1981/6 gegrond

Echtpaar Sybrandy-Alberda contra E. Evenhuis

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van het echtpaar Sybrandy-Alberda tegen de heer E. Evenhuis.

Bij brief van 5 maart 1981 is namens de heer en mevrouw Sybrandy-Alberda (klagers) een klacht ingediend tegen de heer E. Evenhuis, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak op 21 mei 1981 ter zitting behandeld, alwaar zijn verschenen mevrouw Sybrandy en haar advocaat mr G. J. Kuiper. Betrokkene is niet ter zitting verschenen.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de reportage in de Leeuwarder Courant van 31 oktober 1980 onder de kop 'Ze hebben mijn man de dood ingejaagd' en een hoofdartikel in dezelfde krant onder de kop 'Hulp ten dode' alsmede tegen de wijze waarop aan klagers het onmogelijk is gemaakt hun commentaar van te voren te geven. De reportage behelst het verslag van een zekere Ans, die de dood van haar echtgenoot beschrijft. Klagers zouden in dit overlijden de hand hebben gehad. In de reportage komen teksten voor als 'dat heeft niets met euthanasie te maken', 'maar ja, iedereen die ze (d.w.z. klagers) geholpen hebben, liggen onder de groene zoden'.
Het hoofdartikel sluit onvoorwaardelijk aan bij het betoog uit de reportage zoals bijvoorbeeld blijkt uit de volgende passage: 'Zij (mevrouw Sybrandy) is niet opgeleid en toegerust om in die gevallen tot een grondige afweging te komen. Omdat zij zich opwierp, tot in het telefoonboek toe, als grote deskundige en de allesbegrijpende op euthanasiegebied, zat in de lucht wat op pagina 29 staat beschreven. Dat wijst op een kant van haar activiteit, waarover ook het licht zal moeten schijnen.'
Klagers hebben de leiding van het door hen opgezette Informatiecentrum Vrijwillige Euthanasie . De doelstelling daarvan is het kweken van publieke belangstelling voor het euthanasievraagstuk, met als uitgangspunt het recht van elke staatsburger zelf te beslissen over het eigen leven. Met een zekere regelmaat worden bulletins uitgegeven terwijl voorts een informatietelefoondienst bestaat die belangstellenden informeert over de doelstellingen van het informatiecentrum en de juridische positie van artsen en patiënten toelicht.
In de praktijk wordt het informatiecentrum ook benaderd door mensen die of wel steun hopen te krijgen bij de oplossing van ernstige persoonlijke problemen of die de verwachting koesteren middelen toegestuurd te krijgen voor een betrekkelijk pijnloze dood. Klagers trachten deze mensen wegen aan te geven waar de door hun verlangde steun kan worden gevonden. Zij beschouwen dergelijke vragen als een min of meer ongelukkig neveneffect van het werk van het informatiecentrum. In de reportage in de krant doet een weduwe haar relaas. Zij heeft een klacht tegen klagers ingediend bij de Officier van Justitie te Leeuwarden omdat klagers hulp zouden hebben geboden bij de zelfmoord van haar echtgenoot. Deze klacht was tijdens de publicatie nog in onderzoek.
Naderhand heeft de Officier van Justitie in een persbericht meegedeeld dat geen strafvervolging tegen klagers zal worden ingezet omdat het onderzoek niet heeft aangetoond dat het echtpaar aanzet tot zelfmoord maar dat het zulks ontraadt alvorens de weg tot zelfdoding te wijzen.
Klagers verwijten betrokkene allereerst dat de bijzonder belastende verklaringen van één persoon zonder meer zijn gepubliceerd en zelfs zijn begeleid met een instemmend hoofdredactioneel commentaar waarin de juistheid van deze beschuldigingen betrekkelijk ondubbelzinnig wordt aangenomen. Klagers wijzen erop dat dit gebeurde terwijl een strafrechtelijk onderzoek naar deze zaak gaande was.
Voorts voelen klagers zich gegriefd door de weigering van betrokkene om klagers, om commentaar verzocht, uitstel, zelfs beperkt tot één dag, te verlenen in verband met hun wens om overleg met hun raadslieden te plegen.
Klagers vinden het onfatsoenlijk van betrokkene dat deze tot publicatie overging zonder hun commentaar af te wachten. Tegen klagers liep een strafrechtelijk onderzoek en om deze reden hadden zij behoefte om hun raadslieden, die die dag niet bereikbaar waren, om advies te vragen. Het was niet zo dat klagers ieder commentaar weigerden.
Klagers menen daarbij dat geen zichtbaar belang werd gediend met zo snelle publicatie . Reeds op 3 mei 1980, een halfjaar voor deze gewraakte publicatie, had De Telegraaf een uitvoerig artikel gepubliceerd waarin dezelfde weduwe deze beschuldigingen aan het adres van klagers uitte.
Klagers hebben nogal wat onaangename reacties op het artikel gekregen in de vorm van dreigbrieven en onaangename telefoongesprekken

