1981/5 ongegrond

Ir L. M. M. Nevels contra De Limburger

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer Nevels tegen De Limburger.

Bij brief van 5 november 1980 heeft de heer ir L. M. M. Nevels, directeur van Edelchemie Panheel bv (klager). een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van De Limburger (betrokkene) . Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 7 mei 1981 ter zitting behandeld, waar zijn verschenen ir L. M. M . Nevels en voor betrokkene de heer G. de Wit.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in De Limburger van 1 november 1980 onder de koppen: 'Grote onrust bij bevolking Panheel over Edelchemie' en 'Actiegroep wil onderzoek naar begraven vaten en stankoverlast'. Het artikel werd geplaatst zonder dat een redelijke poging was gedaan om van de zijde van klagers bedrijf commentaar te vernemen. Een van de medewerkers van klagers, de heer Van Dijk, werd de dag vóór de publicatie door de betreffende verslaggever opgebeld. In het artikel wordt deze medewerker echter ten onrechte een woordvoerder van de directie genoemd, waarbij hem als zodanig commentaar in de mond wordt gelegd. Klager zelf wordt echter - al evenzeer ten onrechte - voor onbereikbaar verklaard.
In de publicatie wordt in onjuiste en zeer negatieve zin geschreven over het bedrijf van klager waar onder andere edelmetalen worden teruggewonnen uit chemische en andere afvalstoffen. De publicatie kwam tot stand naar aanleiding van een officiële brief van de actiegroep 'Belangengroep Panheel' aan B&W van Heel en provinciale instanties op het gebied van de Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Volgens deze belangengroep zou klager's bedrijf in plastic jerrycans verpakte stoffen hebben ingegraven op het fabrieksterrein; zou er regelmatig stank-, en rookoverlast zijn door het in de open lucht en in verbrandingsovens verbranden van materialen; zou er in 1977 een groot gat op het fabrieksterrein zijn gegraven waarin vloeistof was geloosd en zou door rook- en roetdeeltjes, afkomstig van klager's bedrijf, autolak zijn beschadigd. De Panheelder bevolking is, naar de mening van de actiegroep, zeer verontrust over de activiteiten van het bedrijf van klager en niet langer van plan passief af te wachten totdat de overheid eens zal ingrijpen.
Naast de opvattingen van de actiegroep is in de publicatie een commentaar van de burgemeester op de brief van de actiegroep weergegeven. Voorts is een foto van een groot aantal vaatjes bij de Publicatie afgedrukt met het volgende onderschrift: 'Rondom het bedrijf liggen de lege vaten in kuilen opgeslagen met het opschrift: Container bewaren. Volgens de leden van de actiegroep zou dit erop kunnen duiden dat er giftige stoffen in de vaten hebben gezeten. De resten van deze stoffen kunnen vermengd met regen in het grondwater terecht komen. zo vrezen zij...'
Klager's voornaamste grieven tegen deze publicatie zijn dat deze tal van onjuistheden bevat. bijvoorbeeld: het verbranden van materialen in de open lucht, overmatige stank- en rookoverlast, het onterecht lozen van afvalstoffen en het ingraven van jerrycans met giftige stoffen. De foto bij de publicatie betreft volledig onschuldige lege fider drums waarin aluminium cilinders hebben gezeten.
Voorts tekent klager bezwaar aan tegen de publicatie in De Limburger van 13 november 1980. Hierin wordt naar aanleiding van vragen in de gemeenteraad onder andere geschreven: 'Zoals bekend bestaat er ongerustheid over de regelmatige rook- en stankoverlast, de verbranding van ondefinieerbare materialen in de open lucht en het ingraven van stoffen in plastic vaten'.
Klager heeft door deze journalistieke handelwijze grote schade geleden en verzoekt de Raad deze gang van zaken te veroordelen.

VERWEER

Betrokkene had op woensdag 29 oktober 1980 een gesprek met leden van de actiegroep Panheel, die opkomt voor de belangen van Panheel. Tijdens het interview overhandigde de Belangengroep hem een stuk, waarin ernstige klachten worden opgesomd over klager's bedrijf en gewag wordt gemaakt van grote bezorgdheid onder de bevolking over de activiteiten van klager's bedrijf. Betrokkene werd verzocht niet vóór 31 oktober te publiceren over het stuk omdat dit eerst bij de gemeente, de provincie, het Ministerie van Volksgezondheid en de kamerleden moest zijn aangekomen. Donderdag 30 oktober heeft betrokkene 's ochtends kontakt opgenomen met klager's bedrijf. Volgens de telefoniste van het bedrijf was klager, de directeur, met vakantie in het buitenland en was er op dat moment niemand aanwezig om namens de directie te spreken. Vrijdag 31 oktober heeft betrokkene opnieuw kontakt gezocht met klager's bedrijf. Hij kreeg opnieuw te horen dat klager in het buitenland verbleef. Op zijn vraag wie bij afwezigheid van klager de directie vertegenwoordigde werd hij verbonden met de heer Van Dijk, die uitdrukkelijk bevestigde namens de directie te spreken.
Betrokkene had in een eerder gehouden interview met de directie van klager's bedrijf de heer Van Dijk ontmoet en hij had in dit gesprek de indruk gekregen dat de heer Van Dijk behoorde tot de leiding van het bedrijf. Hij mocht dan ook aannemen dat de heer Van Dijk namens de directie kon spreken.
Hij confronteerde de heer Van Dijk met de ernstige klachten van de Belangengroep en met de acties die zij wilden ondernemen. De heer Van Dijk ontkende van de groep te hebben gehoord en zei dat er volgens hem nooit klachten waren geweest. Toen betrokkene hem de vraag voorlegde of het hem bekend was dat de politie klachten van inwoners had genoteerd, antwoordde hij dat het beter was daarover kontakt met klager op te nemen. Hij merkte daarbij op dat klager nog met vakantie was en dat hij op 3 november weer op kantoor terug zou zijn.
publicatie kwam op 1 november in de krant. Op 3 november heeft betrokkene klager gebeld voor commentaar. Klager weigerde echter. Hij stond wel een vraaggesprek toe voor de ROZ over de klachten van de Belangengroep Panheel. Dit interview werd op 5 november uitgezonden. Een samenvatting daarvan werd door betrokkene op 6 november in de krant gepubliceerd.
Betrokkene meent er alles aan gedaan te hebben om binnen een redelijke termijn commentaar van de zijde van klager's bedrijf te krijgen.

