1983/14 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van F. Laroo tegen Charles van der Leeuw.

Bij brief van 3 mei 1983 heeft de heer F. Laroo (klager) een klacht ingediend tegen de heer Charles van der Leeuw (betrokkene). Bij brief van 22 juli 1983 heeft betrokkene zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 november 1983 waar klager en betrokkene hun standpunten hebben toegelicht.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In De Tijd van 4 maart 1983 is een publikatie verschenen van betrokkene in de rubriek 'Hier en daar een bui' onder de titel 'In het voetspoor van Pelle Mug'. In deze publikatie wordt aandacht besteed aan een tweetal huurconflicten waarbij klager - onder meer als voormalig Amsterdams gemeenteraadslid voor de P.v.d.A. aangeduid - betrokken was. Het te beschouwen conflict betreft de ontruimingsprocedure van klager tegen een huurster van de benedenwoning van een door hem gekocht pand.
In de publikatie wordt ter zake het volgende gesteld.
- Klager heeft in 1974 voor een appel en een ei een pand aan de Herengracht gekocht.
- Klager heeft de huurster zijn eigen woning in de Pijp aangeboden.
- Klagers eigen woningnood heeft hij in de procedure o.m. gebaseerd op de behoefte aan extra werkruimte in verband met zijn raadslidmaatschap en de behoefte aan zelfstandige woonruimte voor zijn zoon.
- Klager was op het moment van het vonnis van de rechtbank al drie maanden geen raadslid meer en het souterrain van de betreffende woning stond leeg en was niet bij de huurster in gebruik.
- De rechtbank heeft een flink aantal bokken geschoten.
- Aan de Hoge Raad worden met betrekking tot het vonnis van de rechtbank de volgende zinsneden toegeschreven: 'onbegrijpelijk, niet met redenen omkleed', en 'niet ter sprake geweest, laat staan beantwoord'.

Onder het kopje 'Poging tot afpersing' schrijft betrokkene vervolgens dat het dreigen met uitzending door de politie nog rechtmatig is. Het voorstel echter aan de huurster haar nog een maand respijt te geven indien zij vrijwillig afziet van verder procederen in cassatie en onder betaling van f 1.000,- wordt een poging tot afpersing en een strafbaar feit genoemd.
Het tweede beschreven conflict betreft de aankoop van de Werkschuit en de verhuur daarvan aan de stichting Amsterdams Centraal Instituut (A.C.I.) waarvan klager directeur was. In de publikatie wordt daaromtrent het volgende gesteld.
- Klager was eigenaar van de Werkschuit.
- Klager bracht het schip onder in een stichting en bracht het A.C.I. een kwart ton huur
in rekening voor een afgeschreven en niet of nauwelijks onderhouden boot.
- Volgens de statuten van de stichting zou A.C.I. metterdaad eigenaar worden van de Werkschurt, maar klager wijzigde de statuten en liet de desbetreffende clausule vervallen.

STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voelt zich door deze publikatie in eer en goede naam aangetast. De publikatie bevat tal van feitelijke onjuistheden en klager wordt daarin beschuldigd van een strafbaarfeit. Klager heeft de indruk dat betrokkene hem bewust in een kwaad daglicht heeft willen stellen en zijn gemeenteraadslidmaatschap voor de P.v.d.A. daartoe heeft aangegrepen.
Ten aanzien van de feitelijke onjuistheden wijst klager o.m. op het volgende.
- De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan terwijl deze indruk wel wordt gewekt.
- Het desbetreffende pand is in 1974 voor een normale prijs gekocht.
- Klager heeft zeer hechte banden met dat pand, waarin hij een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht en waar zijn moeder nog woont.
Zijn eigen woonruimte was te klein geworden. Het argument van zelfstandige woonruimte voor zijn zoon was slechts een bijkomstig argument in de procedure.
- nimmer heeft klager in de procedure gesteld dat hij vanwege zijn raadslidmaatschap extra woonruimte nodig had.
- Van een poging tot afpersing was geen sprake. Het gaat om een binnen de advocatuur gebruikelijke regeling, waarbij in ruil voor een langere termijn voor de ontruiming het afzien van verder procederen in cassatie wordt gevraagd met vergoeding van een gedeelte van de kosten welke door de ontruiming vragende partij in verband met de cassatieprocedure reeds zijn gemaakt.
Ter zake van de ontruiming wijst klager erop dat hij van 1974 tot 1979 met de benedenhuurster heeft overlegd over vrijwillig vertrek. Toen duidelijk werd dat zij daartoe niet bereid was is klager gaan procederen. Het vonnis van de kantonrechter heeft hij, hoewel dit uitvoerbaar bij voorraad was, niet ten uitvoer laten leggen, maar hij heeft eerst nog het vonnis van de rechtbank - in oktober 1982 - afgewacht Toen ook de rechtbank hem in het gelijk stelde, was hij echter niet meer bereid ook nog het arrest van de Hoge Raad in de cassatie-procedure af te wachten.
Ook in de passage over de Werkschuit signaleert klager tal van onjuistheden.
- Hij is nooit privé-eigenaar van de Werkschuit geweest
- De statutenwijziging van de stichting was reglementair en berustte op een bestuurs besluit.
-De oorspronkelijke statuten bevatten geen clausule dat de A.C.I. mettertijd eigenaar van de Werkschuit zou worden.
Naar de mening van klager had betrokkene de gestelde feiten op eenvoudige wijze kunnen verifiëren en had hij dit ook behoren te doen.

