1981/2 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren tegen J.P. McGonigal, H.P.H. Peerdeman, J.A. Brouwer, Th. C. Nijenhuis en E. van der Meulen.

Het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren (klager) heeft bij brief van 23 april 1980 een klacht ingediend tegen de ANPJournalisten J.P. McGonigal, H.P.H. Peerdeman, J.A. Brouwer, Th.C. NiJenhuis en E. van der Meulen (betrokkenen).

Nadat betrokkenen een verweerschrift hadden ingediend en daarop repliek en dupliek is gevolgd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 5 maart 1981 ter zitting behandeld. Zijdens klager zijn verschenen mr L. Wichers Hoeth als raadsman en de heren G.A. de Kok en A.J. Abram, bestuursleden van het genootschap. Alle betrokkenen Zijn verschenen alsmede mr G.A.I. Schuijt als hun raadsman.

1. DE KLACHT

Klager stelt dat betrokkenen, allen journalisten in dienst van het ANP, zich hebben gedragen in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten en in strijd met de geschreven en ongeschreven regelen van de journalistieke erecode, door hun handelwijze op en rond 4 maart 1980.

1.1. Feiten Klager grondt zijn klacht op de volgende feiten.

Betrokkenen hebben, als kaderleden van de NVJ, hun collega's opgeroepen tot een actie ter ondersteuning van de acties van de FNV op 4 maart 1980 gericht tegen de aangekondigde loonmaatregelen van de regering.

Op 4 maart werd in een redactievergadering, waarop 28 journalisten van het ANP aanwezig waren, besloten op die dag van 10.00 uur tot 22.00 uur via het net alleen berichten te verspreiden die te maken hadden met de FNV-acties.

Betrokkenen hebben voorts bevorderd dat het besluit tot bovengenoemde actie ook daadwerkelijk werd uitgevoerd. Het gaat klager overigens meer om de zaak dan om de personen. In dit verband is het niet zozeer van belang welk aandeel ieder der betrokkenen in de gebeurtenissen heeft gehad.

Op 4 maart zijn vanaf 10.00 uur alleen berichten die met de FNV-acties te maken hadden door het ANP aan de afnemers doorgegeven. Deze actie duurde tot omstreeks 10.45 uur. De directie van het ANP legde op dat tijdstip de telexnetten geheel stil omdat de berichtgeving van het ANP naar de mening van de directie en hoofdredactie niet aan de door hen gewenste normen voldeed.
De normale berichtgeving is omstreeks 11.45 uur weer hervat, omdat de actievoerende journalisten meenden dat hun actie door het stilleggen van de telexnetten werd doorkruist.

Betrokkenen hebben door deze handelwijze, daartoe direct of indirect beïnvloed door de FNV en/of de NVJ, uitgelokt en bevorderd, dat het ANP op 4 maart 1980 gedurende enige tijd een selectieve berichtgeving heeft verzorgd. Selectieve berichtgeving in die zin dat uitsluitend nieuws is doorgegeven dat volgens niet-journalistieke maatstaven was geselecteerd. Een dergelijke eenzijdige nieuwsvoorziening strijdt met de waardigheid van de stand die noopt tot het verantwoord bijeenbrengen en publiceren van het nieuws. De klacht moet niet los gezien worden van de omstandigheid dat betrokkenen in dienst waren van het ANP en waren belast met de nieuwsvoorziening. Klager acht het in strijd met de professionele waardigheid van de ANP-redacteur om eenzijdig de bij het ANP geldende redactienormen te veranderen.

1.2. Gronden Klager voert voorts de volgende gronden voor deze klacht aan.

1.2.1. Betrokkenen hebben zich door deze handelwijze gedragen in strijd met het bepaalde in het model-statuut voor hoofdredactie en redactie zoals overeengekomen tussen de NDP en de NVJ, en hiermede tevens gehandeld in strijd met het redactiestatuut van het ANP waaraan zij op grond van hun arbeidsovereenkomst gebonden zijn. Ingevolge het redactiestatuut van het ANP zijn uitgangspunt en richtlijn voor het journalistiek beleid: - de statutaire doelstellingen van het ANP te weten: "het in stand houden van een geheel onpartijdig en onafhankelijk bureau ter objectieveverstrekking van binnenlandse en buitenlandse nieuwsberichten aan de Nederlandse pers, radio en televisie en anderen (artikel l)"; "het verzorgen en uitspreken van nieuwsberichten voor radio en televisie (artikel 2)"; - geen rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, anders dan op de wijze als in dit statuut geregeld; - onpartijdigheid en zorgvuldigheid in het weergeven van controleerbare feiten en meningen; - volledigheid en evenwicht bij de selectie uit relevante bronnen, met name ten aanzien van onderling afwijkende gezichtspunten.

1.2.2. Betrokkenen hebben zich gedragen in strijd met hetgeen is bepaald in de beroepscode van de IFJ van 1954 met name tegen de volgende bepalingen:

1. eerbied voor waarheid en voor het recht van het publiek op waarheid is de eerste plicht van de Journalist; 2. bij het nakomen van deze plicht zal de Journalist opkomen voor de volgende twee beginselen: vrijheid in verantwoord bijeenbrengen en publiceren van nieuws en het recht van vrije commentaar en kritiek.

