1982/2 gegrond

M. Baerveldt contra hoofdredacteur NRC Handelsblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van M. Baerveldt tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

DE KLACHT

Bij brief van 10 juni 1981 heeft de heer M. Baerveldt te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen de redactie van NRC Handelsblad. Bij schrijven van 14 oktober 1981 heeft de heer A. S. Spoor, hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkene). zich verweerd. Hierop is een schriftelijke repliek gevolgd, gedateerd 11 december 1981, van de klager waarna de zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 1982. Klager verscheen in persoon en betrokkene werd vertegenwoordigd door de redacteuren drs Hieke Jippes en drs J. R. Soetenhorst.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten:
In de editie van NRC Handelsblad van 28 april 1981 verscheen onder de titel 'Op Volksgezondheid vermoeden van corruptie bouwprojecten' een artikel van de hand van de redacteuren Hieke Jippes en Frans van Klaveren. Hierin werd onder meer gesteld dat klager, enige jaren tevoren directeur van de projectontwikkelingsmaatschappij Bonifex, in die hoedanigheid erin was geslaagd oneigenlijk veel bouwopdrachten in de gezondheidszorg te verkrijgen door zijn uitstekende relatie uit te spelen met de heer A. J. M. van Dam, secretaris van het College voor Ziekenhuisvoorzieningen, welk orgaan de regering adviseert over bouwplannen in de gezondheidszorg. Ook zou het volgens het artikel zijn voorgekomen dat klager aspirant-opdrachtgevers trachtte over te halen door vakantiereisjes in het vooruitzicht te stellen. Verder werd in het artikel gesteld dat klager van de ene dag op de andere bij Bonifex is verdwenen nadat dit bedrijf en de moedermaatschappij Melchior waren overgenomen door SHV omdat SHV genoemde acquisitiemethoden afkeurde.
Klager werd vóór de publikatie van het artikel niet door de schrijvers ervan gehoord. Wel trachtte redacteur Jippes op de dag van de verschijning hem 's morgens nog aan de telefoon te krijgen.
Na het verschijnen van het artikel wendde klager zich bij brief van 1 mei 1981 tot redacteur Jippes waarbij hij refereerde aan haar telefonisch verzoek van 28 april tot contact over het artikel en waarbij hij verzocht zijn bijgesloten reactie in de eerstvolgende editie van de krant te plaatsen. Deze reactie luidde als volgt:

'De berichtgeving in uw blad van 28-04-1981 over aangenomen corruptie in de ziekenhuisbouw lijkt onnodig onzorgvuldig, mogelijk mede omdat mijn persoon daarin wel wordt genoemd doch niet van te voren geraadpleegd.
In eerste instantie wil ik stellen dat het niet juist is dat ik bij Melchior 'van de ene dag op de andere' verdween na overname van Melchior door SHV. Na bijna drie jaar als directeur Bonifex gefunctioneerd te hebben, onder verantwoordelijkheid van een door de SHV benoemde directeur, werd mijn vertrek eind 1976 in der minne geregeld. Eerst juli 1979 ben ik in dienst getreden als commercieel directeur bij J. P. A. Nelissen vestiging Venray,
Het lijkt mij verder goed erop te wijzen dat Bonifex indertijd een uitstekende reputatie heeft opgebouwd wat betreft efficiënte integrale voorbereiding van projecten in de gezondheidssector. Daar ook was de uitstekende orderportefeuille op gebaseerd. Dit en niets anders is de verklaring voor de rondgesproken stelling dat voorbereiding door Bonifex snel tot bouwen kon leiden. Daaraan heb ik mijn bijdragen kunnen leveren. Het aannemen en uitvoeren van bouwwerken viel niet onder mijn werkzaamheden.
Verder wil ik opmerken dat er geen sprake van is dat ik de heer Van Dam in zijn functie van secretaris van de CZV tot enig onoirbaar optreden zou hebben willen of kunnen verleiden. De heer Van Dam is daar ook de man niet naar. Evenmin heb ik jegens andere ooit voorstellen gedaan tot verkrijging van opdrachten. Het bovenstaande is de minimale correctie welke ik gaarne volledig in uw eerstvolgende uitgave opgenomen zag.
Met dank voor plaatsing.'