Betrokkene wijst allereerst op de aard van de rubriek 'Hier en daar een bui'. In deze rubriek worden op een column-achtige wijze vermeende misverstanden naar voren gebracht. De gebruikte taal is noodzakelijk kernachtig en scherp. Wederhoor is niet altijd noodzakelijk. In deze zaak kon hij zich voldoende documenteren aan de hand van de vele (proces)stukken, waarin hij inzage had.
Op de door klager genoemde onjuistheden reageert betrokkene met het volgende verweer:
-In de publikatie staat niet dat de Hoge Raad reeds uitspraak heeft gedaan. Verderop in de publikatie wordt gesproken van een dagvaarding.
-Het pand is in 1974 voor f 75.000,--gekocht, een prijs, die ver beneden het gebruikelijke niveau lag.
-In het vonnis van de rechtbank worden de woon- en leefomstandigheden van klager uiteengezet. De rechtbank acht de behoefte van klager aan een studievertrek reëel. Omdat eerder het raadslidmaatschap van klager aan de orde was is het verband meer dan duidelijk.
-Het argument van de behoefte aan zelfstandige woonruimte voor de zoon ontleent betrokkene aan hetgeen klager blijkens het proces-verbaal daaromtrent heeft opgemerkt en aan de verwijzing van de rechtbank: 'nu hij (klager) als eigenaar van het gehele pand dit naar eigen goeddunken zou kunnen verbouwen en/of renoveren, terwijl hij zijn zoon op deze manier zelfstandige woonruimte kan bieden'.
-Een ontruimingsvonnis kan er nooit voor bedoeld zijn iemand geld afhandig te maken of onder druk te zetten af te zien van een rechtmatige actie zoals het voeren van een procedure in cassatie. Het gebezigde woordgebruik over deze kwestie moet worden gezien als een uiting van de verontwaardiging van betrokkene daarover.
Ten aanzien van de 'Werkschuitaffaire' merkt betrokkene op.
-Uit betrouwbare bron is hem bevestigd dat klager de aankoop van de Werkschuit heeft voorgefinancierd.
-In de statuten stond een bepaling dat een eventueel batig saldo na de ontbinding van de stichting - die de Werkschuit in eigendom had - aan het A.C.I. zou worden uitgekeerd. Dit betekent volgens betrokkene dat de boot volgens de strekking van het overeengekomene bestemd was voor huisvesting van het A.C.I. en deze het A.C.I. rechtens toekwam.

Betrokkene bevestigt dat het raadslidmaatschap van de P.v.d.A. van klager heeft bijgedragen tot zijn verontwaardiging over deze kwestie. Hij merkt op dat hij zich niet uitsluitend verantwoordelijk acht voor de publikatie.
De eindredactie van de rubriek berust bij de heer Driehuis. De kop komt niet voor zijn rekening. Overigens erkent hij dat in de publikatie geen wijzigingen zijn aangebracht, hooguit is een alinea weggelaten. Betrokkene vindt het merkwaardig dat klager zich niet eerst tot de redactie van De Tijd heeft gewend. Klager zegt hierop dat hij daartoe geen behoefte voelde. Dit zou hem opnieuw in de publiciteit hebben gebracht. Hij heeft gekozen voor een uitspraak van de Raad.

BEOORDELING DOOR DE RAAD

De Raad meent dat betrokkene blijk heeft gegeven van een ernstig gebrek aan elementair inzicht in de rechtsgang met betrekking tot ontruimingsprocedures en de rechtspleging in cassatie. Daarbij heeft hij aan processtukken conclusies verbonden die daaraan niet kunnen worden ontleend en zeker niet in de stellige - en bovendien afkeurende vorm - waarin zij zijn verwoord.
De Raad baseert zich hiervoor onder meer op het volgende.
- Betrokkene citeert de Hoge Raad aan het begin van zijn publikatie, terwijl hij ter zitting erkent deze citaten te hebben ontleend aan de dagvaarding. Hij meent ten onrechte dit te kunnen doen omdat het een stuk is
dat 'vanwege de Hoge Raad' wordt uitgebracht.
- Betrokkene beschrijft als een poging tot af persing en een straf baar feit een regeling tussen advocaten over een schikking tussen partijen, die zeer gebruikelijk en legitiem is.
- Betrokkene interpreteert een statutaire bepaling verkeerd - namelijk in die zin dat A.C.I. de eigendom van de Werkschuit t.z.t. verwerft - en hij kent aan een statutenwijziging een betekenis toe welke daaraan niet toekomt.
- Betrokkene heeft inzage gehad in objectief betrouwbare stukken en kon zich daarmee ontslagen achten van het overigens gebruikelijke wederhoor. Hem van evenwel te verwijten dat hij op een gebied waarin hij duidelijk te weinig kennis van zaken had heeft nagelaten te verifiëren of zijn conclusies op het materiaal konden worden gebaseerd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond en is van oordeel dat betrokkene in ernstige mate tekortgeschoten is in het betrachten van de vereiste journalistieke zorgvuldigheid.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 3 november 1983 door Mr R. de Waard, voorzitter, O. Postma, D. F. Houwaart, Mr F. Kuitenbrouwer, leden, in aanwezigheid van Mevr. Mr M. P. Galama-Kuipers, plv. secretaris.

RvdJ 1983, 14.