1.3. Functie van het ANP Klager baseert de klacht mede op de omstandigheid dat het ANP in de Nederlandse nieuwsvoorziening een bijzondere plaats inneemt. Het ANP verzamelt nieuwsberichten en geeft deze aan de aangesloten deelnemers door. Het doorgezonden nieuws kan door de media hetzij zonder meer worden gepubliceerd, hetzij dienen ter verzorging en/of controle van eigen nieuwsgeving. De functie van het ANP eist dat de nieuwsstroom onafgebroken en ongemutileerd voortgang heeft. Dit impliceert dat de redacties van de Nederlandse media ervan uit moeten kunnen gaan dat het ANP-nieuws zorgvuldig is geselecteerd op grond van in Nederland geldende normen van nieuwswaarde en dat in geen enkel opzicht met dit nieuwsaanbod is gemanipuleerd. De deelnemers van het ANP en uiteindelijk de nieuwsconsument moeten op het ANP als onafhankelijke nieuwsleverancier kunnen vertrouwen. In het bijzonder hierop dat het ANP geheel onpartijdig en onafhankelijk op objectieve wijze nieuws selecteert en verstrekt. Als enig criterium bij het uitoefenen van deze selectiefunctie geldt de naar journalistieke maatstaven gemeten nieuwswaarde van een bericht. Elke selectie die afhankelijk wordt gemaakt van niet-journalistieke belangen, zoals van de overheid of van vakbonden, tast de nieuwsvoorziening binnen een democratisch bestel als in Nederland geldt in haar wortels aan.

1.4. Rechtstreeks belanghebbende Klager meent als rechtstreeks belanghebbende, in de zin van artikel 14 lid 1 van het reglement van de Raad t te kunnen worden aangemerkt. Van het Genootschap zijn hoofdredacteuren van 47 in Nederland verschijnende dagbladen lid. Het Genootschap is in 1955 opgericht teneinde het mogelijk te maken een hoofdredactionele vertegenwoordiging in te stellen bij het ANP.

Het Genootschap heeft ten doel de zelfstandige behartiging van gemeenschappelijke belangen, voortvloeiend uit de hoofdredactionele verantwoordelijkheid van zijn leden. Deze leden hebben als hoofdredacteuren van Nederlandse dagbladen uit hoofde van hun verantwoordelijkheid voor de redactionele leiding daarvan er alle belang bij dat het ANP op journalistiek juiste wijze functioneert. Op 26 maart 1980 heeft de algemene vergadering van het Genootschap het bestuur gemachtigd deze klacht in te dienen. Klager wil door middel van deze klacht de in zijn doelstelling genoemde belangen behartigen.

2. HET VERWEER

In antwoord op de schriftelijk door de Raad voorgelegde vraag stellen betrokkenen niet bereid te zijn om deze zaak voor te leggen als een gezamenlijk geschil zoals op grond van artikel 38 eerste lid van het reglement van de Raad mogelijk is. Zij zijn hiertoe niet bereid omdat het geschil in hoofdzaak ligt op het terrein van de arbeidsvoorwaarden en artikel 38 eerste lid daarop niet het oog heeft.

Voor zover het geschil journalistieke ethiek betreft achten betrokkenen klager niet rechtstreeks belanghebbend bij deze klacht. Deze stellingen impliceren niet dat betrokkenen, als leden van de NVJ, niet bereid zijn tegenover de Raad verantwoording af te leggen over hun journalistieke gedragingen. De klager dient dan wel rechtstreeks belanghebbend te zijn en de klacht moet dan zodanig zijn geformuleerd dat betrokkenen weten waartegen Zij zich moeten verweren.

Betrokkenen verzochten de Raad, zo deze een oordeel uitspreekt, zoals sinds 1973 reeds gebruikelijk te oordelen over de vraag of Zij de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is en niet over de vraag of zij zich hebben gedragen in strijd met de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten.

2.1. Feiten Voordat betrokkenen ingaan op de niet-ontvankelijkheid van klager merken Zij het volgende ten aanzien van het door klager gestelde ten aanzien van de feiten op.

