkent dat de gang van zaken niet correct is geweest en biedt hiervoor zijn excuses aan. Hij heeft daarop de volgende toelichting gegeven.
In het eerste telefoongesprek tussen klager en redacteur Rozendaal heeft deze aan klager meer ruimte toegezegd dan hij op grond van de beschikbare ruimte kon waarmaken. Toen klager hem op 3 juni 1982 opnieuw opbelde, heeft hij klager verwezen naar met name redacteur Boer omdat deze de supervisie had over de bijlage van 10 juni 1982. Als gevolg van een niet sluitende werkwijze tussen de redacteuren Boer en Backus vonden na het gesprek tussen deze laatste en klager nog verdere inkortingen plaats. Dit was noodzakelijk wegens plaatsgebrek. Uit redactionele overwegingen werden het opnemen van een illustratie onontbeerlijk geacht. Hierbij werd gekozen voor het herhalen van dezelfde illustratie als bij de bespreking van 27 mei als herkenningspunt voor de lezers. Het inkorten van ingezonden brieven is normaal. Redacteur Boer heeft de daarvoor geldende beleidslijn gevolgd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het is komen vast te staan: (a)dat de redactie is teruggekomen op de door redacteur Rozendaal aan klager gedane toezegging over de lengte van diens weerwoord, (b) dat klager, nadat hij zich erbij had neergelegd dat zijn weerwoord zou worden ingekort, vervolgens met redacteur Backus nauwkeurig gedetailleerde afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop die inkorting zou geschieden, en (c) dat niettemin het weerwoord van klager zonder overleg met hem verder is ingekort dan door hem met redacteur Backus was afgesproken, met het gevolg dat juist een van de m.i. belangrijkste punten uit het weerwoord is weggevallen. De Raad acht de onder (c) omschreven handelwijze onzorgvuldig. Immers, klager mocht aan de onder (a) en (b) vermelde gang van zaken het stellige vertrouwen ontlenen, dat de door hem met redacteur Backus gemaakte afspraken onverkort zouden worden nagekomen. Na die afspraken had een verdere inkorting niet mogen plaatsvinden dan na kontakt met klager.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene tekort is geschoten in zorgvuldigheid door het weerwoord van klager na eenmaal daarover gemaakte afspraken zonder overleg met hem verder te bekorten.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 april 1983 door Mr. R. de Waard, voorzitter, P. Postma, ing., Mr. A. J. Heerma van Voss en Drs. J. N. N. van der Pluym, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1983, 6.