1981/3 gegrond

Mw X contra Het Vrije Volk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mevrouw X tegen Het Vrije Volk

Bij brief van 10 december 1980 heeft mevrouw X (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van Het Vrije Volk (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en klaagster daarop had gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 19 maart 1981 ter zitting behandeld waar zijn verschenen klaagster en zijdens betrokkene de heren G. Krul en B. Hubergs.

KLACHT

De klacht richt zich tegen een tweetal publicaties in Het Vrije Volk van 21 februari en 25 november 1980 waar in de namen van klaagster en haar overleden man zijn vermeld zonder haar toestemming of medeweten. In de publicatie - onder de koppen 'Valse voorstelling van zaken Klacht euthanasiecentrum tegen vrouw' en 'Mevrouw Sybrandy: we wachten keurig af. Justitie aarzelt in euthanasiezaak' - wordt melding gemaakt van de klacht die klaagster bij de officier van justitie te Leeuwarden heeft ingediend tegen het echtpaar Sybrandy. Naar de mening van klaagster had haar man in een overspannen toestand zelfmoord gepleegd door een fataal advies van het Informatiecentrum Vrijwillige Euthanasie van het echtpaar Sybrandy. Zij is van oordeel dat de Sybrandy's een ontstellend gevaar zijn. Om deze en geen andere reden heeft zij - mede ter wille van al die andere mensen die in zo'n positie kunnen komen - een klacht bij justitie ingediend, met alle beproevingen die dat met zich meebrengt.
Voorts staat in de publicaties te lezen dat mevrouw Sybrandy overweegt een klacht wegens aantasting van eer en goede naam in te dienen tegen klaagster vanwege 'haar valse voorstelling van de gang van zaken'.
Klaagster acht zich ernstig geschaad in haar belangen en die van haar overleden man maar vooral in die van haar kinderen. met name door de vermelding van hun volledige namen in deze publicaties mede gelet op de voor haar kwalijke teneur van de betreffende artikelen.
Zij stelt in het geheel niet zelf actief de publiciteit te hebben gezocht. De in De Telegraaf en de Leeuwarder Courant verschenen interviews met haar zijn op initiatief van journalisten van deze dagbladen tot stand gekomen. Klaagster wijst erop dat op haar uitdrukkelijk verzoek haar anonimiteit is gewaarborgd in de in deze twee kranten verschenen artikelen. Met het oog op haar kinderen wil zij slechts onder voorwaarde van anonimiteit naar buiten treden in deze kwestie.
Zij verwijt betrokkene voorts dat deze geen enkele poging heeft ondernomen om de verhalen van mevrouw Sybrandy op hun waarheidsgehalte te toetsen.

VERWEER

Betrokkene stelt dat zijns inziens voor een grondige behandeling van deze klacht de voorgeschiedenis van de dood van de echtgenoot van klaagster zal moeten worden belicht. Met net oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van klaagster is betrokkene echter niettemin terughoudend met het geven van informatie.
Via de justitie is betrokkene op de hoogte gekomen van de naam van klaagster. De betreffende verslaggever heeft enkele malen getracht met klaagster in contact te komen. Toen hij haar op haar werk bereikte, weigerde zij hem ieder commentaar. Betrokkene is van mening dat klaagster, juist wel zelf heeft gekozen voor meewerken aan publiciteit in deze kwestie.

