1981/8 onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mr L. Laus tegen het Haarlems Dagblad

Bij brief van 29 december 1980 heeft mr L. Laus (klager) een klacht ingediend tegen de heer J. Kuys, redacteur van het Haarlems Dagblad (betrokkene). Nadat betrokkene op de klacht had gereageerd en klager had gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak op 17 september 1981 ter zitting behandeld waar uitsluitend mr L. Laus is verschenen.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in het Haarlems Dagblad van 18 december 1980. De publicatie betreft een verslag van het Kort Geding tussen de onroerend goed-maatschappij Hoba Vastgoed bv., en de Stichting Bond zonder Naam (cliënte van klager).

In de publicatie komt de volgende passage voor: "Ook trok mr. Schuurmans (de raadsman van Hoba Vastgoed bv.) de, integriteit van raadsman Laus in twijfel. Waarom heeft hij toen niet verteld dat het bestuur van de Bond niet bevoegd is tot het kopen en verkopen van zogeheten registergoederen."

Mr Schuurmans heeft klager, op diens verzoek, schriftelijk meegedeeld zich van deze passage te distantiëren. Klager heeft betrokkene om rectificatie respectievelijk intrekking van de gewraakte passage verzocht. Betrokkene heeft dit verzoek niet ingewilligd. Klager is van mening dat de publicatie voor hem diffamerend is.

VERWEER

Betrokkene stelt erover verbaasd te zijn dat klager een klacht bij de Raad heeft ingediend. Met klager heeft diepgaand telefonisch overleg plaatsgevonden over de bewuste passage. Klager liet in dit telefoongesprek op 22 december 1980 in het midden of hij al dan niet nadere stappen tegen betrokkene zou ondernemen indien niet gerectificeerd zou worden. Zijn beslissing zou klager laten afhangen van een reactie van zijn tegenpleiter, mr Schuurmans. over de wijze van verslaglegging. Betrokkene kon en wilde op dat moment niet anders dan het resultaat van het overleg tussen klager en mr Schuurmans afwachten. Mr Schuurmans had overigens in een eerste telefonische reactie betrokkene niet ondubbelzinnig duidelijk gemaakt of hij de betreffende uitlating wel dan niet had gebezigd. Betrokkene was zeer verrast dat klager door middel van een telex op 24 december 1980 meedeelde de omstreden kwestie aan de Raad voor de Journalistiek voor te leggen. Klager had betrokkene naar zijn mening geen mogelijkheid willen bieden om de kwestie uit te praten. Overigens stelt betrokkene geen enkele behoefte te hebben om zich voor de Raad te verweren tegen de ingediende klacht. In Nederland bestaat onafhankelijke rechtspraak welke onder meer dankzij het systeem van sociale rechtshulp voor iedereen toegankelijk is. Tuchtrechtspraak is gebaseerd op de ivoren-toren-mentaliteit van beroepsgenoten en dientengevolge onderhevig aan scherpe maatschappelijke protesten.

Het Haarlems Dagblad waakt nauwgezet over zijn signatuur die infame publicaties niet toestaat. Om al deze redenen meent betrokkene dat er andere meer publieke wegen zijn om klachten over verslaggeving naar buiten te brengen.

ZITTING

Ter zitting licht klager toe dat zijn klacht uitsluitend de hierboven geciteerde passage betreft en niet tevens gericht is tegen andere onderdelen van de publicatie. Hij heeft ter zitting van het Kort Geding geen uitlatingen van mr Schuurmans gehoord, waaruit kon worden afgeleid dat deze klager's integriteit in twijfel trok. W`el heeft mr Schuurmans tijdens dit Kort Geding zijn teleurstelling over de gang van zaken naar voren gebracht met name waar het het formele verweer van de cliënte van klager betrof, dat het bestuur niet statutair bevoegd was tot verkoop. Klager licht toe dat deze kwestie verband hield met het nog niet aangepast zijn van de statuten van zijn cliënte aan de nieuwe vereisten van het verenigingsrecht. Mr Schuurmans heeft wel zoiets opgemerkt als "had ik dat eerder geweten". Klager vindt de gedachtengang van betrokkene wel begrijpelijk maar de formulering van de betreffende passage is veel te sterk uitgevallen.