VERWEER

Betrokkene meent dat het emotionele verhaal van de weduwe een zaak betreft met sterke algemene kanten die ver boven het geval zelf uitgaan. De reportage is voorgelegd aan de weduwe en heeft haar volledige goedkeuring verkregen. Zij heeft haar verhaal rustig en weloverwogen gegeven en het stamde bepaald niet uit een emotionele opwelling. In Friesland heeft ook een dergelijk geval gespeeld. Betrokkene was op de hoogte van de bijzonderheden van de betreffende zaak in Friesland. Klagers zijn woensdagavond 29 oktober telefonisch ervan op de hoogte gesteld dat over 'het Rotterdams geval' gepubliceerd zou worden. Donderdagochtend hebben klagers het artikel op het bijkantoor te Heerenveen opgehaald. Toen betrokkene opbelde voor hun commentaar werd hem meegedeeld dat klagers eerst hun advocaten wilden raadplegen en dat deze niet beschikbaar waren. Bovendien zagen klagers in dit stadium het nut van commentaar niet in. Zij waren in afwachting van een rechtszaak en zeiden dat de rechtspleging in Nederland niet behoort te geschieden door de krant of een volksgerecht Dit was hun commentaar en dat is bij het artikel afgedrukt.
Betrokkene kan zich niet herinneren dat klagers slechts om één dag uitstel verzochten. Naar zijn mening vroegen klagers uitstel van de publicatie totdat zij hun advocaten hadden geraadpleegd en dat vond hij te onbestemd. Van het overleg met de advocaten verwachtte betrokkene de gebruikelijke sommatie om de publicatie achterwege te laten en geen commentaar. Wat het begeleidende commentaar betrof zijn naar de mening van betrokkene klagers eerder in bescherming genomen dan aangevallen. Alleen is geconstateerd dat zij niet zijn opgeleid en toegerust om in moeilijke gevallen van voorgenomen zelfdoding tot een grondige afweging te komen. Het aantal negatieve reacties op de publicatie zou volgens het blad van het Informatiecentrum nogal meegevallen zijn. Betrokkene meent dat geenszins onzorgvuldig is gehandeld met deze publicatie. Klagers zijn naar zijn mening over de schreef gegaan, ook al heeft de Officier van Justitie besloten hen niet te vervolgen.
Overigens heeft betrokkene bekendheid gegeven aan het persbericht van de officier van Justitie over de buitenvervolgingstelling en zijn enkele ingezonden brieven over deze kwestie, ook ten gunste van klagers, gepubliceerd.
Naast de achting, die klagers verdienen en in de Leeuwarder Courant ook altijd hebben genoten, moet het onzorgvuldig handelen van hen, in zeker twee gevallen, ook in het openbaar kunnen worden besproken.

