1983/1 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Mr. E.Ch. Lisser tegen B. Middelburg en K. Tamboer.

De klacht

Bij brief van 14 juli 1982 met 7 bijlagen heeft Mr. Ch.E. Lisser, ambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam, een klacht ingediend tegen de journalisten B. Middelburg en K. Tamboer (betrokkenen). Bij brief van 6 september 1982 met 8 bijlagen hebben betrokkenen zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 januari 1983. Klager en betrokkenen waren in persoon aanwezig en hebben hun standpunten mondeling toegelicht onder overhandiging van schriftelijke aantekeningen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In het dagblad Het Parool is door betrokkenen in een reeks reportages gedurende ongeveer twee jaar het beleid van de gemeente Amsterdam ten aanzien van Pensions voor buitenlanders aan de orde gesteld en bekritiseerd. In deze artikelen wordt vele malen de aandacht gevestigd op de persoon van klager door hem met naam en toenaam te noemen als de voor het pensionbeleid van de gemeente Amsterdam verantwoordelijke ambtenaar veelal met publikatie van een foto van klager. In een van hun artikelen, nl. in Het Parool van 17 mei 1982, hebben betrokkenen kritiek geuit op de gemeentelijke nota "Verblijfsinrichtingen" onder de kop "Nota is één en al kritiek op Lisser." Naar aanleiding hiervan heeft burgemeester Polak in een openbare vergadering van twee raadscommissies van 26 mei een verklaring afgelegd ter verdediging van klager. In Het Parool van 4 juni 1982 is deze verklaring in zijn geheel afgedrukt en in een aansluitend artikel van betrokkenen van commentaar voorzien. Klager heeft in zijn klaagschrift bezwaren geuit tegen een aantal van de artikelen van betrokkenen over het Pensionbeleid nl. die in Het Parool van 9 februari, 17 mei, 4 juni en 2 juni 1982.

De standpunten van klager en betrokkenen

Klager, die werkzaam is op de afdeling Algemene Zaken van de gemeente Amsterdam, waaronder het pensionbeleid ressorteert, is van oordeel dat de artikelen vele onjuistheden bevatten en anderzijds van onzorgvuldige journalistiek getuigen doordat zij onnodig grievende of suggestieve uitlatingen bevatten en ontaard zijn in een hetze tegen hem persoonlijk. Klager meent dat hij ten onrechte aangewezen wordt als degene, die als enige verantwoordelijk is voor en schuldig aan alles hetgeen door betrokkenen in hun artikelen aan onjuistheden of tekortkomingen in het pensionbeleid wordt geconstateerd. Klager geeft in zijn klaagschrift zes voorbeelden van mededelingen uit de artikelen, die volgens hem onjuist zijn en vijf voorbeelden van passages, die volgens hen onnodig grievend of suggestief zijn. Betrokkenen ontkennen dat in de artikelen een campagne gevoerd wordt tegen klager. Volgens betrokkenen zijn ook andere ambtenaren en bestuurders bekritiseerd. Voor zover er beschuldigingen geuit zijn tegen klager zijn die naar de mening van betrokkenen terecht omdat klager als topambtenaar op Algemene Zaken voor het pensionbeleid in feite de hoofdverantwoordelijkheid draagt en bepaalde door hen gesignaleerde misstanden het rechtstreeks gevolg zijn van tekortkomingen van klager. Betrokkenen menen dat zij geen onjuistheden hebben gesteld of dat er sprake is van onzorgvuldigheid door onnodig grievende uitspraken. Betrokkenen menen bovendien dat de Raad niet bevoegd is een oordeel te geven over de klacht voor zover er wel sprake zou zijn van onzorgvuldigheid. Volgens betrokkenen is het oordeel hierover voorbehouden aan de gewone burgerlijke rechter.

Beoordeling van de klacht

De Raad kan betrokkenen niet volgen in hun formele verweer dat de Raad niet bevoegd is te oordelen over klachten, die inhouden dat een journalist zich onzorgvuldig heeft gedragen. Het reglement van de Raad voor de Journalistiek houdt deze beperking niet in. De Raad zal niet alle door klager gegeven voorbeelden bespreken nu de behandeling ter zitting zich heeft toegespitst op twee hierna te noemen passages waarvan de eerste, getuige het klaagschrift, bij klager kennelijk de ernstigste bezwaren heeft opgeroepen.

