1982/1 gegrond

E. Schavemaker contra A. M. Burger

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van E. Schavemaker en C. M. Ruiter-Schavemaker tegen A. M. Burger, hoofdredacteur van Nieuwe Revu.

DE KLACHT

Bij brief van 28 september 1981 hebben de dames E. Schavemaker en C. M. Ruiter-Schavemaker (klaagsters) een klacht ingediend tegen de heer A. M. Burger, hoofdredacteur van Nieuwe Revu, en tegen enige anderen.
Bij schrijven van 12 januari 1982 heeft A. M. Burger (betrokkene) verweer gevoerd. De klacht is behandeld ter zitting van de Raad op 4 februari 1982. Daarbij waren aanwezig klaagsters en betrokkene, de laatste bijgestaan door zijn raadsman mr. H. J. M. Boukema. Op deze zitting hebben klaagsters te kennen gegeven dat de klacht uitsluitend tegen de heer A. M. Burger is gericht.

DE FEITEN

Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken van het verhandelde ter zitting van de Raad gaat deze uit van de volgende feiten.
Op 8 juli 1981 waren klaagsters op het Zandvoortse strand aan het zonnebaden, liggende in een ligstoel en niet anders gekleed dan in een broekje . Met toestemming van klaagsters zijn toen door een fotograaf, die zich voorstelde als fotograaf van het weekblad Nieuwe Revu, foto's van klaagsters gemaakt. Een dame, die de fotograaf vergezelde en die zich bekend maakte als redactrice van Nieuwe Revu, interviewde klaagsters omtrent haar gebruik van zonnebrandolie. Zowel de fotograaf als de redactrice gaven te kennen dat het ging om een enqueteonderzoek over het onderwerp 'Bruin worden in Nederland', ten behoeve van Nieuwe Revu.
De volgende morgen, 9 juli omstreeks 10.00 uur, heeft klaagster E. Schavemaker het secretariaat van de hoofdredactie van Nieuwe Revu opgebeld en aan de secretaresse van de redactie meegedeeld dat zij en haar zuster de gegeven toestemming introkken. Dit heeft zich vijf dagen later herhaald. Daarop ontvingen klaagsters van betrokkene een brief. gedateerd 22 juli 1981, en luidende als volgt.

'U heeft per telefoon met ons contact opgenomen over een door u afgegeven interview en voor de goede orde reageren wij schriftelijk.
Het interview was afgenomen op het strand in het kader van een reportage over bruin worden in Nederland. Verder zijn er foto's van u gemaakt. Aan u is ter gelegenheid van het interview meegedeeld dat een en ander zou worden afgedrukt in een der edities van Nieuwe Revu. U heeft daar toestemming voor gegeven. Kennelijk heeft u zich bedacht. U heeft ons gezegd dat u de gegeven toestemming voor het afdrukken van het interview wilt intrekken. Dat spijt ons. Wij hebben werk verricht, kosten gemaakt en ook plaatsruimte in ons blad gereserveerd . Nu het interview weer eruit moet worden gehaald brengt u ons daarmee wel in problemen.
Niettemin zijn wij bereid u toe te zeggen het interview niet af te drukken.
Hoogachtend, A.M.Burger
Hoofdredacteur'

De editie van Nieuwe Revu nummer 33 de dato 14 augustus 1981 bracht
om de omslag een grote foto van klaagsters. Een tweede foto besloeg de helft van een binnenpagina. Onder de laatste foto, die deel uitmaakte van de reportage over 'Bruin worden in Nederland', waren de namen van klaagsters afgedrukt met de toevoeging: 'Een roodharige tweeling uit Haarlem'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTERS EN VAN BETROKKENE

Klaagsters achten zich door de publikatie van de foto's gegriefd. Zij zijn van mening dat betrokkene als journalist onbehoorlijk heeft gehandeld door ondanks zijn schriftelijke toezegging aan klaagsters de foto's alsnog en op zo opvallende wijze te publiceren. Betrokkene stelt dat klaagsters slechts hebben verzocht het interview niet te plaatsen. De intrekking van haar gegeven toestemming had geen betrekking op de van haar genomen foto's. In zijn brief van 22 juli 1981 heeft betrokkene dan ook alleen toegezegd het interview niet te zullen publiceren. Klaagsters hebben baar bezwaren tegen het interview op zodanige wijze verwoord dat Nieuwe Revu op geen enkele wijze heeft kunnen of moeten begrijpen dat het klaagsters om interview én foto`s ging. Zij moeten hebben begrepen dat de toezegging van betrokkene alleen betrekking had op het interview en niet op de foto's.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor de Raad is niet komen vast staan in welke precieze bewoording klaagsters de door haar aanvankelijk gegeven toestemming tot publikatie telefonisch hebben herroepen.
Zoals betrokkene heeft verklaard ging het in het onderhavige geval om een zogenaamde visuele reportage. Daarbij vormen tekst en afbeeldingen een geheel, zoals ook blijkt uit het feit dat de informatie voor de foto-onderschriften werd vergaard door de redactrice. De Raad is dan ook van oordeel dat, zelfs al zouden klaagsters bij herroepen van haar toestemming uitsluitend over 'het interview' hebben gesproken, betrokkene, mede gezien het karakter van de foto's, moet hebben begrepen dat de bezwaren van klaagsters ook en vooral tegen de publikatie daarvan waren gericht.
Betrokkene moet vervolgens, naar het oordeel van de Raad, hebben begrepen dat klaagsters uit de door hem bij zijn brief van 22 juli 1981 gedane toezegging om 'het interview niet af te drukken' niet anders zouden afleiden dan dat van het op 8 juli 1981 door de beide journalisten gezamenlijk vergaarde materiaal op geen enkele wijze gebruik zou worden gemaakt.
Hiermee is ook in overeenstemming dat klaagsters na ontvangst van die brief niet meer hebben gereageerd. De Raad is van oordeel dat betrokkene door de foto's toch te publiceren de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit klemt temeer nu de publikatie van de foto's op zo opvallende wijze is geschied.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 4 februari 1982 door mr. H. B . Vroom, voorzitter, O. Postma ing., mevrouw mr. Faber-de Heer, mr. F. Kuitenbrouwer en mr. A. J. Heerma van Voss, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. A. C. M. Karsten. secretaris.

RvdJ 1982, 1.