ZITTING

Klaagster licht ter zitting toe dat zij eerst na daartoe door anderen te zijn overreed, heeft ingestemd met het geven van de interviews voor De Telegraaf en de Leeuwarder Courant. De hele handel en wandel van het echtpaar Sybrandy acht zij met name voor niet-terminale patiënten zo gevaarlijk dat zij zich geroepen voelt daartegen in actie te komen. Met de journalisten van deze twee kranten heeft zij tevoren haar voorwaarden ten aanzien van de artikelen besproken waaronder haar eis van anonimiteit.
Zij zegt slechts eenmaal door een haar onbekende journalist te zijn opgebeld en wel op 21 februari 1980 en op haar werk. Zij was nogal onaangenaam verrast dat hij achter haar naam en werkadres was gekomen. Zij heeft toen, het was enkele weken na de dood van haar man, gezegd geen commentaar te willen en kunnen geven. Naar haar stellige overtuiging heeft betrokkene haar naam van mevrouw Sybrandy gekregen.
Haar bezwaar tegen de publicatie betreft in hoofdzaak het vermelden van haar naam . Dit heeft zeer nadelige gevolgen voor haar maar vooral voor haar kinderen met zich mee gebracht. Zij wijst erop dat naar haar mening geen enkel (algemeen) belang daarmee werd gediend. Zelfs verdachten worden beschermd door het gebruik van initialen.
Zij vindt haar naamsvermelding des te bezwaarlijker gezien de kontekst. De door betrokkene overgenomen uitlatingen van mevrouw
immers onjuist, dat zij, klaagster, in enig opzicht een valse voorstelling van zaken heeft gegeven. Doordat in de publicatie mevrouw Sybrandy als de beschuldigende partij naar voren komt, wordt de zaak eigenlijk omgedraaid en krijgt de publicatie het karakter van een aantijging jegens klaagster.
Desgevraagd zegt klaagster dat haar klacht bij de justitie niet zal leiden tot vervolging van het echtpaar Sybrandy. Na grondig onderzoek is de Officier van Justitie tot het oordeel gekomen dat onvoldoende bewijs voorhanden is omdat van de zijde van de Sybrandy's alles wordt ontkend en de belangrijkste getuige overleden is.
Klaagster zegt zich wel gerealiseerd te hebben dat, wanneer het tot een rechtszaak zou komen, zij ook zelve in de publiciteit zou kunnen komen. Maar dan in andere zin namelijk als getuige in het proces, hetgeen geheel iets anders is dan wat nu is gebeurd.
Door de justitie was haar uitdrukkelijk geheimhouding van haar naam in verband met de klacht verzekerd, dat betrokkene via deze weg tot haar naam is gekomen bevreemdt haar zeer.
Betrokkene geeft ter zitting een uiteenzetting van de wijze waarop de publicatie van 21 februari 1980 tot stand gekomen is . In grote lijnen is de publicatie van 25 november van dat jaar een herhaling van de eerste en deze kan derhalve grotendeels buiten beschouwing blijven.
Op 21 februari 1980 stond 's ochtends in het Algemeen Dagblad een bericht over de bij de justitie ingediende klacht. Dit was voor betrokkene aanleiding om de verslaggever op het gebied van de gezondheidszorg te vragen hierover een artikel te schrijven. Deze was reeds in grote lijnen op de hoogte . Hij belde met het parket van de Officier van Justitie te Leeuwarden en kreeg daar min of meer ongevraagd de naam van klaagster te horen. Daarop heeft hij haar op haar werk opgebeld om haar een aantal vragen voor te leggen. Zij wenste echter in het geheel geen commentaar te geven.
Met de hoofdredactie is die dag overlegd over het al dan niet publiceren van de naam van klaagster. Om de volgende redenen is daartoe besloten:
- er is door klaagster een nogal zware beschuldiging tegen het echtpaar Sybrandy uitgebracht. Zoiets publiceer je niet anoniem;
- met het indienen van een klacht bij justitie zet men een eerste stap in de openbaarheid;
- het betreft geen verdachte, vermelding door middel van initialen was derhalve niet geëigend;
- men was ervan op de hoogte dat klaagster eerder in de publiciteit was getreden
- met klaagster is kontakt opgenomen, zij heeft echter ieder commentaar geweigerd.
Klaagster ontkent dat zij eerder zelf in de publiciteit is getreden. De eerdergenoemde interviews zijn van latere datum. Betrokkene geeft desgevraagd te kennen dat hij, achteraf beschouwd, de moeilijke omstandigheden van klaagster kennende, de naamsvermelding misschien beter toch achterwege had kunnen laten.

OVERWEGINGEN

Klaagster beperkt zich uitsluitend tot de kwestie of in de betreffende publicatie haar familienaam mocht worden vermeld. De Raad spreekt zich dan ook alleen hierover uit.
Het gaat in feite om de vraag naar de bescherming van de anonimiteit van iemand die een klacht, die belangrijk nieuws vormde, indient bij de Officier van Justitie.
In de Nederlandse journalistiek is het een goede gewoonte om verdachten en veroordeelden slechts met initialen aan te duiden met het oog op de bescherming van hun anonimiteit. Dezelfde bescherming van de anonimiteit dient echter nog eerder te gelden voor anderen die binnen het justitiële kader in het nieuws komen en zich in een bijzonder kwetsbare situatie bevinden.
De kern van de nieuwswaarde van de betreffende publicatie is, dat een klacht met een zwaar beschuldigend karakter is ingediend bij de justitie. De vermelding van de familienaam van klaagster oordeelt de Raad in deze zaak niet een belangrijke nieuwsfactor. Anderzijds is de Raad met betrokkene van mening dat een aanduiding van klaagster met initialen niet aangewezen was, omdat een dergelijke aanduiding vrijwel uitsluitend voor verdachten c.q. veroordeelden wordt gebruikt. Betrokkene had echter de nieuwswaarde van de klacht voldoende tot haar recht kunnen laten komen en tevens de privacy van klaagster en haar gezin naar behoren kunnen eerbiedigen, door enerzijds geen melding te maken van de naam van klaagster doch anderzijds wel een aanduiding te geven van de reden van haar klacht en de omstandigheden waaronder zij deze indiende.
Hoewel de Raad begrip heeft voor de door betrokkene op 21 februari 1980 gemaakte belangenafweging, is hij toch van oordeel dat - gelet op de toen bekende feiten ten aanzien van klaagsters omstandigheden vermelding van haar familienaam achterwege had moeten blijven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond, echter slechts in dier voege, dat tengevolge van een minder juiste belangenafweging, de naam van klaagster is vermeld in de door haar gewraakte publicaties.

Aldus vastgesteld ter zitting van 19 maart 1981 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter; O. Postma, ing., drs J. M. M. van der Pluijm, drs H. W. M. van Run en mevrouw T. Lücker, in aanwezigheid van mevrouw mr M. P. Galama-Kuipers.

RvdJ 1981, 3.