1982/10 niet-ontvankelijk ongegrond

 

STIBA CONTRA M. KOPUIT

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de stichting Stichting Bestrijding Antisemitisme (Stiba) tegen M. Kopuit.

 

 

 

 

 

DE KLACHT

In een klaagschrift van 85 bladzijden, gedateerd 20 april 1982, heeft de stichting Stichting Bestrijding Antisemitisme (klaagster) op 19 april 1982 een klacht ingediend tegen M. Kopuit te Amsterdam (betrokkene), hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NlW). Bij brief van 23 april heeft klaagster nog een vierde onderdeel aan haar eerdere, uit drie delen bestaande klacht, toegevoegd. Bij brief van 13 augustus 1982 heeft M. Kopuit meegedeeld zich mondeling te zullen verweren. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 oktober 1982. Klaagster werd vertegenwoordigd door de heren R. A. Stein en S. Speyer, respectievelijk voorzitter en secretaris-penningmeester van de stichting Stiba. Betrokkene was in persoon aanwezig en werd begeleid door de heren D. F. Houwaart en H. M. Bleich, bestuurslid van de stichting Stichting Nieuw Israëlietisch Weekblad, uitgeefster van het NIW.
Bij deze gelegenheid voerde betrokkene uitvoerig mondeling verweer onder het overleggen van negentien produkties. Namens hem gaf D. F. Houwaart een toelichting op het open karakter van het NIW, waarin alle stromingen binnen de Joodse gemeenschap aan bod komen. Bestuurslid Bleich verklaarde onder meer dat betrokkene het volle vertrouwen geniet van zijn bestuur. Bij monde van haar vertegenwoordigers Stein en Speyer lichtte klaagster haar klacht toe onder overlegging van vijf produkties en diende zij betrokkene van repliek.

 

 

 

 

 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Klaagster is een in 1980 opgerichte stichting, die zich ten doel stelt antisemitisme te bestrijden. Ter verwezenlijking van haar doelstellingen is klaagster o.a. attent op antisemitistische publikaties. Zij neemt hiertegen stelling hetzij door bij het Openbaar Ministerie aan te dringen op strafvervolging, hetzij op andere wijze, al naar gelang aard en inhoud van de betreffende publikaties. Eén maal wendde zij zich tot de Raad voor de Journalistiek. Betrokkene is hoofdredacteur van het Nieuw Israëlisch Weekblad, nieuws- en opinieweekblad sinds 1865. Het beoogt voorlichting te geven aan en over de joodse gemeenschap in Nederland.
I. In het NIW van 22 januari 1982 heeft betrokkene een beschouwing gewijd aan de bespreking van het boek 'Het verstoorde leven - dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943' door Rex Brico in Elseviers Magazine van 16 januari 1982. Betrokkene laakt hierin Rex Brico wegens diens onbewust antisemitisme.
II. In het NIW van 26 februari 1982 is een nieuwsbericht opgenomen met als titel 'Raad voor Journalistiek velt Salomo's oordeel' van de volgende inhoud.
'De Raad voor de Journalistiek heeft een Salomo's oordeel geveld. Hij is er niet toe overgegaan aan het verlangen te voldoen van Stiba, om Mart Smeets, sportmedewerker van Trouw te veroordelen wegens antisemitisme. Hij heeft evenmin Smeets vrijgesproken. In een beslissing waarin indirect staat te lezen, dat sommige joden wat overgevoelig zijn, wordt Smeets verweten 'jegens de zoëven bedoelde groepering' te zijn tekortgeschoten in zorgvuldigheid. In zijn beslissing is de Raad voor de Journalistiek zeer omzichtig. Smeets is volgens hem alleen tekort geschoten in de zorgvuldigheid jegens 'een groep mensen, meteen zekere gevoeligheid voor uitingen die met antisemitisme in verband kunnen worden gebracht, als kwetsend wordt ervaren'. In de beslissing wordt eveneens niet zonder meer Smeets veroordeeld. 'De Raad meent', wordt gezegd, 'dat de betrokkene waar het de hierboven mogelijke associaties met antisemitisme betreft, tekort geschoten is in de zorgvuldigheid die van hem jegens de zoëven bepaalde groepering had mogen verwachten'.
De hoofdredactie van Trouw had reeds verleden jaar in haar krant gesteld: 'Mart Smeets verklaart dat hij zich op geen enkele wijze discriminerend of antisemitisch heeft willen uiten. Als sommige mensen zich aan het woordgebruik hebben gestoten, dan betreurt de hoofdredactie van Trouw dit in hoge mate en biedt zij de betrokkene haar excuses aan'.
In Trouw van 27 februari 1981 had Smeets een artikel gepubliceerd over een in Den Bosch gespeelde wedstrijd, die werd verloren door Maccabi Tel Aviv. Stiba had aan dat stuk aanstoot genomen, omdat het artikel 'een niet onaanzienlijk aantal van de meest gebruikelijke antisemitische clichés die er zijn' bevat. Daar laat de Raad voor de Journalistiek weinig van heel.
In zijn artikel had Smeets gewag gemaakt van de 'de meest gehate ploeg', Maccabi genoemd 'een bolwerk van joods chauvinisme', alsmede geschreven over 'een joodse jaarmarkt'.
In dezelfde aflevering van het NIW verscheen onder de titel 'Hysterische reactie' een redactioneel commentaar op vorenbedoeld nieuwsbericht waarbij de auteur zijn mening geeft over de acties van Stiba in het algemeen en het indienen door haar van de in het nieuwsbericht genoemde klacht in het bijzonder.
III. In het NlW van 5 maart 1982 verscheen een bericht onder de titel 'Stiba-Stein adviseert Menachem Begin'. Volgens dit stukje zou Richard Stein, voorzitter van Stiba, door premier Begin zijn uitgenodigd hem van advies te dienen bij de bestrijding van het antisemitisme.
IV. In het NIW van 23 april 1982 werd onder de kop 'Het Parool kwam terug op artikel StibaStein' aandacht gevraagd voor eerdere publikaties in Het Parool en het NlW met betrekking tot de zaak Stiba/Smeets en het oordeel daarover van de Raad voor de Journalistiek. Volgens het bericht rectificeerde Het Parool op 16 april 1982 een in de editie van 2 april daar-
aan voorafgaand geplaatst artikel van R. A. Stein over deze kwestie en wel door de berichtgeving uit het NIW daarover van 26 februari 1982 aan te halen.
Naar aanleiding van de hierboven onder I tot en met IV aangegeven publikaties diende klaagster de onderhavige klacht in tegen betrokkene. In haar klaagschrift gaat zij bovendien in op tal van andere publikaties in het NIW, ter adstructie van haar op bovengenoemde publikaties toegespitste bezwaren.

