1982/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Dr. Ir. L.G. Volker c.i. tegen de redakteuren Jos Veldhoven en Joost van Kasteren van THD-nieuws.

De klacht

Bij brief van 12 december 1980 -met 20 bijlagen- heeft de heer Dr. Ir. L.G. Volker c.i. te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de heren Jos Veldhoven en Joost van Kasteren (betrokkenen), redakteuren van THD-nieuws, een veertiendaagse uitgave van de Technische Hogeschool te Delft. Bij brief van 25 september 1981 hebben betrokkenen zich verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 mei 1982. Klager was in persoon aanwezig.Van de zijde van betrokkenen verscheen de heer Jos Veldhoven. Desgevraagd verklaarden partijen zich akkoord met behandeling van de zaak door vier leden van de Raad nu een van d leden onverwacht verhinderd was. De feiten De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten :

In THD-nieuws van 30 maart 1979 werd in de rubriek "Lezershoek", bedoeld voor reakties van lezers, een ingezonden brief geplaatst van ir. G.F.J. Kruijtzer, wetenschappelijk medewerker aan de Afdeling Civiele Techniek van de THD, onder de titel "De toestand op Civiele Techniek (en elders)". In dit artikel uit de schrijver kritiek op het niveau van de opleiding aan de betreffende afdeling van de THD. In dezelfde rubriek van THD-nieuws van 27 april 1979 nam de redaktie een door klager ingezonden brief op, waarin hij terugkomt op het door ir. G.F.J. Kruijtzer aan de orde gestelde probleem. In verband met de vraag door welke oorzaak het opleidingsniveau was gedaald gaat klager uitvoerig in op de benoeming van een niet met name genoemde buitengewoon hoogleraar. Klager betoogt o.a. dat bedoelde hoogleraar niet over de vereiste kwalifikaties beschikte en ten onrechte gebruik heeft gemaakt van o.a. de titels "ir.","prof.", en "dipl. ing.". In de aflevering van THD-nieuws van 11 mei 1979 en 25 mei 1979, telkens weer in de rubriek "Lezershoek", werden de reakties hierop afgedrukt van respectievelijk ir. G.F. Kruijtzer en ir. P. Hakkesteegt lector aan de THD en decaan van de Afdeling Civiele Techniek.

In beide ingezonden brieven worden de beschuldigingen van klager tegen de door hem bedoelde buitengewoon hoogleraar ongegrond genoemd Ir. Kruijtzer noemt in dat verband het onderzoek van een commissie van drie en ir. Hakkesteegt een door klager bij de afdelingsraad ingediende klacht. Verder wordt in beide stukken gewag gemaakt van een nog lopende rechterlijke procedure met betrekking tot de door klager aangeroerde kwestie. Klager heeft hierop bij brief van 5 juni 1979 een weerwoord aan de redaktie gezonden. Op 18 juni 1979 deelde de redaktie aan klager mee dat dit niet zou worden geplaatst in een brief van de volgende inhoud:

"Hierbij delen wij U mede dat wij de door U ingezonden brief als reaktie op de brieven van de heren Hakkesteegt en Kruijtzer niet in ons blad hebben opgenomen. De reden hiervoor is dat wij gezien de uitspraak van de rechter een reaktie Uwerzijds niet meer opportuun achten."

In THD-nieuws van 22 juni 1979 verscheen in de rubriek "Lezershoek" een bijdrage van prof. ir. A.A. van Douwen, personeelsbeheerder C.T. Onder verwijziging naar de hiervoor genoemde brieven in de rubriek "Lezershoek" deelt de schrijver mee dat de ambtenarenrechter op 15 mei 1979 uitspraak had gedaan in de door klager aanhangig gemaakte zaak. De ambtenarenrechter zou de beschuldigingen van klager tegen de door hem gewraakte buitengewoon hoogleraar na een diepgaand onderzoek ongegrond hebben verklaard. Klager heeft hierna bij brief van 20 augustus 1979 de redaktie verzocht om een in concept bijgesloten weerwoord te plaatsen onder toezending van o.a. een kopie van de beslissing van de ambtenarenrechter van 15 mei 1979. In dit weerwoord geeft klager als zijn mening te kennen dat prof. ir. A.A. van Douwen de uitspraak van de ambtenarenrechter verkeerd had weergegeven. Tegen de weigering van de redaktie om het aangeboden stuk te plaatsen is klager in beroep gegaan bij de redaktieraad bij brief van 12 september 1979. De redaktieraad heeft klager bij brief van 11 oktober 1979 geantwoord dat zijn weerwoord niet zou worden geplaatst en dat in plaats daarvan een bijgesloten mededeling van de redaktieraad zou worden gepubliceerd. De betreffende mededeling is verschenen in THD-nieuws van 19 oktober. Deze bevat onder meer de volgende passages

