1982/9 ongegrond

Mascha van Peijpe contra mw J. van Slooten

Beslissing van de Raad voor Journalistiek inzake de klacht van Mascha van Peijpe tegen mevrouw J. van Slooten.

DE KLACHT

Bij brief van 19 april 1982 met drie bijlagen heeft mevrouw Mascha van Peijpe te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen mevrouw J. van Slooten te Amsterdam (betrokkene). Bij brief van 17 mei 1982 heeR betrokkene zich verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 september 1982. Klaagster en betrokkene waren in persoon aanwezig. Van de zijde van klaagster was tevens aanwezig de getuige G. W. Dijkhuis-Abbink.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In de aflevering van 13 maart 1982 van de Haagse Post is een artikel verschenen van betrokkene over de Amerikaanse psychiater professor Ivan Boszormenyi-Nagy en diens denkbeelden over gezinstherapie. Het artikel beschrijft de gang van zaken bij een aantal door professor Nagy gegeven demonstratietherapieën tijdens een recent bezoek van twee maanden aan Europa. De dialogen van enige van de gepresenteerde gezinnen zijn daarbij, althans voor een deel, letterlijk weergegeven. Er wordt over de gezinnen niet meer verteld dan wat blijkt uit de weergegeven dialogen. De gezinsleden worden slechts bij een voornaam aangeduid. Klaagster heeft als gezinstherapeute een demonstratietherapie van professor Nagy te Utrecht bijgewoond en daaraan meegewerkt door de inbreng van een gezin, dat bij haar in behandeling was. Zij bemerkte pas vlak voor de zitting dat betrokkene als journaliste aanwezig zou zijn. Zij heeft haar hieronder nader te noemen bezwaren tegen de publikaties bij schrijven van 25 maar 1982 aan de redactieraad van de Haagse Post kenbaar gemaakt onder het verzoek een ingezonden brief te plaatsen. Dit verzoek is niet ingewilligd.

DE STANDPUNTEN

Klaagster stelt dat betrokkene een tussen hen beiden gemaakte afspraak met betrekking tot de inhoud van de voorgenomen publikatie heeR geschonden. Volgens klaagster heeft betrokkene voor het begin van de door haar bijgewoonde zitting te Utrecht desgevraagd uitdrukkelijk verklaard niets te zullen schrijven over de medewerking verlenende gezinnen aangezien het haar alleen om de persoon en de werkwijze van professor Nagy ging.
Klaagster acht het in strijd met deze toezegging dat betrokkene de dialogen met de gezinnen al dan niet letterlijk heeR weergegeven. Hierdoor zullen deze gezinnen zich volgens klaagster gemakkelijk kunnen herkennen. Aan de gezinnen was tevoren verzekerd dat geen enkele informatie over hen buiten de groep van aanwezigen zou worden gebracht. Doordat dit toch is gebeurd is de vertrouwensrelatie therapeut-patiënt aangetast. Klaagster voelt zich daarom door de publikatie benadeeld. Betrokkene ontkent dat zij met klaagster een afspraak maakte zoals die door deze wordt weergegeven. Zij ontmoette klaagster, die zij wel kende, bij toeval vlak voor het begin van de demonstratie. Betrokkene stelt toegezegd te hebben niets te schrijven over de achtergrond van de gezinnen. Zij meent dat zij zich daaraan gehouden heeft: in het artikel is niets overgenomen uit het achtergrondexposé van één à anderhalf uur dat aan iedere demonstratie vooraf ging.
Bij het schrijven van het artikel heeft zij de opgevoerde gezinnen onherkenbaar gemaakt door wijziging van de namen, in sommige gevallen de geslachten en voorts de aantallen van de gepresenteerde gezinsleden. Zij deed dit in overleg met mevrouw E. M. van den Eerenbeemt, die o.a. samen met dr. Nevejam verantwoordelijk was voor haar aanwezigheid als journaliste bij de demonstraties.
De essentie van de werkwijze van professor Nagy ligt in het vraag- en antwoordspel. Het artikel kon daarom niet geschreven worden zonder weergave van de dialogen. waarom dan ook door professor Nagy uitdrukkelijk was gevraagd en wat voor de deelnemende therapeuten duidelijk moet zijn geweest. Door genoemde organisatoren Nevejam en van den Eerenbeemt waren tevoren, bij de bespreking van het verzoek van betrokkene om een aantal zittingen bij te wonen, geen uitdrukkelijke afspraken over de inhoud van het artikel gemaakt. De getuige mevrouw G. W. Dijkhuis-Abbink verklaart dat in haar bijzijn door klaagster zeer nadrukkelijk en wel tot drie keer toe aan betrokke-
ne is gevraagd 'niets over de gezinnen te schrijven'. Zij kan zich niet herinneren of daarbij het woord 'achtergrond' is gevallen doch acht dit niet onmogelijk.

DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat de klacht voortkomt uit een verschil van mening tussen klaagster en betrokkene over de inhoud van de afspraak, die tussen beiden werd gemaakt vlak voor de door betrokkene bijgewoonde zitting van professor Nagy in Utrecht. De Raad meent dat niet vast te stellen is wat die afspraak inhield nu deze, ook niet achteraf, op schrift is gesteld en duidelijke getuigenverklaringen ontbreken. Naar het oordeel van de Raad had het op de weg van klaagster gelegen om er voor te zorgen dat hetgeen zij wenste vastgelegd werd, hetzij door zich nog voor het begin van de zitting tot de organisatoren te wenden, hetzij anderszins.
Bij gebreke hiervan mocht betrokkene de afspraak begrijpen zoals zij dat heeft gedaan en in welke zin zij ook heeft gehandeld, zonder dat klaagster haar hieromtrent een verwijt mag maken.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 16 september 1982 door mr R. de Waard, voorzitter, O. Postma ing., mr F. Kuitenbrouwer, Mr L. v. Vollenhoven en drs J. M. M. van der Pluym, leden, in aanwezigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1982, 9.