1981/4 ongegrond

Mr A. A. Veerbeek Contra F. van der Linden

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mr Veerbeek tegen F. van der linden

De heer mr A. A. Veerbeek (klager) heeft bij brief van 6 november 1980 een klacht ingediend tegen de heer F. van der Linden, redacteur van het weekblad De Tijd (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift heeft ingediend en klager daarop had gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak op 19 maart 1981 ter zitting behandeld alwaar zijn verschenen de heer mr A. A. Veerbeek en zijdens betrokkene de heren A. Kuiper en F. van der Linden.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in De Tijd van 3 oktober 1980 van de hand van betrokkene onder de opschriften: 'De boosheid van de binnenschippers. Als het moet sluiten we Rotterdam helemaal af. In deze publicatie komt de navolgende alinea voor:

'Poppelaars van de Federatie: Ontduiking van de voorwaarden en tarieven? Nee hoor, wij moeten het eerste geval nog tegenkomen.' Misschien zou hij er verstandig aan doen het schippersweekblad De Schuttevaer eens te lezen. Daarin stond kort geleden het relaas van Nico Seine, die tijdens verschillende reizen zijn olietoeslag niet vergoed kreeg. Seine schroomde niet de namen van de bedrijven die hem de toeslag onthielden in zijn verhaal te noemen. Tot het leedwezen van de voorzitter van de Vereniging Zand- en Grindproducenten de heer Veerbeek, die Seine had aangeboden zijn tekort van f 1.100,- zwart uit te betalen, als de schipper maar zou zwijgen. Dat deed hij dus niet, reden waarom bevrachters hem op dit moment 'nee' verkopen als hij vraagt of er een vrachtje over is.'

De klacht betreft de hierboven gecursiveerde zin. Het hierin gestelde is om de volgende redenen onjuist.
- klager heeft juist spreekgeld aangeboden om eventuele niet-nakoming van minimum-vaartarieven aan het daglicht te brengen en geen zwijggeld.
- het spreekgeld is per bank uitgekeerd.
- het aanbod is in de pers gedaan en de betaling is in de pers verantwoord en wel in het weekblad Schuttevaer respectievelijk op 2 mei 1980 en 23 mei 1980.

Klager verzocht bij brief van 3 oktober 1980 om een faire rechtzetting. De hoofdredacteur deelde klager mee dat de brief van klager van 3 oktober zou worden opgenomen in de ingezonden brievenrubriek. Klager heeft daarop duidelijk gemaakt dat hij een rechtzetting door de redactie zelf verlangde. Na een telefonisch onderhoud met betrokkene heeft klager in een brief gedateerd 13 oktober 1980 nogmaals met een overzicht van de achtergronden van het geheel zijn mening over de kwestie uiteengezet. Deze laatste brief werd opgenomen in de ingezonden brievenrubriek 'Het laatste woord', zij het met weglating van zakelijke informatie over de achtergronden van de schippersoorlog en met overigens slechts technische wijzigingen.
Bij voornoemde brief van klager werd het volgende redactionele naschrift geplaatst: 'Schipper Seine, die tegenover mij heeft verklaard dat de heer Veerbeek hem f 1.100,- olietoeslag zwart wilde uitbetalen, neemt die uitspraak terug. Ten onrechte is hierdoor de integriteit van de heer Veerbeek in een kwaad daglicht gesteld. Wat betreft de uitspraken die woordvoerders van schippersbonden in het artikel doen: Veerbeek suggereert dat de heren hier niet meer achter zouden staan. Dat is pertinent niet het geval. Het verhaal is voor publicatie aan hen voorgelezen en zij zijn met de tekst akkoord gegaan.'
Klager heeft om de volgende redenen bezwaar tegen dit naschrift.
- Het naschrift is geen rectificatie, zoals door hem gevraagd, in de zin van een faire rechtzetting door de redactie van gepubliceerde onjuistheden. Het opnemen van de brief van klager in de ingezonden brievenrubriek betekent dat de redactie zich niet achter de inhoud van de brief stelt. Voor de lezer staat nu tegenover een redactioneel artikel een simpele lezersbrief zonder enige evaluatie daarvan door de redactie en met slechts een simpele opmerking dat Seine zijn uitspraak terugneemt.
- Het woord 'hierdoor' in de tweede zin van het naschrift is onjuist. De integriteit van klager werd in een kwaad daglicht gesteld doordat de redacteur de gewraakte zin publiceerde zonder tevoren met klager kontakt op te nemen en niet doordat een schipper een uitspraak terugneemt.
- Klager heeft niet gesuggereerd in zijn ingezonden brief dat de woordvoerders van schippersbonden niet meer achter hun uitspraken zouden staan.
De kern van de klacht van klager vormt het door betrokkene achterwegelaten van een faire rechtzetting van door klager aangetoonde onjuistheden.
Klager is in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Vereniging van Zand- en Grindproducenten geschaad. In feite is hij in de gewraakte publicatie beschuldigd van een strafbaar feit. Door het ontbreken van een faire rechtzetting door de redactie zelf blijft bij de lezer een gedachte hangen in de zin van men noemt geen koe zo bont of er is een vlekje aan.

