1983/15 gegrond

E. J. WILLEMS CONTRA B. BÜCH

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Dr. E. J. Willems tegen B. Büch.

DE KLACHT

Bij brief van 23 november 1982 met drie bijlagen heeft Dr E. J. Willems (klager) te Vorden een klacht ingediend tegen Boudewijn Büch (betrokkene). Betrokkene heeft niet gereageerd op het verzoek van de Raad schriftelijk op de klacht te antwoorden. Bij brief van zijn raadsman, Mr J . H. Jonker te Amsterdam, van 30 september 1983 heeft klager zijn klacht vervolgens toegespitst op een aantal door betrokkene gebezigde kwalificaties. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 november 1983. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende Feiten. In Folia Civitatis, Weekblad voor de Universiteit van Amsterdam, van 2 oktober 1982 is in de rubriek 'Commentaar' een artikel opgenomen van Boudewijn Büch, lid van de redactie van Folia Civitatis, onder de titel 'Eldert Willems: van charlatan tot hoogleraar?'. Naar aanleiding van een benoemingsconflict rond de vacante leerstoel van prof. dr. J. M. M. Aler geeft Büch hierin zijn visie op de omstreden kandidatuur van klager.
In dit verband noemt hij het uit 1978 daterende proefschrift van klager, met de titel ARPH, kunsffilosofische onderzoekingen'. Hij verwijst naar het in het proefschrift opgenomen dankwoord van klager aan prof. dr. J. Kamerbeek, in het boek als coreferent genoemd, maar inmiddels overleden. Hierop volgt in het artikel de. volgende passage.

'Het afschuwelijke feit wil dat ik Kamerbeek (die ik ook diep betreur) de laatste jaren regelmatig sprak en zag. Voor zover het mij bijstaat heeft hij nagenoeg uitsluitend neerbuigend gesproken over de probeersels van Willems. Het was mij liever hiervan géén konde te doen doch het moet nu maar eens. Nu het zo ver is gekomen dat Kamerbeek zich niet meer kan verdedigen zal ik het maar eens doen. Ik wil graag beamen dat Kamerbeek een 'lieve' soms te meegaande man was die niet veel kon weigeren (zelfs mij niet) en ik acht het daarom niet uitgesloten dat hij Willems wel eens een (te) aardige brief heeft geschreven of een te grote faveur heeft gedaan. Voor het overige wil ik staande houden dat Kamerbeek Willems 'een charlatan' vond'.

Vervolgens gaat Büch in op inhoud en achtergrond van klagers publikatie 'Heidegger, Mulisch, en de Winterslaap' (Leiden 1982). Hij wijdt hieraan onder meer de volgende passage.

'Vervolgens vergoeilijkt Willems de ergerlijke vrijerij van Heidegger met het nazisme c.q. fascisme. Willems voert als getuige voor de in-en-in goede Heidegger Aler aan. Bij mijnweten wagen het slechts weinigen het op te nemen voor Heidegger inzake zijn geflikflooi met Hitler
c.s. Willems doet dat echter wel en Aler blijkbaar ook. Willems geeft op bladzijde 18 van zijn vlugschrift een dertienregelig citaat van Aler waarin deze fulmineert tegen personen die het Heidegger kwalijk namen 'dat hij zich kortstondig, maar wel heel nauw, inliet met de machthebbers van het Derde Rijk'. Hier overschrijdt niet alleen Willems de grenzen van het welvoegelijke. Heidegger is fout geweest, heel fout, en wie dat verdoezelt of ontkent, heeft niet genoeg gelezen of is iemand van een bedenkelijke politieke kleur - ook Aler gaat met dit citaat een heel gevaarlijke kant op. Ik neem tenminste maar aan dat het citaat van Aler is'.

