1982/3 deels gegrond

BV Motim contra Robert Heydemann

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van BV Motim tegen Robert Heydemann.

DE KLACHT

Bij brief van 5 februari 1981 heeft de besloten vennootschap B.V. MOTIM (klaagster) te Maassluis, importeur van o . a. motorrijtuigen en bromfietsen een klacht ingediend tegen drs Robert Heydemann (betrokkene), redacteur van het te Den Haag huis aan huis verspreide nieuwsblad Nu.
Bij schrijven van 13 maart 1981 heeft betrokkene zich verweerd waarna een schriftelijke repliek volgde gedateerd 26 mei 1981 van de zijde van klaagster.
Na daartoe van partijen verkregen toestemming heeft de Raad over de zaak een beslissing genomen bij gelegenheid van de zitting van 15 april 1982 zonder partijen nog in persoon te horen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten. In de rubriek 'Mensen in de Stad' van het nieuwsblad NU van 25 november 1980 verscheen een publikatie van de hand van betrokkene onder de titel 'Twee jaar narigheid om invalidenwagentje' . In dit stuk wordt aan het woord gelaten de invalide mevrouw Van Es uit Den Haag. Deze beklaagt zich over een aan haar door BV Motim verkochte en geleverde Sulky invalide-auto, welke niet aan de gestelde technische eisen zou voldoen en waaromtrent door Motim onjuiste mededelingen zouden zijn gedaan. Zo zou volgens Motim voor het besturen van een Sulky geen rijbewijs nodig zijn, terwijl volgens een brief van de gemeente Den Haag daarvoor wel degelijk - naast een kentekenbewijs - ook een rijbewijs vereist is.
Bij brief van 23 november 1980 aan betrokkene maakte klaagster bezwaar tegen de inhoud van bedoelde publikatie onder toezending van o.a. een brief van B en W te Den Haag van 16 juli 1980 aan genoemde mevrouw Van Es. In deze brief wordt onder meer medegedeeld dat het gestelde in twee alinea's van een eerdere brief van B en W namelijk van 19 maart 1980, niet juist is en dat voor het gebruik van een Sulky invalide-auto geen rijbewijs of kentekenbewijs nodig is. Klaagster verzocht betrokkene een rectificatie op te nemen volgens een bijgevoegde tekst.
Aan dit verzoek is door betrokkene niet voldaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van mening dat betrokkene niet laakbaar heeft gehandeld door de aangevallen publikatie. Hij maakt de woorden van de hoofdpersoon uit het artikel niet tot de zijne en geeft slechts de door haar verstrekte informatie weer. Betrokkene behoefde er niet op verdacht te zijn dat die informatie op essentiƫle onderdelen - ten aanzien waarvan zij zich beriep op een brief van de gemeente Den Haag, kennelijk de eerste brief van B en W van 19 maart 1980, - niet betrouwbaar was.
Toen betrokkene echter door klaagster op dit laatste was gewezen, had hij moeten zorgen voor een behoorlijke rectificatie. Daarin had hij in het bijzonder melding moeten maken van hetgeen in de tweede brief van B en W van Den Haag (van 16 juli 1980) aan mevrouw Van Es was bericht ter rectificatie van de inhoud van de eerste brief (van 19 maart 1980). Betrokkene was echter niet gehouden de rectificatie in de door klaagster aangeboden vorm te publiceren.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld door de hiervoor bedoelde rectificatie achterwege te laten.
Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld ter zitting van 15 april 1982 door mr R. de Waard, voorzitter, O. Postma ing., mevrouw mr T. Faber-de Heer, mr F. Kuitenbrouwer en mevrouw A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mevrouw mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1982, 3.