1983/16 ongegrond

A.N. en N.M. contra hoofdredacteur Het Vrije Volk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van A.N. en N.M. te Rotterdam tegen de hoofdredacteur van 'Het Vrije Volk'.

DE KLACHT

Bij brief van 10 juni 1983 met twee bijlagen heeft Mr A. K. J. Plaisier, advocaat te Ridderkerk, namens zijn cliënten A.N. en N.M. te Rotterdam (klagers) een klacht ingediend tegen de heer H. A. Wigbold, hoofdredacteur van 'Het Vrije Volk' (betrokkene). Bij brief van l 9 juli 1983 heeft betrokkene zich verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 november 1983. Namens klagers was aanwezig Mr A. K. J. Plaisier, namens betrokkene G. J. Laan, adjunct hoofdredacteur van 'Het Vrije Volk' en zijn collega Nico van Vliet.

DE FEITEN

In 'Het Vrije Volk' van 11 maart 1983 is onder de titel 'Man vergrijpt zich aan zijn stiefdochter' een kort verslag verschenen van een zedenzaak, die op 10 maart 1983 achter gesloten deuren behandeld werd door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Rotterdam. Dit verslag bevatte een opsomming van de volgende feiten. Klager A.N. stond terecht wegens gemeenschap met zijn 11-jarige stiefdochter en ontucht met een ander jong meisje. Klaagster N.M., zijn vrouw, was gedagvaard wegens haar aandeel in de zaak. Dit bestond eruit dat de intieme contacten van N. plaatsvonden met haar instemming en medewerking, dat zij via gemeenschap met N. en via videofilms aan haar dochtertje toonde hoe een en ander in zijn werk ging en dat zij het kind voorhield zich tijdens de gemeenschap met N. meer te ontspannen.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGERS EN BETROKKENE

Blijkens een door Mr Plaisier overgelegde brief d.d. 6 juni 1983 van de griffier van de rechtbank ging de rechtbank over tot sluiting van de deuren:
a. ter bescherming van de bij de delicten betrokken minderjarigen;
b. ter voorkoming van geremdheid bij de verdachten wegens de aanwezigheid van een schoolklas van vrij jeugdige scholieren.
Volgens Mr Plaisier is door de rechtbank ter zitting het onder a. genoemde argument gebezigd zodat de aanwezige journalisten hiermee op de hoogte konden zijn.
Mr Plaisier meent dat betrokkene zich gezien dit belang van publikatie over de zaak had moeten onthouden, althans een grotere terughoudendheid had moeten betrachten. Naar zijn mening had betrokkene in ieder geval niet meer informatie over de zaak mogen geven dan was af te leiden uit de voor de pers ter inzage liggende kopieën van de dagvaarding. In het onderhavige verslag werden ook feiten genoemd, die alleen bekend konden zijn uit hetgeen ter zitting behandeld werd. Als gevolg van het verslag heeft de stiefdochter van zijn cliënten schade geleden doordat zij op school en in de buurt is nagejouwd. Zijn cliënten hebben zich gedwongen gevoeld te verhuizen. Mr. Plaisier meent dat betrokkene gehandeld heeft in strijd met art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, art. 121 van de Grondwet en de vereiste journalistieke zorgvuldigheid.
Betrokkene stelt hiertegenover dat behandeling van een strafzaak achter gesloten deuren nog niet betekent dat over die zaak niets gepubliceerd mag worden. In het onderhavige geval zijn vrijwel alle gegevens uit het vrij korte bericht afkomstig uit voor de pers beschikbare stukken. Alleen de relatie van de minderjarige tot verdachten (stiefdochter) en de handelwijze van haar moeder- voor wat betreft het tonen hoe een en ander in zijn werk ging - zijn feiten, die door vrije nieuwsgaring achterhaald werden. De betreffende journalist verkreeg deze informatie ongevraagd van iemand, die de behandeling van de rechtszaak ambtshalve had bijgewoond. Betrokkene meent dat bij de aangevallen publikatie grote terughoudendheid is betracht door het bericht kort en zo zakelijk mogelijk te houden. Hij stelt dat het algemeen belang een verslag van een dergelijke zaak noodzakelijk maakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van mening dat het sluiten van de deuren bij de behandeling van een strafzaak geen beletsel vormt voor een publikatie over die zaak. Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden of er reden is tot bepaalde terughoudendheid bij de publikatie.
Naar het oordeel van de Raad is de verslaggeving in het onderhavige geval sober en zakelijk. Dat er feiten in voorkomen, die niet uit de telastlegging gehaald kunnen zijn, doet hieraan niet af nu ook hierdoor het terughoudende karakter van het bericht behouden is gebleven en de betreffende informatie wel relevant is voor een beter begrip van de zaak waar het om ging.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 17 november 1983 door Mr H. B. Vroom, voorzitter, Mr T. Faber-de Heer, J . L. de Troye, Mr F. Kuitenbrouwer en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van Mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1983, 16.