Even verder besteedt Büch aandacht aan de uitgever van de publikatie, de Stichting Dimensie, in welk verband hij de coördinatie van deze stichting, Jan Biezen, noemt. Hierop schrijft hij de volgende regels.
'De namen vliegen door dit stuk; maar het is niet anders! We hebben immers te doen met een uitermate ingewikkelde kongsi van halvegaren, operette-filosofen en fascisme-vergoeilijkers'.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

De bezwaren van klager richten zich tegen een aantal feitelijke onjuistheden alsmede tegen het gebruik van de onnodige grievende termen 'charlatan' en 'fascisme-vergoeilijker'. Nu bij gebreke van reactie van betrokkene door de raad een onderzoek naar de feiten wordt bemoeilijkt wil hij zijn klacht beperken tot het gebruik van genoemde kwalificaties. De tekst van het artikel kan volgens klager de inhoud van deze termen niet dragen.
Het lijkt bovendien zeer onwaarschijnlijk dat Kamerbeek hem ooit een charlatan genoemd zou hebben. Dit is naar de mening van klager niet te rijmen met het feit dat Kamerbeek zich beschikbaar stelde als co-referent.
De beschuldiging, die besloten ligt in de term fascisme-vergoeilijker, is volgens aanklager aantoonbaar onjuist. Hij verwijst naar pagina 17 van zijn publikatie 'Heidegger, Mulisch, en de Winterslaap' en met name naar de volgende passage.
'Het nationaal-socialistisch experiment van de filosoof duurde een klein jaar. In het voorjaar van 1933 liet Heidegger als rector van de universiteit van Freiburg zich openlijk (en pijnlijk) i n met wat hij toen beschouwde als 'die Begegnung der planetarisch bestimmten Technik und des neuzeitlichen Menschen (volgt een noot, die verwijst naar de tekst van Hannah Arendt). Daar heeft hij zwaar voor moeten boeten. Na tien 'hektische' (noot Arendt) maanden zag hij in dat hij zich had laten 'inschakelen' (noot Arendt) bij de foute groep en trok hij zich (ook als rector) terug, wat hem de vijandschap van het bewind opleverde'.
Deze passage behoort tot de inleiding van zijn bespreking van de filosofie van Heidegger. Alvorens daartoe over te gaan heeft klager feitelijk de 'Irrtum van 1933' van de filosoof behandeld in het voetspoor van o.a. de joodse geleerde Hannah Arendt, naar wier publikatie hij onder meer verwijst.
Naar de mening van klager heeft betrokkene de grenzen van het journalistieke fatsoen overschreden, zulks terwijl ten aanzien van publikaties in Folia Civitatis extra zorgvuldigheid moet worden betracht. Het blad wordt immers automatisch verspreid onder alle leden van de universitaire gemeenschap. Klager stelt bij de uitoefening van zijn beroep veel nadeel van de publikatie te hebben ondervonden. Dat de redactie van Folia in de aflevering van 9 oktober 1982 een ingezonden brief heeft geplaatst, waarin hij op het artikel reageert onder meer in bovengenoemde zin, heeft hem onvoldoende genoegdoening verschaft.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft het gebruik van de kwalificaties 'charlatan' en 'fascisme-vergoeilijker' in een artikel waarin betrokkene een negatieve visie heeft op het wetenschappelijke werk van klager, een en ander naar aanleiding van de mogelijke kandidatuur van klager voor een opengevallen hoogleraarsplaats.
Het staat betrokkene vrij zich openlijk een tegenstander van deze kandidatuur te tonen, waarbij de Raad in het midden wil laten in hoeverre binnen de universitaire wereld in een bepaalde polemiek in een blad als Folia Civitatis het gebruik van scherpe taal normaal en geaccepteerd is.
Naar het oordeel van de Raad heeft echter betrokkene het begrip 'charlatan' in zijn stuk geen inhoud gegeven. Het noemen van eigen en andermans negatieve kritiek op klagers werk is daartoe onvoldoende. Onder die omstandigheden is betrokkene tekort geschoten in zorgvuldigheid door deze onnodig grievende term als overigens oncontroleerbaar citaat van een ander over te nemen.

Ook het gebruik van de term 'fascisme-vergoeilijker' acht de Raad laakbaar. Naar het oordeel van de Raad laat lezing van de twee hierboven aangehaalde citaten met betrekking tot klagers publikatie 'Heidegger, Mulisch, en de Winterslaap' geen andere conclusie toe dan dat deze term (mede) op klager slaat.
De term houdt een zware beschuldiging in, die echter niet deugdelijk feitelijk wordt geadstrueerd en waarvan naar het oordeel van de Raad door klager genoegzaam is aangetoond dat deze onjuist is en dat betrokkene dat had kunnen nagaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 17 november 1983 door Mr H. B. Vroom, voorzitter, Mr T. Faber-de Heer, J. de Troye, Mr F. Kuitenbrouwer en Drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van Mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1983, 15.