Bij brief van 6 mei liet een van de adjunct-hoofdredacteuren aan klager weten dat zijn brief van 1 mei niet zou worden gepubliceerd o.a. omdat hij niet gereageerd had op het verzoek om contact met de redactie voor de publikatie van het artikel.
In de edities van 21 en 22 mei is opnieuw over hetzelfde onderwerp gepubliceerd waarbij klager wederom met name werd genoemd.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Ter zitting van de Raad heeft klager zijn klacht toegespitst op de weigering van betrokkene klagers hiervoor opgenomen weerwoord in NRC Handelsblad op te nemen. Klager meent dat enerzijds de omstandigheid dat hij met naam en toenaam-ten onrechte - is beschuldigd van onoirbare praktijken en anderzijds de omstandigheid dat hij, buiten zijn toedoen niet vooraf op het artikel heeft kunnen reageren, hem aanspraak gaven op een reactie achteraf en dat betrokkene journalistiek onbehoorlijk handelde door deze reactie, in de vorm van een ingezonden brief, niet te willen plaatsen.
Betrokkene is van mening dat voldoende is gedaan om klager de gelegenheid te geven tot commentaar vóór de publikatie. Klager was in de avond van 27 april niet bereikbaar op zijn kantoor terwijl zijn huisadres onbekend was. Redacteur Jippes heeft daarom op 28 april alles in het werk gesteld alsnog contact te krijgen met klager door reeds om half negen 's ochtends met diens secretaresse te telefoneren waarbij zij heeft uitgelegd waar het om ging. Zij belde vervolgens nog vóór negen uur met het adres waar klager volgens opgave van zijn secretaresse om ongeveer half elf aanwezig zou zijn. Dit werd haar bevestigd onder de belofte dat haar verzoek aan klager zou worden doorgegeven. Wat betreft de inhoud van het artikel verklaart betrokkene dat alle feiten door tenminste drie bronnen bevestigd waren zodat vooralsnog mocht worden aangenomen dat deze juist waren. Betrokkene erkent dat de zinsnede over het ontslag van klager bij Bonifex op twee manieren gelezen kan worden en dus aanleiding kan zijn tot misverstand. Betrokkene verklaart dat het achteraf bezien beter geweest zou zijn klagers brief van 1 mei wel te plaatsen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht de klacht. zoals hiervoor omschreven gegrond. Tegen klager waren in NRC Handelsblad van 28 april ernstige beschuldigingen ingebracht. Hoewel niet is gebleken dat de daarbij betrokken redacteuren onzorgvuldig te werk zijn gegaan en aangenomen mag worden dat zij serieuze pogingen hebben gedaan om klager vóór de publikatie van hun artikel in de gelegenheid te stellen daarop zijn commentaar te geven, acht de Raad het in strijd met een zorgvuldige journalistiek om klager de gelegenheid tot een weerwoord te onthouden. Dit laatste temeer omdat de door klager ingezonden reactie van beperkte omvang was en in correcte bewoordingen gesteld.
Klager heeft nog zijdelings bezwaar gemaakt tegen het feit dat hij in de publikatie omtrent zijn handelen met volledig naamsvermelding is aangeduid. Naar het oordeel van de Raad kan echter in zoverre niet van onzorgvuldige journalistiek worden gesproken. Reeds het voorkomen van mystificaties en/of verwarring met andere personen rechtvaardigt een dergelijke handelwijze. Hierdoor wordt echter ook de aanspraak van klager op een weerwoord versterkt.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 4 maart 1982 door mr. H. B. Vroom, voorzitter, O. Postma ing., drs H. W. M. van Run, D. F. Houwaart en mr D. T. Dalmolen, leden, in aanwezigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris .

RvdJ 1982, 2.