In Het Parool van 4 juni 1982 wordt in het artikel van betrokkenen, dat is opgenomen onder de publikatie van de door de burgemeester ten gunste van klager afgelegde verklaring, een overzicht gegeven van de over het pensionbeleid eerder geschreven artikelen en de plaats, die klager in die artikelen heeft ingenomen. In het artikel is sprake van de brand in maart 1981 in een pension in de Den Texstraat, waarbij een vrouw en een 4-jarig jongetje om het leven zijn gekomen. In verband met de vraag of klager vakbekwaam is, zoals hij door de burgemeester in diens verklaring wordt genoemd, bevat het artikel de volgende passage.

"Is mr. Lisser vakbekwaam? Antwoord: daarover kunnen wij niet oordelen in zijn algemeenheid, maar het laten ontstaan van een administratieve chaos die zoals in het geval van de Den Texstraat mensenlevens kost, is niet vakbekwaam." Naar het oordeel van de Raad houdt deze passage het zware verwijt in dat klager schuldig is aan het omkomen van twee mensen. Door het voor te stellen of er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de dood van twee slachtoffers van de brand en de administratieve verantwoordelijkheden van klager maken betrokkenen tot hoofdschuldige. Een dergelijke simplificatie gaat voorbij aan de gespreide verantwoordelijkheid van democratische besturen nog daargelaten of de brand en het vallen van dodelijke slachtoffers daarbij een rechtstreeks gevolg geweest zijn van bestuurlijke misslagen.

In Het Parool van 12 februari 1982 wordt verslag gedaan van de vergadering van het College van B. en W. van 11 februari 1982 waarbij het pensionbeleid aan de orde kwam. Na de mededeling dat B. en W. besloten strafvervolging te verzoeken m.b.t. exploitant Frans Holla van pension Borneo op het Prinseneiland volgt de volgende passage.

"Door aan te dringen op justitiële maatregelen tegen Holla heeft burgemeester Polak een advies van plaatsvervangend hoofd algemene zaken mr. E.Ch. Lisser in de wind geslagen, om het maar vriendelijk te zeggen." En even verder "......de burgemeester heeft uiteindelijk het enige juiste met Lissers laatste advies gedaan: verscheuren en de prullenbak in, om het maar eens vriendelijk te
zeggen."

Het advies hield volgens het artikel in Holla ongemoeid te laten. De Raad acht deze laatste passage feitelijk onjuist en onnodig grievend ten opzichte van klager nu betrokkenen ter zitting hebben toegegeven dat het advies niet werkelijk vernietigd is en zij slechts bedoeld hebben te stellen dat naar hun mening het advies inhoudelijk niet is opgevolgd, nog daargelaten dat het advies slechts door klager is voorbereid maar door de burgemeester is overgenomen.

Zonder alle andere aangevallen passages op hun feitelijke juistheid en verdere journalistieke zorgvuldigheid te toetsen is de Raad van oordeel dat betrokkenen in hun legitieme campagne tegen het pensionbeleid van de gemeente Amsterdam, waarbij zij terecht misstanden aan de kaak hebben gesteld, bij het bloot leggen van bepaalde ambtelijke verhoudingen hun schijnwerpers te zeer hebben gericht op de figuur van klager. Door hun niet steeds functionele herhalingen ten aanzien van de positie van klager en zoals blijkt uit boven besproken voorbeelden hebben betrokkenen klager te zee tot mikpunt gemaakt van hun kritiek. Door de publikatie van de verklaring van de burgemeester en de aankondiging daarvan op de voorpagina hebben betrokkenen een belangrijke bijdrage geleverd het negatieve beeld van klager te wijzigen, echter in het begeleidende artikel doen zij dit weer te niet.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 januari 1983 door Mr. H.B. Vroom, voorzitter, O. Postma ing., Mr. L. van Vollenhoven Mr. F. Kuitenbrouwer en Drs. H.W.M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1983, 1.