- Alle vijf betrokkenen zijn inderdaad kaderlid van de NVJ, doch slechts twee van hen, te weten de betrokkenen Peerdeman en Brouwer, hebben op 3 maart een vergadering belegd van de NVJ-leden en de overige bij een FNV-bond aangesloten leden die werkzaam zijn bij het ANP. In die vergadering hebben genoemde twee betrokkenen conform de oproep van het bestuur van de NVJ de leden gevraagd "om zich te beraden op de vraag op welke wijze aan regering, werkgevers en parlement uiting kan worden gegeven aan onze gevoelens. Het (NVJ-bestuur) vraagt u op korte termijn met uw collega's op de redacties te bezien wat in onze situatie de meest doelmatige actievorm is". Na enige discussie besloot de meerderheid van de vergadering waaraan ruim 40 vakbondsleden deelnamen om op 4 maart van 10.00 uur tot 22.00 uur "alleen berichten via het net te verspreiden die te maken hebben met de FNV-acties in de ruimste zin des woords". De twee betrokkenen hebben derhalve niet opgeroepen tot een actie, doch de vraag aan de orde gesteld of en zo ja in welke vorm bij het ANP actie gevoerd zou worden. Op 4 maart heeft 's morgens nog een vergadering plaats gehad waaraan 28 leden deelnamen, maar daar waren slechts uitvoeringsmaatregelen aan de orde. Onder meer werd daar besloten dat na 22.00 uur van het in de actieperiode niet op het net gezette nieuws, alsnog dat zou worden doorgegeven dat dan nog actueel of anderszins van belang zou zijn en dat er derhalve maatregelen genomen moesten worden om dat op de meest snelle, effectieve en zorgvuldige wijze te kunnen doen. Het besluit dat op 3 maart in de vergadering werd genomen wordt door klager onvolledig geciteerd. Besloten werd alleen berichten te verspreiden die te maken hadden met de FNV-acties in de ruimste zin des woords.
Deze laatste toevoeging is voor de weergave van de feiten essentieel, omdat degenen die tot de actie besloten uitdrukkelijk de bedoeling hadden om volgens de bij het ANP geldende normen, zoals onder meer vastgelegd in de statuten van de stichting en in het redactiestatuut, voor de selectie, de nieuwsgaring, het redigeren en de presentatie alle sociaal-economische berichtgeving te verzorgen. Derhalve: niet alleen FNV-nieuws en FNV-standpunten, maar ook al het andere nieuws dat samenhing met de acties: reacties en standpunten van werkgeversorganisaties, andere vakcentrales, politici, maatschappelijke organisaties, het verslag van het kamerdebat van 's middags 4 maart e.d.

Aan de abonnees van het persbureau werd tijdig, dat wil zeggen reeds op 3 maart te 20.15 uur bericht waartoe in een vergadering van journalisten bij het ANP was besloten. Op 4 maart 's morgens bij het begin van de actie hebben de coördinatoren een bericht waarin nogmaals de actie - derhalve de te hanteren selectiecriteria - werd aangekondigd aan de abonnees, aangeboden aan de hoofdredactie met het verzoek dit bericht op het telexnet te zetten. Het is niet aan betrokkenen te wijten dat dit bericht pas om 11.25 uur op het net werd gezet.

Drie van de vijf betrokkenen, te weten de betrokkenen McGonigal, Peerdeman en Brouwer hebben in de vergadering van 3 maart het woord gevoerd en voor het uiteindelijk genomen besluit gestemd. In zoverre hebben Zij het besluit bevorderd. De twee andere betrokkenen waren in die vergadering niet aanwezig. Van de twee was betrokkene Nijenhuis op 4 maart evenmin aanwezig.

Betrokkenen gevoelen geen behoefte mee te delen wie van hen of van de andere aanwezigen het voorstel dat tot het uiteindelijke besluit heeft geleid, heeft gedaan en wie dus volgens klager beschouwd zou moeten worden als degene die het besluit heeft uitgelokt dan wel daartoe het initiatief heeft genomen. De voorsteller heeft geen andere verantwoordelijkheid dan al degenen die voor het besluit hebben gestemd.

Betrokkenen zien niet in waarom de klacht zich speciaal tegen hen richt. Dit geldt uiteraard nog sterker voor de betrokkenen Nijenhuis en Van der Meulen die niet aan de besluitvorming hebben deelgenomen en voor betrokkene Nijenhuis die niet aan de actie zelf heeft deelgenomen.

Slechts drie van de vijf betrokkenen, te weten de betrokkenen McGonigal, Brouwer en Peerdeman zijn opgetreden als organisator en coördinator van de actie, waaraan alle aanwezige journalisten daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven. De betrokkenen Brouwer en Van der Meulen waren vrij van dienst. Zij waren aanwezig, doch hebben geen journalistiek werk gedaan. De betrokkene Nijenhuis was, zoals reeds vermeld, op 4 maart afwezig.

De actie duurde van 10.00 uur tot 11.30 uur, toen door de directie de totale berichtgeving door het ANP werd gestaakt. Om 12.20 uur werd de normale berichtgeving hervat.

Het is juist dat het ANP gedurende enige tijd een selectieve berichtgeving heeft verzorgd. Het ANP verzorgt immers altijd een selectieve berichtgeving. Op 4 maart waren slechts de selectie-criteria gedurende enige tijd anders dan gewoonlijk.

Er is geen sprake geweest van directe of indirecte invloed door de FNV en/of de NVJ. De FNV heeft tot actie opgeroepen. Het NVJ-bestuur heeft de leden opgeroepen te discussiëren in de bedrijven en wanneer deze discussies zouden uitmonden in besluiten tot acties dàn deze te voeren op 4 maart. Noch de FNV, noch de NVJ heeft op enigerlei wijze invloed uitgeoefend op de berichtgeving en de selectiecriteria die bij het ANP op 4 maart werden gehanteerd.

