1981/9 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van ir N.R.A. Krekel tegen OR-blad.

Bij brief van 11 juni 1981 heeft ir N.R.A. Krekel van het organisatie-adviesbureau Krekel, Van der Woerd, Wouterse - K.W.W. - (klager) een klacht ingediend tegen de heer H. Klooster, hoofdredacteur van OR-blad (betrokkene). Nadat betrokkene op de klacht had gereageerd en klager had gerepliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak op 15 oktober 1981 ter zitting behandeld, waar zijn verschenen ir N.R.A. Krekel en voor betrokkene de heren H. Klooster en F. Brune. Aan de behandeling van de klacht kon slechts door vier leden van de Raad worden deelgenomen. Klager en betrokkene hebben zich hiermee accoord verklaard.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in OR-blad van maart 1980 onder de kop "OR T.S.B. straal genegeerd door organisatiebureau" met als bijschrift: "De conclusies van het rapport over de kansen voor T.S.B. in Goor waren vernietigd. De OR werd bij het onderzoek straal genegeerd".

De inhoud van het artikel is, zo stelt klager, in strijd met de werkelijke toedracht van de zaak waarover het gaat. Betrokkene heeft geen inlichtingen bij klager's bureau ingewonnen over de werkelijke toedracht.

Het artikel is schadelijk voor klager's bureau omdat het bureau een handelwijze wordt toegeschreven die in flagrante tegenspraak is met het beleid van het bureau in dit soort zaken ten opzichte van ondernemingsraden. De publicatie zou ondernemingsraden ertoe kunnen bewegen negatief te beslissen over een eventuele raadpleging van klager's bureau.

De klacht betreft met name de volgende passages uit het artikel: "De directie ging in zee met bureau Krekel, Van der Woerd en Wouterse (K.W.W.). De onderzoekers gingen aan de slag zonder adviezen of inlichtingen bij de OR in te winnen. Het personeel zag de heren rondlopen, zonder dat overleg kon worden gepleegd. Het bureau zat er immers in opdracht van de directie".

En het slot van het artikel (na vermelding van de klacht van de voorzitter van de ondernemingsraad van T.S.B. dat de werknemers niet eens de kans hebben gekregen om te bewijzen dat zij nog wel toekomst hebben): "Om dit te onderzoeken hebben directie en overheid iemand anders
gevonden. Inderdaad, bureau Krekel, Van der Woerd en Wouterse....."

Klager stelt dat de gang van zaken bij het betreffende onderzoek als volgt verliep. Op 4 oktober 1980 is klager in aanwezigheid van directie en één der commissarissen in de vergadering van de OR verschenen. In die vergadering werd het doel en de werkwijze van een door klager's bureau in te stellen onderzoek besproken. Met name werd de mening van de ondernemingsraad over dit onderzoek en over diens betrokkenheid bij het onderzoek gevraagd. De OR ontving het onderzoek positief. Afgesproken werd dat door de OR een commissie uit zijn midden zou worden samengesteld die het onderzoek op de voet zou volgen.

De commissie was vrij - na overleg met de directie - problemen uit dit overleg met klager's bureau voortvloeiend voor te leggen aan de gehele OR. De onderzoekers hebben veelvuldig met de commissie vergaderd. Uit het onderzoek bleek dat TSB in de bestaande vorm niet volledig kon worden voortgezet. Deze conclusie is aan de voltallige OR bij een tussenrapportage op 22 november 1980 meegedeeld. Toen ook gedeeltelijke voortzetting alleen in een ander verband dan TSB denkbaar bleek, heeft de commissie de onderzoekers verzocht het overleg met haar te beëindigen. In de weken daarna kwam het tot een faillissement.

VERWEER

Betrokkene zet uiteen dat OR-blad een tijdschrift is dat zich qua doelstelling primair richt op OR-leden, en als zodanig ook voor die leden over OR-zaken schrijft.

Wat een organisatie-adviesbureau van bepaalde zaken vindt is voor OR-blad minder interessant. Dat soort opvattingen kan het organisatieadviesbureau wel kwijt in andere tijdschriften.

Betrokkene voelt zich als zodanig niet geroepen om beweringen van OR-leden op hun juistheid te verifiëren bij niet OR-leden.

De OR-leden die in het artikel zijn geciteerd blijven, ook na confrontatie met hun eigen beweringen en de problemen die klager daarover naar voren heeft gebracht, vasthouden aan de door hen gedane uitspraken.

Er kan dus niet worden gesproken over een verkeerde voorlichting vanuit het oogpunt van OR-leden.

Het knelpunt in deze kwestie is dat klager stelt overleg te hebben gepleegd terwijl OR-leden daarentegen verklaren dat wat klager overleg noemt bij hen geen overleg heet maar meer weg heeft van eenrichtingverkeer.

Klager heeft niet om rectificatie gevraagd. Wel heeft hij telefonisch antwoord geëist op twee mondelinge vragen naar aanleiding van het artikel in OR-blad. Betrokkene voelt zich niet geroepen op dit soort verzoeken in te gaan.

