1983/17 ongegrond

M. J. F. Stelling contra hoofdredacteur De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van M. J. F. Stelling tegen de
hoofdredacteur van de Telegraaf

DE KLACHT

Bij brief van 30 augustus 1983 met vijf bijlagen heeft M. J . F. Stelling (klager) te Alphen aan de Rijn een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene). Bij brief van 28 september 1983 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De Raad heeft over de zaak beslist op grond van de stukken.

DE FEITEN

Klager is beroepsmilitair bij de Nederlandse Luchtmacht in de rang van kapitein en openlijk tegenstander van kernwapens, reden waarom hij niet bereid is alle opdrachten ter zake van kernwapens uit te voeren. Dit was voor defensie aanleiding klager een beschikking te zenden, die inhield dat er sprake was van een verminderde geschiktheid als militair. Na een door klager hierover bij de Centrale Raad van Beroep ingestelde procedure zond de Minister van Defensie hem een brief waarin van hem onvoorwaardelijke gehoorzaamheid werd geëist. Het ANP zond over een en ander op 24 augustus 1983 een telexbericht uit. Hierin wordt ook gewag gemaakt van de reactie van klager op genoemde brief. Het ANP-bericht houdt dienaangaande onder meer in: 'Stelling zei dinsdag bijzonder teleurgesteld te zijn, vooral over het feit dat De Ruiter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van hem eist. Deze 'Befehl ist Befehl'-teneur wijst Stelling van de hand'.

In het hoofdredactioneel commentaar van De Telegraaf van 25 augustus 1983 wordt aan deze feiten aandacht besteed met onder meer de volgende passage.
'Voor de heer Stelling was dit (brief van de Minister) aanleiding om, wijzend op zijn hoogste chef, de historisch zwaarbeladen term 'Befehl ist Befehl-mentaliteit' te laten vallen. In de discussie is de vredelievende officier kennelijk niet zo kieskeurig bij het verliezen van wapens'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager heeft betrokkene zijn uitlating inzake de 'Befehl ist Befehl'-mentaliteit ten onrechte in verband gebracht met het feit dat hij verminderd inzetbaar zou zijn verklaard als gevolg van opzettelijke 'negatie' van gedeelten van bovengenoemd ANP-bericht.
Klager maakt voorts bezwaar tegen de opmerking dat hij niet kieskeurig zou zijn bij het kiezen van zijn wapens. In de derde plaats acht klager het onjuist dat het commentaar geen melding maakt van de door de Nederlandse overheid aan de militair opgelegde verplichting zich te houden aan de regels van het recht, dus ook volkenrechtelijke verplichtingen, die prevaleren boven de nationale wetten. Tenslotte verwijt klager betrokkene dat hij niet om commentaar is gevraagd en dat hij niet in de gelegenheid werd gesteld zijn bezwaren tegen het stuk telefonisch kenbaar te maken.

Betrokkene meent dat het eerste onderdeel van de klacht onduidelijk is en dat er in ieder geval geen sprake is van feitelijke onjuistheid. Betrokkene beroept zich voor het overige op de vrijheid van meningsuiting. Hij wijst er tenslotte op dat klager herhaalde malen werd uitgenodigd zijn bezwaren schriftelijk in te dienen, terwijl er geen reden was hem tevoren te benaderen nu het om een commentaar ging en niet een uit vrije nieuwsgaring voortgekomen bericht.

HET OORDEEL VAN DE RAAD

Naar de mening van de Raad bevat het gegeven commentaar een correcte samenvatting van de feiten uit het door klager overgelegde ANP-bericht. De term 'Befehl ist Befehl-mentaliteit' is daarbij niet uit zijn verband gerukt, ook niet al ging het klager daarbij niet om de verminderde inzetbaarheid maar om de van hem geëiste onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.
Klagers tweede bezwaar betreft een door betrokkene gegeven oordeel, waarbij naar de mening van de Raad de commentator de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid niet heeft overschreden. Klager heeft overigens nagelaten aan te geven waarom dit wel zo zou zijn.
Betrokkene was evenmin verplicht het beginsel van wederhoor toe te passen of contra-argumenten te noemen met betrekking tot de in zijn stuk gegeven opinie waar het hier om een commentaar gaat op bepaalde nieuwsfeiten.
De Raad meent tenslotte dat betrokkene klager voldoende tegemoet is gekomen door hem uit te nodigen zijn bezwaren op schrift te stellen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus beslist ter zitting van de Raad van 15 december 1983 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, Drs. J. F. T. Vugts, A. G. Scherphuis en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1983, 17.