2.2. Gronden Ten aanzien van de gronden waarop klager deze klacht baseert merken betrokkenen het volgende op.

2.2.1. Het tussen NDP en NV~ overeengekomen model-redactiestatuut is inderdaad een model dat heeft gediend als referentiekader voor de per dagbladuitgave overeengekomen redactiestatuten. Kennelijk wordt bedoeld te stellen dat betrokkenen hebben gehandeld in strijd met het redactiestatuut en de statuten van het ANP. De betrokkenen McGonigal, Peerdeman en Brouwer, voorzover zij aan de besluitvorming hebben bijgedragen en voorzover zij als organisator en coördinator zijn opgetreden, ontkennen niet dat door de actie is bewerkstelligd dat bij het ANP gedurende enige tijd de statutaire verplichtingen en de verplichtingen voortvloeiend uit het redactiestatuut niet zijn nageleefd. Betrokkenen wijzen er echter op dat de berichtgeving en selectie over dàt onderwerp geheel geschiedde overeenkomstig de statuten, redactiestatuut en overige bij het ANP bestaande richtlijnen.

2.2.2. Klager geeft niet duidelijk aan in welke zin betrokkenen zich hebben gedragen in strijd met de gedragscode van de IFJ. Betrokkenen ontkennen dat door hen of door andere journalisten die aan de actie hebben deelgenomen berichten via het ANP-net zijn verspreid, die in strijd zijn met de waarheid. De klacht bevat ook geen aanduiding van berichten die klager als zodanig aanmerkt. De betrokkenen hebben in volle vrijheid gehandeld. Zij hebben zich door niemand tot hun actie laten dwingen. De klacht zou doel treffen in zoverre betrokkenen door het aangaan van een arbeidsovereenkomst met het ANP, waarvan het redactiestatuut onderdeel uitmaakt, hebben afgezien van hun recht van faire commentaar en kritiek. Betrokkenen vragen zich af of klager dit bedoeld heeft.

2.3. Functie van het ANP Voor wat betreft de functie van het ANP binnen de Nederlandse nieuwsvoorziening stellen betrokkenen dat het ANP niet alleen berichten verzamelt, maar deze tevens beoordeelt op de vraag of zij al dan niet moeten worden doorgegeven. Het ANP selecteert dus en bewerkt voorts de voordoorzending geschikt bevonden berichten. Uit het aanbod van het ANP maken de afnemers op hun beurt selectie, bewerken de berichten of publiceren deze zonder meer. Het ANP is echter niet verantwoordelijk voor deze selectie en bewerking bij de afnemers. De Nederlandse media zijn niet uitsluitend op het ANP aangewezen, zij zijn niet ontslagen van hun verantwoordelijkheid voor de eigen selectie van en aanvulling op het ANP-nieuws. journalistieke maatstaven voor de nieuwswaarde van een bericht bestaan niet. Wel bestaan bij het ANP geldende selectiecriteria, zoals elke krant en elk tijdschrift er eigen selectiecriteria op na houdt, hetgeen tot uiting komt in de onderlinge verscheidenheid van de media en voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting zoals die hier te lande geldt. Het is juist dat de afnemers van het ANP gebaat zijn bij een onafgebroken nieuwsstroom van het ANP. Niettemin is de nieuwsstroom van het ANP niet onafgebroken. Om technische redenen wordt zij soms geheel stopgezet, op zon- en feestdagen wordt zij tot een minimum beperkt en ten tijde van een cumulatie van berichten over één onderwerp (zoals bijvoorbeeld sportuitslagen, verkiezingsuitslagen) op het gebied van andere onderwerpen geheel of gedeeltelijk beperkt. Het bestaan van het telexnet van het ANP ontslaat de individuele media niet van eigen nieuwsgaring. De media zijn niet verplicht het nieuws van het ANP over te nemen. De media dienen zelf te selecteren, aan te vullen, te herschrijven of wat zij maar noodzakelijk vinden vanuit hun eigen journalistieke verantwoordelijkheid.

Ten aanzien van klager's stelling dat elke selectie die afhankelijk wordt gemaakt van niet-journalistieke belangen de Nederlandse nieuwsvoorziening in haar wortels aantast wijzen betrokkenen op het volgende. In Nederland verschijnen: één staatscourant, talloze vakbondsbladen, één partijkrant en meerdere partijperiodieken. Deze media selecteren op eigen criteria, meestal ingegeven door de belangen van respectievelijk de staat, de vakbond of de partij. Zij tasten de nieuwsvoorziening binnen het democratisch bestel in Nederland niet aan, integendeel zij zijn uitvloeisel van de in dit land geldende vrijheid van meningsuiting, een van de grondrechten waarop de democratie juist stoelt. Betrokkenen zijn niet beïnvloed door buiten de nieuwsvoorziening staande organen, welke dat ook mogen zijn. Zij hebben gehandeld op eigen verantwoordelijkheid naar eigen vrije keuze en na uitvoerige discussie met collega's. Het nieuws was gedurende enige periode niet eenzijdig geselecteerd volgens niet-journalistieke maatstaven. Het nieuws werd ook op 4 maart tussen 10.00 uur en 11.30 uur geselecteerd naar de bij het ANP geldende maatstaven, zij het, duidelijk, zoals te voren aangekondigd, beperkt tot één nieuwsonderwerp, dus niet eenzijdig. Het onderwerp waarover werd bericht, te weten sociaaleconomische aangelegenheden in de ruimste zin des woords, werd van vele zijden belicht, zoals bij het ANP te doen gebruikelijk.