ZITTING

Ter zitting wordt van de zijde van klagers toegelicht dat hun bezwaren zich vooral richten op de manier waarop het relaas van de weduwe is weergegeven. In deze rapportage worden zij zonder meer als pure moordenaars aangemerkt. Dit wordt nog versterkt door het begeleidende commentaar waarin wordt geschreven dat mevrouw Sybrandy zich 'tot in het telefoonboek toe opwierp als de grote deskundige' en dat daardoor in de lucht zat hetgeen in de reportage wordt vermeld.
Betrokkene geeft hiermee aan de beschuldigingen jegens klagers geuit als waar over te nemen.
De kwestie waarover het gaat heeft zich afgespeeld na een Brandpuntuitzending waarin over de werkzaamheden van het Informatiecentrum werd bericht. Enkele tientallen telefonische en zo'n 6000 schriftelijke reacties zijn daarop bij klagers binnengekomen. De man waarover de reportage gaat en die uiteindelijk zelfmoord heeft gepleegd heeft telefonisch kontakt gehad met de heer Sybrandy. Hij heeft, net als de anderen, een informatiefolder ontvangen. Onjuist in deze reportage is onder andere dat deze man een adres voor een besluithuis is verstrekt. Besluithuizen bestaan nog niet. Eveneens onjuist is dat hem het middel Vesparax of een recept daarvoor is verstrekt. Hem is op geen enkele wijze door klagers hulp verleend bij zijn dood. Klagers hebben hem dit juist ten sterkste ontraden. Klagers hebben enkele malen telefonisch kontakt met hem gehad. Gezien de mededelingen van de betreffende man en het strafrechtelijk onderzoek was het niet eenvoudig om op de publicatie onmiddellijk op een verantwoorde wijze te reageren.
Klagers hebben in verband met het overleg dat zij met hun raadslieden wensten over het commentaar om uitstel van één dag verzocht. Die donderdag waren deze niet beschikbaar, de daarop volgende dag echter wel. Dit uitstel van slechts één dag werd niet gegund door betrokkene.
Tengevolge van deze publicatie hebben klagers vele reacties, waaronder nogal wat dreigende, gehad van suïcidale patiënten. Enkele mensen zijn bij hen thuis langs geweest waar zij eisten dat klagers hen ook aan het middel Vesparax moesten helpen. Sommigen waren, in navolging van de man waarover het in de reportage gaat, zelfs naar Zwitserland gereisd en belden van daaruit op met de vraag hoe ze daar aan het middel konden komen.
Deze negatieve effecten van de publicatie nemen klagers betrokkene ten zeerste kwalijk. Niet zozeer vanwege de gevolgen voor hen persoonlijk als wel voor hetgeen deze groep mensen is aangedaan en
vanwege de schade die daardoor aan de euthanasiezaak is toegebracht. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. Naar zijn mening had hij in de stukken op voldoende wijze verantwoording voor zijn handelwijze afgelegd.

OVERWEGINGEN

De Raad is van mening dat gelet op de gewisselde stukken voldoende recht is gedaan aan de verdediging van betrokkene. Op zich kan een reportage als de onderhavige, naar het oordeel van de Raad" journalistiek gezien verantwoord geacht worden. Gezien de aard van de beschuldigingen diende betrokkene aan klagers, alvorens tot publicatie over te gaan, redelijk gelegenheid voor commentaar te bieden.
Uit het geheel van de Raad ter kennis gebrachte verklaringen over de aard van het verzoek om uitstel van de publicatie voor commentaar komt het de Raad aannemelijk voor dat door klagers is verzocht om uitstel van slechts één dag teneinde hun juridische raadslieden te raadplegen. De Raad acht het verzoek tot uitstel van klagers redelijk in verband met de omstandigheid dat tegen hen een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld inzake de betreffende kwestie. Te meer nu publicatie van het onderwerp op dat moment slechts betrekkelijke nieuwswaarde moet worden toegekend had betrokkene het verzoek om uitstel moeten eerbiedigen.
Voor wat de klacht tegen het begeleidende commentaar betreft is de Raad van oordeel dat het commentaar, in zoverre gebaseerd op de reportage, als voorbarig en onvoldoende gefundeerd moet worden aangemerkt .

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond in dier voege dat betrokkene bij de publicatie van de reportage en in zijn commentaar niet die mate van onzorgvuldigheid betracht die van hem mocht worden verlangd.

Aldus vastgesteld ter zitting op ' 1 mei 1981 door mr. H. B. Vroom, voorzitter; mr L. van Vollenhoven; O. Postma, ing. ; drs H. W. M. van Run, mw T. Lücker in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1981, 6.