Wanneer klager van mening was geweest dat in het artikel onjuistheden stonden had hij een ingezonden brief ter plaatsing kunnen sturen. OR-blad plaatst gewoonlijk ingezonden brieven. Van deze mogelijkheid heeft klager echter geen gebruik (willen) maken.

ZITTING

Ter zitting licht klager toe de klacht met name te hebben ingediend om herstel te vinden voor zijn door deze publicatie geschonden vertrouwen in de journalistiek.

De publicatie is naar zijn mening aantoonbaar onjuist. Betrokkene geeft bovendien in deze publicatie zijn eigen opvattingen weer en niet slechts uitlatingen van OR-leden. Bij klager zijn de betreffende gegevens op geen enkele wijze geverifieerd.

Onmiddellijk na het verschijnen van de publicatie heeft klager per telefoon contact gezocht met betrokkene. Deze weigerde echter hem te woord te staan.

Eerst nadat klager bij de Raad een klacht had ingediend reageerde betrokkene.

Klager heeft door de publicatie nogal wat schade geleden omdat in een aanzienlijk aantal opdrachten door een OR wordt geadviseerd.

Betrokkene stelt ter zitting dat hij met meerdere OR-leden over deze kwestie heeft gesproken. De commissie uit de OR is door klager's bureau slechts mondeling geïnformeerd en heeft geen schriftelijke stukken ontvangen. Eerst medio januari heeft de OR een uittreksel uit het rapport van klager's bureau ontvangen. De dag daarop werd het faillissement aangevraagd. Toen had de OR geen overleg mogelijkheid meer.

Klager heeft, naar betrokkene's mening, de OR niet echt serieus genomen. Het vormen van een aparte commissie uit de OR die extra informatie verkrijgt vindt betrokkene een bedenkelijke manoeuvre. Een organisatie-adviesbureau die pretendeert serieus overleg te voeren met de OR stuurt niet op een dergelijke commissie uit de OR aan.

Betrokkene wijst er in dit verband op dat niet alle OR-leden evenveel ervaring hebben.

Klager zegt hierover dat de OR in volledige samenstelling tot het instellen van het onderzoek en de aparte commissie uit de OR heeft besloten. Met deze OR-commissie heeft klager veelvuldig overlegd, tenminste zes vergaderingen. De onderzoeken en de voorlopige conclusies zijn met deze commissie doorgenomen. Daarnaast heeft klager ook bij anderen inlichtingen ingewonnen over de aan zijn studies en conclusies ten grondslag liggende feitelijkheden. Een organisatie-adviesbureau tracht zijn gegevens immers zo hard mogelijk te maken. Klager wijst hierbij op de benarde situatie waarin het bedrijf ten tijde van het onderzoek verkeerde. Een verlies van circa 1 miljoen per maand. Klager kan zich geen andere mogelijke overlegvorm bedenken dan de gevolgde in deze situatie.

Betrokkene merkt op dat meerdere OR-leden met wie hij heeft gesproken, helemaal niet het gevoel hadden dat zij in het onderzoek waren betrokken. Zij kregen slechts te horen wat het organisatieadviesbureau deed en zij werden niet naar eventueel eigen ideeën gevraagd. Zij staan nog steeds geheel achter hetgeen is gepubliceerd.

OVERWEGINGEN

Gelet op de hierboven aangegeven doelstelling van het OR-blad en het verschil in ervaring van OR-leden kan de Raad zich inleven in de opvatting van betrokkene over hetgeen onder overleg moet worden verstaan.

Op zich acht de Raad het een goede zaak dat in een tijdschrift met een dergelijke doelstelling ook de beleving van OR-leden bij een zo ingrijpende gebeurtenis naar voren wordt gebracht. De Raad is echter van mening dat betrokkene zich in zijn publicatie niet slechts heeft beperkt tot het weergeven van het gevoelen van OR-leden ten aanzien van het overleg dat het organisatie-adviesbureau van klager met hen over deze zaak heeft gevoerd. Betrokkene heeft zich de mening van de OR-leden - hierop neerkomende dat er geen wezenlijk overleg is gevoerd - zonder meer eigen gemaakt hetgeen onder meer blijkt uit de hierboven geciteerde kop van het artikel en het bijschrift.

Nu betrokkene ervan op de hoogte was, en ook behoorde te zijn, dat met de OR en met een aparte commissie van de OR overleg gepleegd was, heeft hij onzorgvuldig gehandeld door op geen enkele wijze hiernaar te verwijzen in zijn publicaties. Betrokken had klager's visie omtrent het gevoerde overleg in het artikel moeten weergeven of nader moeten preciseren welk overleg had plaatsgevonden met daarbij de mogelijkheid tot kritisering .

BESLISSING

De Raad acht de klacht op het hierboven aangegeven onderdeel gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 17 september 1981 door mr H.B. Vroom; voorzitter, D. Houwaart, drs H.W.M. van Run en mw T. Lücker in aanwezigheid van de secretaris mw M.P. Galama-Kuipers.

RvdJ 1981, 9.