1982/8 deels gegrond

'Blijf van mijn lijf' contra H. J. Veer

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de stichting 'Blijf van m'n lijf' te Beverwijk tegen H. J. Veer te Heemskerk.

DE KLACHT

Bij brief van 22 december 1981 met twee bijlagen heeft de stichting 'Blijf van m'n lijf' te Beverwijk (klaagster) een klacht ingediend tegen H. J. Veer te Heemskerk (betrokkene), redacteur Heemskerk van het Dagblad Kennemerland. De klacht is aangevuld door de toezending van een derde bijlage bij brief van 26 januari 1982. Bij brief van 29 maart 1982 heeft betrokkene zich verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 augustus 1982. Klaagster werd vertegenwoordigd door mevrouw G. Jubbega en mevrouw J. van der Jagt. Betrokkene was in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In de editie van 4 augustus 1981 van het Dagblad Kennemerland verscheen onder de titel 'Blijf van m'n lijf laat zich niet verjagen uit oude Jozefziekenhuis' een artikel over de toenmalige huisvestingsproblemen van de stichting. In het stuk wordt uiteengezet dat 'Blijf van m'n lijf' met een beroep op het door haar met het ziekenhuisbestuur gesloten huurcontract tot op dat moment geweigerd had het gebouwencomplex van het Jozefziekenhuis te verlaten ondanks het feit dat de sloop ervan al begonnen was. Alleen de door de stichting ingenomen vleugel en het ketelhuis stonden nu nog overeind . Volgens het artikel zou het ziekenbuisbestuur een kort geding gaan aanspannen om ontruiming af te dwingen als er niet op korte termijn een oplossing in der minne gevonden zou worden.
In de aflevering van het Dagblad Kennemerland van 10 november 1981 werd vervolgens onder de kop 'Rechter geeft stichting half jaar respijt 'Blijf van m' n lijf' moet uit het oude ziekenhuis' een tweede publikatie over hetzelfde onderwerp opgenomen. In het stuk wordt de uitslag van het inmiddels gevoerde kort geding meegedeeld. Blijf van m'n lijf kreeg nog een half jaar de tijd om een ander onderkomen te vinden. Volgens het artikel heeft de stichting belangstelling voor een leegstaand schoolgebouw in Beverwijk namelijk de voormalige Ireneschool aan het Raamveld.
Omdat de Districtsgeneeskundige Dienst al een optie op dit gebouw zou hebben moet de stichting eerst de beslissing van deze gegadigde afwachten voordat eventueel de nodige goedkeuring aan CRM gevraagd kan worden, aldus het artikel. Bij het stuk is een foto afgedrukt van het schoolgebouw met als onderschrift 'De Ireneschool aan het Raamveld: zowel de D.G.D. als de stichting 'Blijf van m'n lijf' hebben er belangstelling voor.'

DE STANDPUNTEN

Klaagster geeft als haar doelstelling aan de opvang van mishandelde en/of met mishandeling bedreigde vrouwen en hun kinderen. Zij werkt in anonimiteit en haar adres is geheim. Volgens klaagster zijn bij de oprichting van het huis afspraken gemaakt met diverse instanties zoals de politie en de gemeente met betrekking tot het belang van geheimhouding van het adres van de stichting.
Ook de plaatselijke pers ontving hieromtrent een uiteenzetting. Volgens klaagster hebben alle journalisten dit belang ook steeds gerespecteerd. Klaagster verwijt betrokkene dat hij in de publikatie van 4 augustus het toenmalige adres van de stichting openlijk heeft bekend gemaakt maar vooral dat hij op 10 november het mogelijk toekomstige adres noemde. Dit werd door andere kranten gevolgd. Zij stelt hier veel nadeel van te hebben ondervonden o.a. doordat mannen en schooljeugd bij de hekken rond het huis kwamen waardoor de veiligheid van de opgenomen vrouwen en kinderen werd bedreigd . Als gevolg van een en ander heeft zij afgezien van het eventueel betrekken van de Ireneschool. Anders dan betrokkene stelt vond dit niet plaats om budgettaire redenen. Zij erkent dat absolute geheimhouding van haar adres niet te verwezenlijken is. Zij meent echter dat hiernaar zoveel mogelijk gestreefd moet worden. Achteraf bezien had zij de Ireneschool misschien toch als nieuw tehuis kunnen accepteren, ook al was het adres in diverse perspublicaties genoemd.
Betrokkene erkent het belang van geheimhouding van het adres van de stichting. In eerdere publikaties in het Dagblad Kennemerland werd het adres dan ook niet genoemd. In de publikatie van 4 augustus 1981 kon dit niet vermeden worden.
Onderwerp van het artikel was de merkwaardige gang van zaken bij de sloop van het St. Jozefziekenhuis en met name de vraag waarom een deel van dit gebouw als een eiland in de puinhopen bleef staan. Naar de mening van betrokkene vraagt zo n situatie om berichtgeving door een plaatselijke krant als het Dagblad Kennemerland. Door haar weigering het ziekenhuiscomplex te verlaten met alle gevolgen van dien was de stichting zelf uit de anonimiteit getreden, meent betrokkene. Overigens was het adres van de stichting volgens hem ten tijde van de publikatie al lang een publiek geheim.
Wat betreft het stuk van 10 november 1981 meent betrokkene dat vermelding van het mogelijk toekomstige adres van de stichting wederom niet achterwege kon blijven- Het noemen hiervan zat gekoppeld aan het nieuwsfeit dat de G.G.D. geïnteresseerd was in hetzelfde gebouw als de stichting. Anders dan de stichting stelt meent betrokkene dat beide partijen tegelijkertijd kandidaat waren voor het gebouw en dat niet de stichting zich pas aandiende toen de G.G.D. al afwijzend had beslist. Overigens had hij de betreffende informatie uit een openbare vergadering van een van de raadscommissies van de gemeente. Hij ontkent dat er tussen de gemeente en de pers afspraken zijn gemaakt, die inhouden dat de pers adresgegevens betreffende ' Blijf van m' n lijf afkomstig uit gemeentelijke bronnen niet zou publiceren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad neemt aan dat het een maatschappelijk erkend belang van de stichting 'Blijf van m'n lijf' is om in de anonimiteit te kunnen werken en haar adres geheim te houden.
Betrokkene erkent dit belang ook.
Gelet hierop meent de Raad dat betrokkene bij de publikatie van 10 november 1981 een grotere terughoudendheid had moeten betrachten waar het ging om het bekend worden van het mogelijk nieuwe adres van de stichting. Ook al was de D.G.D. tegelijkertijd met klaagster gegadigde voor hetzelfde gebouw dan had bij een publikatie hierover het noemen van de naam en het adres van dat gebouw vermeden kunnen worden. De kans voor de stichting om na de ongewilde publiciteit rond de huisvesting in het St. Jozef Ziekenhuis weer in de anonimiteit te verdwijnen werd hierdoor gemist.
Wat betreft de publikatie van 4 augustus 1981 is de Raad van oordeel dat van betrokkene redelijkerwijs niet kon worden gevergd om onvermeld te laten dat het 'eiland in de puinhopen' nog in gebruik was bij 'Blijf van m'n lijf'.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voorzover deze gericht is tegen de publikatie van 10 november 1981. De Raad wijst deze voor het overige af.

Aldus vastgesteld ter zitting van 19 augustus 1982 door Mr. R. de Waard, D. F. Houwaart, mr. T. Faber- de Heer, H. W. M. van Run en mevrouw A. G. Scherphuis, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1982, 8.