 

 

 

 

 

ONTVANKELIJKHEID VAN KLAAGSTER

De Raad is van oordeel dat klaagster in onderdeel I van haar klacht niet-ontvankelijk is. Immers, met betrekking tot deze klacht kan als 'rechtstreeks belanghebbende' in de zin van het Reglement van de Raad slechts worden beschouwd de auteur van het door betrokkene aangevallen stuk zelf, namelijk Rex Brico.
In de onderdelen II, III en IV van de klacht is klaagster daarentegen wel ontvankelijk.

 

 

 

 

 

STANDPUNTEN

II. De bezwaren van klaagster tegen het nieuwsbericht in het NIW van 26 februari 1982 over de zaak Stiba Smeets zijn dat er feitelijke onjuistheden in voorkomen en dat de uitspraak van de Raad verkeerd wordt geïnterpreteerd. Klaagster noemt o.a. de volgende voorbeelden.
De kop 'De Raad voor de Journalistiek velt Salomo's oordeel' geeft volgens klaagster de indruk als zou de Raad de kool en de geit hebben willen sparen. Dit is naar haar mening niet het geval geweest omdat de Raad het journalistieke gedrag van de journalist Mart Smeets volgens haar ronduit afkeurde door dit onzorgvuldig te noemen.
Op feitelijke onjuistheid berust de mededeling dat de Raad niet voldaan zou hebben aan het verlangen van Stiba om Mart Smeets wegens antisemitisme te veroordelen en wel omdat deze eis door haar nimmer in deze vorm werd gesteld.
In de beslissing staat niet, zoals het NIW schrijft, dat sommige joden wat overgevoelig zijn. De auteur interpreteert hier het begrip groepering uit de uitspraak.
Onwaar is volgens klaagster de mededeling 'Daar laat de Raad voor de Journalistiek weinig van heel' met betrekking tot klaagsters in de zaak Smeets gebruikte argument dat diens stuk 'een niet onaanzienlijk aantal van de meest gebruikelijke antisemitische cliché's die er zijn' bevatte. Uit de uitspraak blijkt naar haar mening het tegendeel.
Wat betreft het commentaar 'Hysterische reactie' formuleert klaagster een aantal bezwaren tegen een aantal stellingen uit dit stuk en wel omdat zij het met die stellingen niet eens is. Betrokkene deelt desgevraagd mee dat nieuwsfeiten in het NIW soms analyserend worden gebracht. Dit vloeit voort uit het feit dat het NIW een weekblad is en dus nieuwsfeiten vaak moet samenvatten.
De zin 'Hij is er niet toe overgegaan aan het verlangen te voldoen van Stiba, om Mart Smeets, sportmedewerker van Trouw te veroordelen wegens antisemitisme' is gebaseerd op lezing van de uitspraak van de Raad en wel op de overweging 'Het gaat de Raad te ver het gebruik van dergelijke woorden in relatie tot een Israëlisch of joods gebeuren daardoor als naar antisemitisme tenderend te zien'.
III. Het door klaagster aangevallen bericht is verschenen in het zogenaamde Poerimnummer van het NIW.
Beide partijen geven te kennen dat het in joodse kringen gebruikelijk is om bij gelegenheid van het Poeriemfeest, dat gevierd wordt in de maand maart, grappen te maken, die vergeleken kunnen worden met één-april-grappen. Klaagsters bezwaar tegen het onderhavige bericht is dat het niet als grap te herkennen en denigrerend bedoeld was jegens haar en haar voorzitter Betrokkene legt de betreffende pagina van het NIW in copie over en wijst erop dat het ernaast opgenomen stuk de titel draagt 'Met Poeriem is het goed drinken'. De lezer wordt daardoor op het Poeriemfeest geattendeerd . Erboven staat een stuk afgedrukt waarin gewag wordt gemaakt van Miss Piggy verkiezingen door de P.I.G. (Portugees Israelitische Gemeente), welk artikel naar de mening van betrokkene evenals de aangevallen publikatie duidelijk als grap te herkennen is.
IV. Klaagsters bezwaar tegen de hier bedoelde publikatie uit het NIW is dat het daarin wordt voorgesteld of Het Parool een rectificatie opnam ten aanzien van het stuk van haar voor-
zitter in Het Parool van 2 april 1982. Volgens klaagster is het bericht in Het Parool van 16 april 1982 geen rectificatie maar een 'objectief kolomstuk'. Betrokkene deelt mee dat hij zijn bezwaren tegen het stuk van 2 april 1982 telefonisch heeft besproken met redacteur Van Wijnen van Het Parool, die hem toezegde een correctie te plaatsen. Naar zijn mening is daarom het stukje uit Het Parool van 16 april 1982 wel degelijk een rectificatie.

