1983/4 ongegrond

PPR contra H. Goeman Borgesius

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de politieke partij PPR tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf.

DE KLACHT

Bij brief van 30 juni 1982 heeft Ria Beckers namens de PPR (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene).
Bij brief van 18 augustus 1982 heeft H. Goeman Borgesius op de klacht geantwoord. De Raad heeft over de zaak beslist op grond van de schriftelijke stukken.

DE FEITEN

In het dagblad De Telegraaf van 22 juni 1982 is in een hoofdredactioneel commentaar aandacht besteed aan het voorstel van de PvdA om met het oog op de toen komende Kamerverkiezingen een lijstverbinding aan te gaan met de CPN, PSP en PPR. Gesteld wordt dat dit voorstel binnen de PvdA wel tot heftige discussie zal leiden en dat het resultaat daarvan een aanwijzing zal opleveren voor wat betreft de vraag, in hoeverre de PvdA een gematigde en redelijke partij is geworden. Hierop volgt de volgende slotzin: 'Want het is natuurlijk wel zo, dat wie zich door middel van een lijstverbinding compromitteert met politieke extremisten, twijfel oproept aan de oprechtheid van de eigen bedoelingen.'

DE STANDPUNTEN

Klaagster maakt er bezwaar tegen dat PPR-politici worden betiteld als 'politieke extremisten' omdat deze termijn een misleidende en krenkende kwalificatie geeft van de wijze waarop dezen hun politieke denkbeelden proberen te verwezenlijken. De kwalificatie houdt volgens klaagster in zijn letterlijke betekenis in dat men tot het uiterste wil gaan en tot geen compromissen bereid is met de onmiskenbare suggestie dat men de parlementaire democratie afwijst en dat men zijn politieke doeleinden met andere en desnoods gewelddadige middelen wil trachten te bereiken. Volgens klaagster is dit lijnrecht in strijd met de manier waarop de PPR politiek bedrijft.
Betrokkene heeft in zijn antwoord erop gewezen dat klaagster heeft nagelaten zich met haar bezwaren eerst rechtstreeks tot hem of de redactie van De Telegraaf te wenden. Betrokkene is het niet eens met de uitleg, die klaagster aan het woord extremist geeft. Anders dan klaagster meent betrokkene dat het begrip extremist niet uitsluitend betrekking heeft op de wijze, waarop iemand zijn politieke doeleinden nastreeft maar dat het ook op de inhoud van diens denkbeelden kan slaan. Betrokkene beroept zich hierbij op de definitie in Van Dale: 'iemand die uitersten najaagt, inz. met betr. tot politieke beginselen.' Onder verwijzing naar o.a. het verkiezingsprogramma van de PPR meent betrokkene dat de PPR-politici politieke extremisten genoemd kunnen worden in de door hem verdedigde betekenis van het woord.

BEOORDELING

De klacht spitst zich toe op de vraag naar de betekenis van het begrip 'politieke extremist'. De Raad meent dat deze niet vaststaat. Mogelijk wekt het begrip bij sommigen de suggestie dat de betrokken persoon de parlementaire democratie afwijst en zonodig gewelddadige middelen zal gebruiken voor het bereiken van zijn politieke doeleinden.
Naar het oordeel van de Raad kan echter niet gezegd worden dat het begrip 'politieke extremist' deze suggestie 'onmiskenbaar' inhoudt. Daarmee is de grondslag aan de klacht ontvallen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 17 maart 1983 door mr. H. B. Vroom, voorzitter, O. Postma ing., mr. T. Faber-de Heer, drs. H. W. M. van Run en J. M. J. P. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1983, 4.