"Helaas bleek achteraf, dat in deze mededeling (de brief van prof.ir. A.A. van Douwen in THD-nieuws van 22 juni 1979) de uitspraak van de rechter niet geheel juist werd weergegeven, hetgeen dan ook prompt aanleiding was voor de heer Volker de discussie weer op te nemen. In tegenstelling tot de door de personeelsbeheerder C.T. gewekte indruk handelde het onderhavige geding onder meer over de door het College van Bestuur verworpen eis van de heer Volker tot schorsing en voordracht voor ontslag van bovengenoemde kroondocent. De rechter bevestigde daaromtrent het standpunt van het College van Bestuur dat de heer Volker in zijn beroep tegen dit CvB-besluit niet-ontvankelijk kon zijn, omdat hij daardoor niet rechtstreeks in zijn belang werd getroffen. Over de aan de eis tot schorsing en voordracht voor ontslag ten grondslag liggende beschuldigingen zelf repte de rechterlijke uitspraak derhalve met geen woord. Ons is overigens gebleken dat een destijds door het College van Bestuur opgedragen diepgaand ambtelijk onderzoek deze beschuldigingen geheel weerlegt. Met deze uiteenzetting hebben wij de discussie hierover definitief gesloten."

De standpunten van klager en van betrokkenen

Klager is van mening dat de redaktie hem bij brief van 18 juni 1979 ten onrechte een weerwoord heeft geweigerd nu de redaktie zich daarbij beriep op een aan de redaktie onbekende of in ieder geval niet geverifieerde rechterlijke uitspraak. Klager legt een kopie van de uitspraak over. Ook de weigering van de redaktieraad van 11 oktober 1979 tot plaatsing van het tweede weerwoord acht klager onterecht. De mededeling van de redaktieraad in THD-nieuws van 19 oktober 1979 bevat halve waarheden en pertinente onwaarheden, volgens klager. Ter zitting erkent klager dat de publikaties in THD-nieuws van 30 maart, 27 april, 11 mei en 25 mei 1979 als een afgesloten ronde kunnen worden beschouwd waarin ieder aan het woord was geweest. Hij is het ermee eens dat het ingezonden stuk/prof. ir. A.A. van Douwen van 22 juni 1979 een nieuwe fase inleidde namelijk de kwestie van de inhoud van de uitspraak van de ambtenarenrechter.

Betrokkenen betreuren dat in de brief aan klager van 18 juni 1979 onvoldoende duidelijk werd gemaakt waarom het weerwoord van klager van 5 juni 1979 werd geweigerd. De reden was dat klager de discussie over het opleidingsniveau in het algemeen dreigde te gaan gebruiken tot het uitvechten van een persoonlijke controverse van klager met daarvoor in aanmerking komende functionarissen van de THD over één bepaalde hoogleraarsbenoeming. Het spijt betrokkenen verder dat nadien toch de bijdrage van prof. ir. A.A. van Douwen werd geplaatst en dat die onjuistheden bevatte. Betrokkenen menen echter dat deze zijn rechtgezet door de mededeling van de redaktieraad in THD-nieuws van 19 oktober 1979.

Beoordeling van de klacht

De Raad acht de klacht, zoals hiervoor omschreven, ongegrond. In het kader van de zorg om het opleidingsniveau aan de afdeling Civiele Techniek in het algemeen, zoals aan de orde gesteld in de ingezonden brief van ir. G.F.J. Kruijtzer van 30 maart 1979, gaat klager in zijn brief van 27 april 1979 uitvoerig in op de door hem vermoede misleiding en vriendjespolitiek rond de benoeming van een bepaalde buitengewoon hoogleraar. Na de reakties hierop van ir. Kruijtzer en ir. P. Hakkesteegt

mocht de redaktie de discussie als gesloten beschouwen omdat deze persoonlijk dreigde te worden en was het weigeren van het weerwoord van klager van 5 juni 1979 gerechtvaardigd.

Door in aansluiting op een en ander in THD-nieuws van 22 juni 1979 de brief van prof. ir. A.A. Douwen op te nemen ontstond een nieuwe situatie. Nu in deze bijdrage de op verzoek van klager door de ambtenarenrechter gegeven uitspraak van 15 mei 1979 verkeerd werd weergegeven had klager er recht op dat dit werd gecorrigeerd. Dit is naar de mening van de Raad gebeurd door de mededeling van de redaktieraad in THD-nieuws van 19 oktober 1979. Van/onjuistheden in deze berichtgeving is de Raad niet gebleken. Hiermee verviel voor klager het belang bij publikatie van zijn brief van 20 augustus 1979. Betrokkenen mochten de zaak als afgedaan beschouwen door de brief van de redaktieraad van 11 oktober 1979 aan klager waarbij hem plaatsing van zijn weerwoord werd
geweigerd onder toezending van de tekst van de bovengenoemde mededeling van de redaktieraad.

De redaktie behoefde de discussie niet te heropenen door in te gaan op de bezwaren van klager tegen hetgeen in die mededeling omtrent het ambtelijk onderzoek is vermeld.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 mei 1981 door Mr. H.B. Vroom, voorzitter, O. Postma ing., Mr. F. Kuitenbrouwer, Drs. H.W.M. van Run, leden, en Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1982, 5.