1982/6 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Drs. B. de Wit tegen Rudie Kagie.

De klacht

Bij brief van 9 februari 1982 met twee bijlagen heeft de heer Drs. B. de Wit te Vogelenzang (klager) een klacht ingediend tegen Rudie Kagie te Amsterdam (betrokkene). Bij brief van 9 maart 1982 heeft betrokkene zich verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 juni 1982. Klager zowel als betrokkene waren in persoon aanwezig. Partijen hadden zich tevoren akkoord verklaard met behandeling van de zaak door vier leden nu een van de leden van de Raad verhinderd was.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad van 28 november 1981 verscheen een artikel over de kunsttaal Esperanto, geschreven door betrokkene. Het stuk had als titel "Wat heeft men toch tegen Esperanto." De schrijver geeft in deze publikatie een terugblik op het ontstaan van de Esperantobeweging in het begin van deze eeuw en de voortgang ervan tot na de tweede wereldoorlog. Hij komt tot de conclusie dat de belangstelling voor het Esperanto de laatste decennia sterk is afgenomen. In het artikel laat hij verschillende Esperantisten aan het woord komen o.a. klager, die voorzitter is van de ArbeidersEsperantistenbond FLE en wel in de volgende passage:

Bert de Wit is voorzitter van de Arbeiders-esperantistenbond FLE, de gematigde - sociaal-democratische - tegenhanger van de Arbeiders-esperantistenwereldbond SAT. De Wit zit goed in zijn internationale contacten. Onlangs werd hem uit Polen een in het Esperanto gesteld krantje van de vrije vakbond Solidariteit toegezonden. De afgelopen drie jaar legt hij 's avonds zijn oor trouw te luisteren bij radio Peking, die in het Esperanto op de korte golf zit. Liefdevol glijden zijn vingers over de fullcolor pagina's van het maandblad El Popola Cinia; ongelooflijk dat zo'n prachttijdschrift nu alweer kan verschijnen in hetzelfde land, waar ten tijde van de culturele revolutie elke Esperantist gewis achter de tralies belandde. Bert de Wit hoopt dat ook in Nederland het tij wat dat betreft snel ten goede keert: "Wij zijn een sociaal-democratische organisatie, maar de Partij van de Arbeid neemt ons bijvoorbeeld niet serieus. Dat merk je duidelijk. We hebben ze in verband met de verkiezingen gevraagd hun standpunt over taalpolitiek kenbaar te maken. Daar is niet eens op gereageerd. Onze brief was zogenaamd kwijt geraakt." Waar dit soort weerzin tegen zijn club vandaan komt is de Wit een raadsel, al heeft hij wel enig vermoeden. "We zijn ons ervan bewust dat Esperanto in zekere zin ketters is, we gaan dwars tegen de gevestigde orde in." De voorzitter diept uit twee plastic draagtassen kranten, folders en andere paperassen op die hij overzichtelijk op het huiskamerkleed vlijt. Stickers:"Esperanto? Ja graag'" Een vouwblad over de aangename ziekte Esperanditis.

Na de verschijning van het stuk heeft klager in een brief van 4 december 1981 aan de redactie van NRC Handelsblad, bestemd voor de rubriek "Brieven", hierop gereageerd. In deze brief uit klager kritiek op het artikel. De brief werd niet geplaatst waarna klager de onderhavige klacht heeft ingediend.

De standpunten van klager en betrokkene

Klager stelt dat hij op vier punten verkeerd is geciteerd of dat zijn woorden verdraaid werden weergegeven.
1. De zinsnede "We zijn een sociaal-democratische organisatie, maar de Partij van de Arbeid neemt ons bijvoorbeeld niet serieus." is een verdraaiing van zijn woorden. Op de vraag of de activiteiten van de FLE serieus worden genomen door een partij als de PvdA heeft hij geantwoord
dat deze partij niet reageerde op een door de FLE onder de vijf progressieve partijen gehouden enquête naar hun standpunten in zake taalpolitiek.
2. Klager heeft niet gezegd dat hij iedere avond naar radio Peking luistert. Hij meent dat betrokkene de bedoeling heeft hem met zijn desbetreffende mededeling belachelijk te maken als een bizar persoon in plaats van melding te maken van de vele andere radiostations, die Esperanto uitzendingen verzorgen.
3. Zinnen als "... hetzelfde land, waar ten tijde van de culturele revolutie elke Esperantist gewis achter tralies belandde." zijn volgens klager een voorbeeld van de overdrijvingen van betrokkenen met als doel de geloofwaardigheid van de ondervraagde persoon in twijfel te trekken. Klager heeft, stelt hij, slechts gezegd gelezen te hebben over verscheidene Esperantisten, die tijdens de culturele revolutie gevangen zijn genomen.
4. De hierop volgende mededeling als zou klager hopen dat " ook in Nederland het tij wat dat betreft snel ten goede keert" kan niet uit zijn mond zijn opgetekend omdat hij zoiets nooit heeft gezegd. Volgens klager heeft betrokkene deze zin zelf verzonnen om de strekking van zijn verhaal te ondersteunen. Hiermee komt klager op een klacht tegen het artikel als geheel: het stuk verstrekt geen objectieve informatie maar lijkt geschreven vanuit de bedoeling de Esperantobeweging af te doen als behorende tot de verleden tijd. Betrokkene stelt dat het bij het artikel om een terugblik ging en dat daarom vooral ook het verleden van de Esperantobeweging wordt belicht, een en ander naar aanleiding van het feit dat het op 1 december 1981 tachtig jaar geleden was dat deze beweging in Nederland op gang kwam. Hij maakte in verband met het artikel een afspraak met het in zijn stuk genoemde echtpaar Ten Hagen te Amsterdam dat al vijftig jaar lid is van de bond van Arbeiders-Esperantisten FLE. Klager was, voor hem onverwacht, bij het gesprek aanwezig. Hij betwist dat hij klager belachelijk heeft willen maken. Wat betreft de gestelde verdraaiingen of verkeerde citaten, inzake de houding van de PvdA ten opzichte van de bond van klager was zijn antwoord zoals het er staat. De vermelding dat klager vaak naar radio Peking luistert houdt geen belachelijk maken in. De kwestie van de gevangenneming van Esperantisten in China werd door betrokkene begrepen zoals het er staat.

Dat volgens het stuk klager hoopt op keren van het tij is een conclusie die betrokkene naar zijn mening mocht trekken.

Beoordeling van de klacht

Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene bij het schrijven van zijn stuk over de Esperantobeweging naar behoren getracht recht te doen aan de werkelijkheid. Niet blijkt dat hij klager in een belachelijk daglicht heeft willen stellen. Betrokkene heeft het recht te schrijven vanuit zijn eigen visie en in een eigen stijl. De wijze waarop hij dit gedaan heeft lever geen onbehoorlijke journalistiek op.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 juni 1982 door Mr. H.B. Vroom voorzitter, J.L. de Troye, drs, H.W.M. van Run en mevrouw T. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1982, 6.