2.4. Rechtstreeks belanghebbende Betrokkenen zeggen dat het rechtstreeks belang dat klager bij een oordeel van de Raad zou hebben wordt beargumenteerd met een verwijzing naar een van de doeleinden bij de oprichting van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Voorts wordt door klager gesteld dat leden van klager er belang bij hebben dat het ANP op journalistiek juiste wijze functioneert. Betrokkenen merken hieromtrent op dat de vertegenwoordiging van hoofdredacteuren bij het ANP een van de doelstellingen moge zijn geweest bij de oprichting van klager, thans is klager noch deelnemer van het ANP, noch vertegenwoordigd in een van de organen van het ANP. Volgens artikel 6 van de statuten van het ANP hebben in de Raad van Beheer twee hoofdredacteuren zitting, die worden aangewezen door de hoofdredacteuren van de bladen voor welke de deelnemers bij de Stichting zijn aangesloten. In het huishoudelijk reglement (artikel 2) is slechts bepaald dat de Raad van Beheer met het bestuur van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren overleg moet plegen over plaats en datum van de vergadering waarin de verkiezing van de bedoelde hoofdredacteuren moet plaatshebben alsmede over mogelijke kandidaten. Ook in de Contactcommissie van hoofdredacteuren van het ANP worden de leden door de hoofdredacteuren van de deelnemende bladen aangewezen.ren aanzien van de verkiezing van deze hoofdredacteuren is hetzelfde bepaald als ten aanzien van die van de hoofdredacteuren in de Raad van Beheer. Klager heeft derhalve geen rechtstreekse band met het ANP. Dat leden van klager er belang bij hebben dat het ANP op de zijze zoals zij wensen functioneert, moge juist zijn, dat betekent nog niet dat klager een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad over de journalistieke ethische waardering van gedragingen van individuele journalisten bij het ANP. Klager is immers door deze gedraging niet getroffen in een belang dat bepaaldelijk hem rechtstreeks aangaat, zoals de Raad onlangs het rechtstreeks belang zelf nader omschreef.

2.5. Ontvankelijkheid van de klacht Naast hetgeen hierboven is aangevoerd ten aanzien van het rechtstreeks belang menen betrokkenen dat de klacht in essentie is terug te brengen tot een civielrechtelijk geschil;

a. een geschil tussen het ANP en zijn werknemers, die op één dag gedurende enige tijd voor een deel de verplichtingen die voortvloeien uit hun arbeidsovereenkomst, waaronder het redactiestatuut, niet zijn nagekomen. Klager is in deze civielrechtelijke aangelegenheid geen partij. Artikel 38 lid 2 van het Reglement sluit uitdrukkelijk deze geschillen uit; b. een geschil tussen het ANP en zijn werknemers, die stellen dat het ANP op één dag gedurende enige tijd voor een deel de statutaire en contractuele verplichtingen ten opzichte van de afnemers niet is nagekomen. Klager is in deze civielrechtelijke aangelegenheid geen partij, want klager is geen afnemer. Betrokkenen zijn in deze aangelegenheid evenmin partij. Raad van Beheer van de Stichting en de door deze Raad aangestelde directie zijn de aan te spreken partij. Individuele leden van klager kunnen zowel via de door hen gekozen vertegenwoordigers in de Raad van Beheer het ANP aanspreken als langs gerechtelijke weg het ANP voor vermeende wanprestatie doen aanspreken door de deelnemers van het ANP.
Voorzover de klacht een journalistiek-ethische vraag aan de orde stelt is klager volgens betrokkenen evenmin ontvankelijk en wel om de volgende redenen: a. klager stelt niet dat hij te lijden heeft gehad onder een publicatie van betrokkenen waarin hij onbillijk zou zijn bejegend. Ook wordt niet gesteld dat betrokkenen op andere wijze tegenover klager zodanig gehandeld hebben dat zij de grenzen hebben overschreden van hetgeen - gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is; b. klager is niet bevoegd tot het aan de orde stellen van een in journalistiek-ethisch opzicht principiële vraag. Als zodanig wordt in het Reglement uitdrukkelijk het dagelijks bestuur van de NVJ genoemd. Hoewel de tekst van artikel 14 daaromtrent wellicht enige onduidelijkheid bevat, moet worden aangenomen dat hier bedoeld is dat uitsluitend het dagelijks bestuur van de NVJ bevoegd is tot het uitlokken van een oordeel van de Raad omtrent journalistiek-ethische kwesties van principieel belang. Het kan immers niet de bedoeling zijn geweest dat elke willekeurige, geheel buiten de NVJ staande, derde, zonder daar rechtstreeks belang bij te hebben, een oordeel van de Raad kan uitlokken over journalistieke gedragingen.

