1983/10 gegrond

M. MOL CONTRA HOOFDREDACTEUR AD

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mevrouw M. Mol tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad.

DE KLACHT

Bij brief van 11 november 1982 heeft de heer H. Kruizinga, werkzaam bij de Algemeen Christelijke Politiebond, namens mevrouw M. Mol (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (betrokkene).
Bij brief van 1 april 1983 heeft betrokkene zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 juni 1983. Namens klaagster verscheen de heer Kruizinga en voor betrokkene waren aanwezig de heren L. Davidson en Mr. E. Ekker.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In het Algemeen Dagblad van 16 juli 1982 stond op de voorpagina- met een vervolg op pagina 5 - een artikel over klaagster met een duidelijk gelijkende foto van haar. In dit artikel wordt melding gemaakt van het door de rijksrecherche tegen klaagster ingestelde onderzoek in verband met de verdenking van het doorspelen van vertrouwelijke recherche-informatie aan de van miljoenenzwendel verdachte hoofdboekhouder van het Dordtse bedrijf Frisol, J. Uylen.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Door het in deze publikatie met naam en toenaam vermelden van klaagster alsmede door het publiceren van een duidelijk herkenbare foto van haar, heeft betrokkene, naar de mening van de klaagster, gehandeld in strijd met het goede journalistieke gebruik de identiteit van van strafbare feiten verdachte personen niet bekend te maken. Die bescherming kwam ook toe aan klaagster, die verdacht werd van schending van haar ambtsgeheim als politiefunctionaris.
Daarenboven voelt klaagster zich door de wijze van publiceren in haar eer en goede naam aangetast. Klaagster wijst daarbij op de volgende passages in het artikel:
'de rol die zij heeft gespeeld bij...'; 'de nog niet door haar superieuren geschorste hoofdagente...'; 'Het staat vast dat hier geen sprake is van een liefdesrelatie tussen de politievrouw en Uylen, zoals destijds het geval was bij...'. Voorts wijst zij op de onjuiste suggestie welke uitgaat van het onderschrift bij de foto op pagina 5: 'Rechercheurs bezochten gisteren in Zoetermeer de woning van...'. Het betreft een foto van het huis van klaagster op het moment waarop collega's haar op haar verzoek komen opzoeken.
Betrokkene stelt dat weloverwogen gekozen is voor volledige naamsvermelding van klaagster en eveneens voor een duidelijk herkenbare foto.
Niet zonder enige aarzeling is uiteindelijk dit besluit na zorgvuldige afweging genomen vanuit de oprechte overtuiging dat de verdenking jegens klaagster weinig om het lijf had. Ingeval initialen zouden zijn gebruikt en een foto met een zwart balkje zou zijn gepubliceerd zou veel meer de indruk van crimineel gedrag zijn gewekt.
Dat deze overtuiging terecht was werd enige dagen later bevestigd toen de korpschef op een persconferentie verklaarde dat klaagster geen enkel verwijt viel te maken. Hiervan is in het AD mededeling gedaan.
Ter zitting kwam echter vast te staan dat het besluit van verdere vervolging af te zien eerst medio mei 1983 aan klaagster werd meegedeeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad constateert dat betrokkene de goede journalistieke gewoonte t.a.v. het beschermen van de privacy van verdachten - het gebruik van initialen, niet duidelijk herkenbare foto of tekening - onderschrijft.
Deze journalistieke norm sluit aan bij het verwachtingspatroon van de lezer, dat er wel iets heel bijzonders aan de hand moet zijn wil hiervan worden afgeweken.
Volgens bestendige jurisprudentie van de Raad lijdt deze norm slechts uitzondering in twee gevallen:
- indien de naam een essentieel bestanddeel van het bericht vormt zodat het zonder die naam niet vermeldenswaard meer is;
- wanneer wegens algemene bekendheid van de betrokken persoon door zijn functie of anderszins het niet vermelden van de naam bij gemiddelde lezer verbazing zou wekken.

In de onderhavige kwestie heeft betrokkene zich niet op een dergelijke uitzondering beroepen. Evenmin heeft betrokkene de Raad kunnen overtuigen van een andere bijzondere omstandigheid, die afwijking van de norm rechtvaardigde.
Hierbij merkt de Raad op dat van de overtuiging van betrokkene t.a.v. de onschuld van klaagster in de wijze van berichtgeving weinig tot niets is terug te vinden.
De door klaagster geciteerde passages uit het artikel wekken volgens de Raad veeleer de
indruk dat betrokkene de verdenking serieus nam.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 16 juni 1983 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mw. A. Scherphuis in tegenwoordigheid van Mr. M. P. Galama-Kuipers, plaatsvervangend secretaris.

RvdJ 1983, 10.