ZITTING

Ter zitting licht klager toe dat hij van het bestaan van de Belangengroep niet afwist. Wel is hij op de hoogte van het bestaan van de milieugroep Heel, die actie voert voor een goede bestemming van de ontgrindingsgronden.
Het beleid van klager is er juist op gericht om zo groot mogelijke duidelijkheid te bieden over de activiteiten van zijn bedrijf. Regelmatig worden excursies georganiseerd in zijn bedrijf voor officiële instanties als gemeenteraden, milieugroepen en andere belangstellenden. Een aparte expositieruimte is daarvoor in zijn bedrijf ingericht. Vanuit Den Haag wordt het bedrijf nog al eens bezocht.
Pas achteraf is klager duidelijk geworden dat de zogenaamde 'Belangengroep' bestaat uit een aantal mensen die rond zijn bedrijf wonen.
Klager's bedrijf heeft geheel volgens de normen en met vergunning van het waterschap zijn afvalstoffen regulier geloosd en er zelf alles aan gedaan om enigszins schadelijke lozing zoveel mogelijk te beperken.
Desgevraagd zegt klager, dat hij na zijn terugkeer uit het buitenland niet nodig oordeelde om aan betrokkene commentaar te geven gezien het sensationele karakter van zijn publicatie. Wel heeft hij naar aanleiding van de actie van de 'Belangengroep' en de publicatie commentaar gestuurd naar instanties die over de kwestie met enige kennis van zaken konden oordelen.
Betrokkene stelt dat het voor hem volstrekt nieuw was dat de Belangengroep suggereerde dat er gif in de grond van klager's bedrijf zou zitten. In een eerder met klager gehouden interview is zeker niet in negatieve zin over het bedrijf gepubliceerd. Het uitgangspunt van betrokkene was wel degelijk het toepassen van hoor en wederhoor. Betrokkene zegt dat hij erop mocht vertrouwen dat de heer Van Dijk namens de directie sprak. Tot twee keer toe heeft hij uitdrukkelijk gevraagd naar klager. Hierop kreeg hij te horen dat deze onbereikbaar was en werd hij doorverbonden met de heer Van Dijk. Toen klager uit het buitenland terug was, heeft betrokkene hem alsnog, vrijwel onmiddellijk, benaderd voor commentaar.
Klager weigerde toen echter ook maar enig commentaar te geven. Daarop heeft betrokkene, puttend uit het ROZ-interview met klager, diens visie alsnog in de krant gezet.
Betrokkene had al eens een vraaggesprek met de Belangengroep gehad. Deze actiegroep had zich eerder tot officiële instanties gewend met klachten over klager's bedrijf. Rijkswaterstaat heeft daarop een onderzoek naar sporen van giftige stoffen ingesteld. De Belangengroep was met dit onderzoek niet tevreden. Later heeft het Ministerie van Volksgezondheid besloten een nieuw onderzoek in te stellen. Betrokkene mocht zijns inziens de Belangengroep en de betreffende klachten serieus nemen.

OVERWEGINGEN

De Raad meent dat betrokkene, gelet op de daarover gegeven verklaringen, de Belangengroep als een betrouwbare bron voor de publicatie van de geuite klachten mocht beschouwen.
Vaststaat dat betrokkene zich direct voor commentaar over de klachten van de Belangengroep heeft gewend tot het bedrijf van klager.
Het komt de Raad aannemelijk voor dat betrokkene werd meegedeeld dat klager onbereikbaar was en dat hij bij zijn tweede poging werd doorverbonden met de heer Van Dijk.
Betrokkene mocht mede gelet op eerdere contacten erop vertrouwen dat de heer Van Dijk voor het bedrijf het gevraagde commentaar kon leveren.
De Raad is van oordeel dat betrokkene in voldoende mate heeft getracht commentaar van de zijde van klager's bedrijf te krijgen. Van hem kon in verband met de nieuwswaarde van het rapport van de Belangengroep niet worden gevergd dat hij met publicatie zou wachten totdat klager zelf uit het buitenland zou zijn teruggekeerd.
Aan betrokkene valt derhalve niets te verwijten, zulks te minder omdat hij klager vrijwel onmiddellijk na diens terugkeer alsnog om commentaar gevraagd heeft en omdat de visie van klager in de vorm van een verslag van het ROZ-interview alsnog in de krant is gepubliceerd.

BESLISSING

De raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 7 mei 1981 door mr R. de Waard, plvv. voorzitter, mw M. Zeldenrust-Noordanus; O. Postma, ing.; drs H. W. M. van Run en R. H. G. Schoonhoven in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1981, 5.