ZITTING

Naast een nadere verduidelijking van zijn klaagschrift en repliek merkt klager ter zitting nog het volgende op. Hij ziet een opvallende discrepantie tussen enerzijds de bereidheid die betrokkenen belijden om zich te verantwoorden voor de Raad en anderzijds de wijze waarop zij zich tegen de klacht hebben verweerd. Klager meent dat betrokkenen bij hetgeen zij opmerken ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht het volgende over het hoofd zien. - de Raad heeft de bevoegdheid een oordeel te geven over de eventuele schadelijkheid voor de waardigheid van de stand van een gedraging of handeling van een journalist ongeacht of dat tevens oplevert een wanprestatie van de journalist tegen zijn werkgever; een geschil over arbeidsvoorwaarden of een wanprestatie van de werkgever jegens derden. - de competentie van de Raad hangt niet af van de mogelijkheid dat de betreffende gedraging/handeling al dan niet tevens grond kan zijn voor een rechtsvordering bij de burgerlijk rechter.

Het toppunt vindt klager de stelling van betrokkenen dat zij zich wel willen verantwoorden voor de Raad op basis van een klacht of verzoekschrift van de NVJ. Nota bene de organisatie die tot de actie heeft opgeroepen en deze achteraf uitvoerig heeft verdedigd. Niets heeft de NVJ overigens belet om zich tot de Raad te wenden. In dat geval had klager waarschijnlijk zijn klacht ingetrokken.

Klager zegt verder dat een goede nieuwsvoorziening voor het lezerspubliek slechts bestaanbaar is als er producenten zijn die er een eigen zelfstandig belang bij hebben dat de belangen van het lezerspubliek bij een goede nieuwsvoorziening worden gewaarborgd, hetgeen alleen mogelijk is als hun produkt goed is en stoelt op behoorlijke journalistiek. Het gaat in deze principiële zaak om een eenzijdige selectie van de nieuwsvoorziening. Een actie waaraan alle vijf betrokkenen leiding hebben gegeven en waarvoor zij dus verantwoordelijk zijn. Hun concrete aandeel in de actie zelfs is daarbij van ondergeschikt belang. Het valt overigens te betreuren dat betrokkenen nauwelijks bereid zijn daarover opening van zaken te geven. Dat deze actie plaatsvond in het kader van een vakbondsactie is op zich geen rechtvaardiging. De vraag is immers niet of de actie vakbondspolitiek aanvaardbaar was, maar of zij gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar was.

Naar klager's mening kan maatschappelijk niet worden aanvaard, dat journalisten van het ANP bij wijze van demonstratie alleen nieuws geven dat zij belangrijk vinden, zulks met voorbijgaan - en dus schending - van de selectiecriteria, die het ANP hanteert en ten behoeve van het maatschappelijk verkeer moet hanteren.

Het maakt dan ook geen wezenlijk verschil of de ANP-journalisten op een gegeven moment besluiten van 10.00 uur tot 22.00 uur alleen FNV-nieuws door te geven dan wel alleen nieuws over het wereldkampioenschap schaatsen of de nitriet-affaire in Limburg. In al deze gevallen schendt de journalist de norm van artikel 1 van het reglement. Hun journalistieke verantwoordelijkheid als ANP-redacteuren brengt met zich mee dat zij ook rekening hebben te houden met hen, die de FNV-actie, de schaatskampioenschappen of de nitriet-affaire niet belangrijk vinden, respectievelijk ander nieuws ook belangrijk vinden. Overigens merkt klager op geen klacht te hebben ingediend indien betrokkenen bij wijze van protest tegen de door de regering aangekondigde loonmaatregelen hadden besloten het werk volledig neer te leggen.

Van de kant van betrokkenen wordt aangegeven dat betrokkene Brouwer voor wat het verweer betreft het hierbij wil laten. De anderen willen subsidiair verweer voeren tegen de klacht. Naast een nadere toelichting op hun verweerschrift en dupliek merken zij voorts ter zitting nog het volgende op. Zoals reeds gesteld bevat de klacht niet de feiten en de gronden waarop zij berust. Nog steeds is niet duidelijk wat nu precies de klacht is en wat het aandeel is van ieder der vijf betrokkenen in het tenlastegelegde. Betrokkenen wijzen er op dat twee van hen niet op de bewuste redactievergadering aanwezig waren en dat een van deze twee op 4 maart in het geheel niet bij het ANP in Den Haag is geweest.

Betrokkenen geven toe dat zij hebben gehandeld in strijd met het redactiestatuut in zoverre de gehanteerde selectiecriteria eenzijdig - dat wil zeggen zonder toestemming van de werkgever zijn gewijzigd. Dit betekent echter niet dat daarmee eenzijdig is geselecteerd. Integendeel de berichtgeving over dat ene onderwerp was juist wel en heel zorgvuldig in overeenstemming met de normen van het redactiestatuut van het ANP.