Wat het telefoongesprek met betrokkene betreft,zegt klager dat betrokkene stellig volhield dat mr Schuurmans de integriteit van klager wel degelijk in twijfel had getrokken. Hij voegt hieraan toe dat hij heeft opgemerkt dat mr Schuurmans en betrokkene na de zitting van het Kort Geding nog met elkaar hebben gesproken. Klager heeft mr Schuurmans schriftelijk de volgende vragen voorgelegd:

"a. Wordt de passage over de integriteit door u als van u afkomstig onderschreven?
b. Handhaaft u dat u door de raadsman van de Bond zonder Naam bij de verkennende besprekingen bent misleid, zoals u ter zitting losjes hebt verklaard?"

Mr Schuurmans heeft daarop het volgende geantwoord:

"ad a: Door ondergetekende is ter zitting d.d. 18 december 1980 niet de integriteit van de raadsman van de Bond zonder Naam aan de orde gesteld.
ad b: Ter zitting als voormeld is door ondergetekende niets verklaard zoals u omschrijft in punt b van uw telex, zodat uw verzoek tot handhaving ten deze van een niet bepleite stellingname, toepassing mist."

Hoewel de tekst van zijn telex d.d. 24 december 1980 wellicht wat ultimatief was geformuleerd, meent klager dat indien betrokkene bereid was geweest tot enige rechtzetting, het op zijn weg had gelegen op deze telex te reageren. Het geen niet is gebeurd.

OVERWEGINGEN

Hoewel betrokkene in zijn reactie op enkele onderdelen van de klacht ingaat, meent de Raad zijn brief niet te mogen opvatten als een inhoudelijk verweer op de klacht. Betrokkene stelt immers geen enkele behoefte te hebben zich voor de Raad te verweren.

Nu betrokkene ook niet ter zitting is verschenen is de Raad van oordeel de klacht niet conform artikel 36 van zijn reglement met de vereiste grondigheid te kunnen behandelen noch voldoende recht te kunnen laten wedervaren aan de verdediging van de belangen van betrokkene. Hiervoor is ook niet Voldoende hetgeen is vermeld in de door klager aan de Raad overgelegde en hierboven geciteerde brieven met betrekking tot de ontkenning van mr Schuurmans de gewraakte uitlating te hebben gebezigd.

Die brieven houden met name niets in omtrent de vraag of - en zo ja, in welke zin - mr Schuurmans na de zitting van het Kort Geding zich nog tegenover betrokkene heeft uitgelaten over klager.

De Raad betreurt het dat hij door deze houding van betrokkene niet in staat is gesteld een oordeel inzake de klacht te geven. Bovendien blijkt betrokkene een verkeerde voorstelling van de taak van de Raad te hebben. De taak van de Raad wordt als volgt omschreven in artikel 1, lid 2, van zijn reglement:

"De Raad heeft tot taak om naar aanleiding van bij hen ingediende klachten of verzoekschriften te oordelen over de vraag of een handeling of gedraging van een journalist schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. De Raad neemt daarbij de geschreven en ongeschreven regelen van de journalistieke erecode in acht. De Raad zal voorts datgene verrichten wat hem verder bij dit reglement wordt opgedragen."

Het in deze omschrijving aangegeven toetsingscriterium - de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten - kan, zo moet de Raad toegeven, de indruk wekken dat het hier tuchtrechtspraak betreft. Vanaf zijn oprichting in 1960 is het echter nimmer de bedoeling geweest de Raad met tuchtrechtspraak te belasten. De Raad beschikt ook over geen enkele sanctiemogelijkheid. De Raad hanteert als een nadere invulling van de reglementaire taak de maatstaf of de journalist de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Het is eveneens een misverstand dat de zittingen van de Raad niet openbaar zouden zijn.

Tenslotte merkt de Raad wat de zaak zelve betreft nog het volgende op; het bevreemdt de Raad dat betrokkene niet heeft gereageerd op de telex van 24 december 1980 van klager nu betrokkene stelt wel bereid te zijn geweest met klager nader te overleggen.

BESLISSING

De Raad is door de houding van betrokkene niet in staat een oordeel over de klacht te geven.

Aldus vastgesteld ter zitting van 17 september 1981 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter; O. Postma, ing., mw mr T. Faber de Heer, drs H.W.M. van Run, mr F. Kuitenbrouwer, in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1981, 8.