 

 

 

 

 

BEOORDELING

Aangezien het niet tot de taak van de Raad behoort het redactionele beleid van betrokkene aan een beoordeling te onderwerpen, beperkt de Raad zich tot een beoordeling van de onder II, III en IV bedoelde publikaties, waarop klaagsters bezwaren zich hebben geconcentreerd.

 

 

 

 

 

II BERICHTGEVING EN COMMENTAAR

In zijn berichtgeving van 26 februari 1982 over de uitspraak van de Raad voor de Journalistiek in de zaak Stiba/Smeets van 29 oktober 1981
heeft betrokkene zich niet beperkt tot een strikte weergave van de feiten. Betrokkene heeft bij zijn samenvatting van de feiten daaraan een eigen interpretatie gegeven. Naar het oordeel
van de Raad is betrokkene hierbij niet onzorgvuldig te werk gegaan omdat hij op grond van
de tekst van de weergegeven uitspraak van de Raad tot die interpretatie kon komen.
De Raad houdt hierbij rekening met het feit dat in de nieuwskolommen van het NlW feitelijke berichtgeving wel vaker gekleurd wordt door
de visie van de samenvatter van de nieuwsfeiten. Wat betreft het kommentaar, waar des te sterker geldt dat het subjectieve element overweegt, meent de Raad dat betrokkene bij het geven van zijn mening geen regel van journalistiek behoren heeft overschreden.

 

 

 

 

 

III POERIEMGRAP

De Raad is van oordeel dat het betreffende bericht gemakkelijk als grap te herkennen was nu het maken van Poeriemgrappen in de joodse gemeenschap een algemeen bekend gebruik is, het stuk verscheen in het nummer van de week van het Poeriemfeest en op dezelfde pagina in één stuk naar dit feest wordt verwezen terwijl een ander stuk overduidelijk een schertsbericht inhoudt. Het stuk verschilt in toon niet van bijvoorbeeld dit laatstbedoelde bericht zodat de Raad de door klaagster aangenomen denigrerende bedoelingen niet aannemelijk gemaakt acht.

 

 

 

 

 

IV

Naar de mening van de Raad mocht betrokkene de publicatie uit Het Parool van 16 april 1982 een rectificatie noemen omdat de inhoud duidelijk van rectificerende aard was ook al ontbrak de gebruikelijke vorm van een rectificatie.

 

 

 

 

 

BESLISSING

De Raad verklaart klaagster in onderdeel I van haar klacht niet ontvankelijk en acht de klacht voor de overige onderdelen ongegrond.

 

 

Aldus vastgesteld ter zitting van 21 oktober 1982 door mr R. de Waard, voorzitter, drs H. W. M. van Run, O. Postma ing., Mr F. Kuitenbrouwer en J. L. de Troye, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

RvdJ 1982, 10.