De vraag die de Raad moet beantwoorden is of journalisten in het kader van een vakbondsactie in strijd met de journalistieke ethiek handelen wanneer zij niet alle contractuele verplichtingen naast zich neerleggen, doch slechts bepaalde zoals in de betreffende actie. De journalistieke verantwoordelijkheid van de ANP-redacteur is een andere dan die van een redacteur van bijvoorbeeld een sportblad of partijkrant.
Het rechtstreeks belang van klager bij de klacht is niet zozeer dat de aangesloten leden hinder hebben ondervonden van de acties bij het ANP maar dat zij een uitspraak van de Raad willen waarin het afkeurend oordeel van klager over deze actie en over de houding van de NVJ ten opzichte daarvan wordt bevestigd. Over het feit dat de stakende journalisten bij het ANP een uitzondering maakten voor de berichtgeving over sociaal-economische aangelegenheden ontstond verontwaardiging. Klager werpt zich naar de mening van betrokkenen op als het journalistieke geweten van Nederland. Als er al belangen geschaad zijn zijn het die van de lezers, luisteraars en kijkers. Nergens is echter een grond te vinden dat klager zich als belangenbehartiger van hen zou kunnen opwerpen. Het voorleggen van dergelijke algemene vragen, meestal van principieel journalistiek-ethisch belang, is voorbehouden aan de NVJ. Het bestuur van de NVJ is bereid alsnog de rondom deze actie gerezen vragen van principieel ethische aard aan de Raad voor te leggen.

Betrokkenen werpen in dit verband op dat een redactiestatuut vanuit journalistiek-ethisch gezichtspunt bezien wel mag worden gewijzigd. De lezers zal dan duidelijk moeten worden gemaakt dat het redactiestatuut wordt gewijzigd en waarom dat gebeurt.

De actie bij het ANP was duidelijk en te voren aangekondigd. Zit het onethische van de actie hierin dat journalisten hun medium niet voor hun eigen actie mogen gebruiken? Betrokkenen menen dat dit niet onethisch is en wijzen hierbij op De Waarheid die op 4 maart als actiekrant uitkwam en op de uitzendingen van de VARA op 3 en 4 maart met uitsluitend nieuws omtrent de acties. Daarover zijn geen verwijten gehoord omdat een dergelijke houding in de formule van deze media is ingebouwd. Deze formule - redactiestatuut - zelf wordt niet als onethisch beschouwd. Partijdigheid van journalisten wordt zeker niet als onethisch gezien, ook door de Raad niet, zoals uit een aantal uitspraken blijkt. Betrokkenen zien niet in dat dit anders zou liggen voor journalisten bij het ANP.
Bij een vakbondsactie gaat het om het afwegen van belangen: aan de ene kant de eigen belangen voor de journalist als werknemer en de belangen van zijn medewerkers en aan de andere kant de belangen van een goede nieuwsvoorziening.

Betrokkenen hebben hun eigen belangen de doorslag laten geven. Maar dat is niet in strijd met de journalistieke ethiek. De Raad heeft in het verleden geoordeeld dat een bepaald voor de lezers nogal belangrijk bericht door de hoofdredacteur uit de krant mocht worden gehouden, omdat achterhouden van het bericht in het belang van de krant zelf was. Een dergelijke belangenafweging is dan geoorloofd. In deze zaak gaat het om de vraag of de journalisten van het ANP, na afweging van alle belangen en met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid konden besluiten dat voor hen op 4 maart 1980 in alle redelijkheid het sociaal-economisch nieuws het allerbelangrijkste was. Zo belangrijk dat zij bij wijze van demonstratie tijdelijk het andere nieuws konden achterhouden.

Konden zij in redelijkheid oordelen dat zo'n actie gerechtvaardigd en journalistiek-ethisch geoorloofd was? Betrokkenen menen dat zij in redelijkheid tot deze actie mochten besluiten.

Dit verweer betreft - om met klager te stellen - de zaak waar het om gaat. Het gaat in deze zaak niet alleen om de vijf betrokkenen, maar om allen die aan de actie hebben deelgenomen.

OVERWEGINGEN

A. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van klager Betrokkenen stellen dat klager in zijn klacht niet kan worden ontvangen. Daartoe voeren zij, kort samengevat, aan: 1. de inhoud van de klacht is zo onduidelijk dat zij niet weten waartegen zij zich moeten verweren; 2. klager is geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van het reglement van de Raad; 3. de klacht betreft een civielrechtelijk geschil, waarbij klager geen partij is; 4. alleen de Nederlandse Vereniging van journalisten is bevoegd een in journalistiek-ethisch opzicht principiële vraag als de onderhavige aan de Raad voor te leggen.