VERWEER

Betrokkene erkent dat de door klager gewraakte alinea in de publicatie een passage bevat die als kwetsend voor klager kan worden uitgelegd. Het gaat om een mededeling van schipper Seine tegenover betrokkene die deze, op gezag van de schipper, in zijn artikel heeft opgenomen.
In het naschrift by de ingezonden brief van klager geeft betrokkene toe dat ten onrechte hierdoor de integriteit van klager in een kwaad daglicht is gesteld.
Betrokkene is van mening dat in deze sprake is van een royale erkenning van een gemaakte fout. Hij was verbaasd toen bleek dat klager deze mening niet was toegedaan.

ZITTING

Betrokkene zet ter zitting uiteen dat hij met een aantal schippers en met vakbondsvertegenwoordigers heeft gesproken ter voorbereiding van zijn artikel. Hij heeft ook een schippersbeurs bijgewoond. Hem is de vrees van de schippers duidelijk geworden om op het aanbod van klager tot melding van niet uitbetaalde toeslagen in te gaan. De schippers stelden dat wanneer zij daarop zouden ingaan zij de kans zouden lopen om van volgende vrachten te worden uitgesloten. In die zin werd door hen het spreekgeld als zwijggeld gevoeld. De schippers geloofden niet in de discretie van het aanbod van klager, namelijk dat geheimhouding verzekerd zou zijn.
Zij zien de zand- en grindhandelaren en producenten als twee handen op een buik. Klager is woordvoerder van de producenten. Tegen deze achtergrond heeft betrokkene bij wijze van parafrasering het woord zwijggeld gebruikt in zijn publicatie.
Klager stelt dat hij nu juist een regeling heeft opgesteld die zoveel mogelijk waarborgt dat schippers de toeslag kunnen opeisen zonder het risico van vrachtverlies te lopen. De verjaring van het vorderen van de olietoeslag is bijvoorbeeld op 5 jaar gesteld en de vordering kan bij een stichting worden ingediend . De regeling van de olietoeslag is in een driepartijenoverleg tot stand gekomen. Klager heeft als voorzitter van de zand- en grindproducenten belang bij een goede naleving van de regeling en zeker niet bij het niet-nakomen daarvan. De gepubliceerde suggestie dat klager in plaats van spreekgeld zwijggeld zou hebben aangeboden staat haaks op wat hij publiekelijk heeft aangekondigd. Juist nu de problematiek van het zand- en grindvervoer ook binnen de Tweede Kamer aan de orde is, is een dergelijke onjuiste publicatie schadelijk. Betrokkene heeft niet slechts een uitspraak van een der woordvoerders van de schippersbonden weergegeven. In de publicatie geeft betrokkene deze uitlating als een eigen mening weer. Nu deze aantoonbaar onjuist is gebleken behoorde betrokkene zelf te rectificeren. Hij kon in dat geval niet volstaan met een redactioneel naschrift by klager's ingezonden brief waarin onder andere wordt meegedeeld dat schipper Seine zijn uitspraak terugneemt. Op deze wijze wordt de smet die betrokkene op klager wierp niet weggenomen.

OVERWEGINGEN

De publicatie heeft voornamelijk het karakter van een weergave van gevoelens en ervaringen van enkele schippers en vertegenwoordigers van schippersbonden in het zand- en grindvervoer.
Een van de mededelingen, die van schipper Seine, bevat een tamelijk zware aantijging jegens klager. Betrokkene heeft deze uitspraak van de schipper over klager door parafrasering tot de zijne gemaakt.
De Raad is met klager van oordeel, dat, gelet op dit laatste, in redelijkheid van betrokkene mocht worden verwacht, dat hij, nadat evenbedoelde aantijging van schipper Seine volstrekt ongegrond was gebleken, op een ruiterlijke wijze zou erkennen dat niet alleen die aantijging als zodanig maar ook de publicatie daarvan onjuist was geweest. In het naschrift bij de ingezonden brief van klager wordt echter niet met zoveel woorden erkend, dat juist door die publicatie' de integriteit van de heer Veerbeek in een kwaad daglicht is gesteld'.
Anderzijds ligt inde inhoud van klagers brief en die van het naschrift, in onderlinge samenhang beschouwd, toch wel een - zij het in het naschrift ongelukkig geformuleerde - erkenning besloten dat ook het publiceren van de aantijging van Seine onjuist is geweest. De Raad is dan ook van oordeel, dat de publicatie van klagers brief met het naschrift, in zijn totaliteit beschouwd, voldoende rectificerende elementen bevat.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 19 maart 1981 door mr R. de Waard
plvv voorzitter; O. Postma, ing; drs J. van der Pluijm; drs H. W. M. van Run en mw T. M. L├╝cker, in aanwezigheid van mw mr M. P. GalamaKuipers, secretaris.

RvdJ 1981, 4.