De Raad is van oordeel dat klager in zijn klacht ontvankelijk is en verwerpt de bezwaren van de betrokkenen op grond van de volgende overwegingen:

ad 1. De Raad acht door klager voldoende duidelijk aangegeven welke concrete journalistieke gedraging van betrokkenen onderwerp van zijn klacht is om betrokkenen in staat te stellen tot verweer. Ook uit het uitvoerige verweer van de betrokkenen zelf blijkt dat de klacht hun voldoende duidelijk is.

ad 2. Artikel 14, lid 1, van het reglement van de Raad bepaalt dat een zaak aanhangig gemaakt wordt door een schriftelijke klacht, ingezonden door een ter beoordeling van de Raad rechtstreeks belanghebbende. Naar het oordeel van de Raad moet onder een rechtstreeks belanghebbende worden verstaan degene die door een concrete journalistieke gedraging, zoals door hem in zijn klacht omschreven, is getroffen in een belang dat bepaaldelijk hem rechtstreeks aangaat. De Raad beschouwt klager als de behartiger van de beroepsbelangen van zijn leden, allen hoofdredacteuren van in Nederland verschijnende dagbladen, in die zin dat deze belangen door klager worden gebundeld. Het komt de Raad aannemelijk voor dat hoofdredacteuren van in Nederland verschijnende dagbladen - gelet op hun uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de redactionele inhoud van hun bladen door een actie van ANP-redacteuren, als in de klacht bedoeld, worden getroffen in het belang dat Zij terzake van een deel van de nieuwsvoorziening door hun bladen,bij een normale dienstverlening van het ANP hebben.

De Raad is dan ook van oordeel dat klager door de gestelde journalistieke gedraging is getroffen in een belang dat bepaaldelijk hem rechtstreeks aangaat en derhalve als rechtstreeks belanghebbende in de zin van het reglement moet worden beschouwd.

Ter voorkoming van misverstand merkt de Raad in dit verband nog op dat de Raad klager niet-ontvankelijk zou hebben bevonden indien klager niet als behartiger van de belangen van zijn leden doch vanuit een eigen, ideële, doelstelling zou hebben geklaagd.

Betrokkenen hebben aan klager nog tegengeworpen dat deze, volgens Zijn zeggen, geen klacht zou hebben ingediend indien de journalisten van het ANP zouden hebben gestaakt, hoewel de hoofdredacteuren dan toch veel ernstiger in hun vorenomschreven belang zouden zijn getroffen. Deze tegenwerping treft echter geen doel. Klager heeft immers tevens te kennen gegeven dat in geval van staking een klacht achterwege zou zijn gebleven omdat klager een staking - zulks in tegenstelling tot de thans aan de orde zijnde actie van de ANP-journalisten - journalistiek gezien niet onbehoorlijk zou hebben geacht.

ad 3. De Raad ziet niet in waarom,gesteld dat er sprake zou zijn van een civielrechtelijke geschil, de toegang van klager tot de Raad daardoor zou worden geblokkeerd.

ad 4. Het reglement van de Raad geeft in artikel 14, lid 1, aan het Dagelijks Bestuur van de NVJ de bevoegdheid een klacht in te dienen zonder rechtstreeks belanghebbende te zijn. In artikel 16 wordt aan het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid verleend om bij verzoekschrift het oordeel van de Raad te vragen over een journalistieke handeling of gedraging.
Een en ander brengt echter niet mee dat in gevallen, waarin het Dagelijks Bestuur voormelde bevoegdheden uitoefent, klachten van rechtstreeks belanghebbenden door de Raad terzijde zouden moeten worden gesteld. Dit geldt uiteraard nog sterker in een geval waarin het Dagelijks Bestuur zijn bevoegdheden terzake in het geheel niet heeft uitgeoefend.

B. Met betrekking tot de gegrondheid van de klacht Gelet op hetgeen partijen over en weer, zowel schriftelijk als mondeling, naar voren hebben gebracht gaat de Raad er van uit dat de actie, die een aantal ANP-journalisten op 4 maart 1980 heeft gevoerd,beoogde dat van 's morgens 10.00 uur tot 's avonds 10.00 uur via het ANP-net alleen berichten zouden worden verspreid die te maken hadden met de FNV-acties in de ruimste zin des woords. Dit betekende dat die ANP-journalisten de journalistieke maatstaven die het ANP normaliter hanteert bij de selectie van het nieuws prijsgaven en vervingen door een hun passende maatstaf, teneinde aldus een bijdrage te kunnen leveren tot de bestrijding van een door de regering aangekondigde loonmaatregel.

De Raad is van oordeel dat die journalisten aldus, journalistiek gezien, een onjuist gebruik hebben gemaakt van hun sleutelpositie met betrekking tot de nieuwsvoorziening in Nederland en daarmee de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van hun speciale journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar was. Hieraan doet niet af dat de actie tevoren was aangekondigd en dat betrokkenen bij de doorgifte van nieuws betreffende de FNV-acties wel de qebruikelijke maatstaven hebben gehanteerd.

Voorts meent de Raad dat het doel van de actie onder de gegeven omstandigheden een onvoldoende rechtvaardiging voor zulk een actie vormde. Nu voldoende vaststaat dat alle betrokkenen in meer of mindere mate betrokken zijn geweest bij de voorbereiding en/of uitvoering van de actie, en Zij ook allen daarvoor openlijk verantwoordelijkheid hebben aanvaard, geldt het oordeel van de Raad alle betrokkenen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 5 maart 1981 door mr H.B. Vroom, voorzitter;mr P.J. Boukema, O. Postma ing., drs H.W.M. van Run en K. Wiese, in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1981, 2.