1981/11 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van STIBA tegen M. Smeets

Bij brief van 5 maart 1981 heeft STIBA (klager) een klacht ingediend tegen de heer Mart Smeets (betrokkene). Nadat betrokkene had gereageerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de zaak op 29 oktober 1981 ter zitting behandeld, waar zijn verschenen de heren R.A. Stein en S. Speijer voor klager en de heer Smeets.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in Trouw van 27 februari 1981 van betrokkene met de kop: "Maccabi Tel Aviv. Bolwerk". STIBA (de Stichting Bestrijding Antisemitisme) heeft tot taak het signaleren, inventariseren en publiceren van antisemitische voorvallen. Reeds diverse malen werden artikelen die van voldoende dubieus gehalte waren met betrekking tot het Joods of Israëlisch onderwerp aan het bestuur van STIBA voorgelegd.

Klager heeft deze artikelen niet aan de Raad willen voorleggen om de indruk dat het STIBA om een aantasting van persvrijheid zou gaan, te vermijden.

De publicatie van betrokkene heeft de grenzen naar de mening van klager echter verre overschreden. De bezwaren van klager tegen de betreffende publicatie betreffen voornamelijk het volgende: In de publicatie staan ongeveer 20 referenties aan "geld", "macht" "poen" rijkdom en oneerlijke en onoverzichtelijke geldverwerving.

Er wordt met geen woord over het spel of over de feitelijke confrontatie tussen twee basketbalclubs in Den Bosch gerept.

Het artikel is beledigend, discriminerend en declasserend zowel tegenover de manager van de basketbalclub als tegenover de club zelf en geeft als zodanig grond voor een strafklacht op grond van artikel 137 Wetboek van Strafrecht.

Het artikel is lasterlijk zowel ten opzichte van Israël als het Jodendom door de stelling dat Maccabi (de basketbalclub) "een deel van Israël is"; "een instituut" en "een bolwerk van Joods chauvinisme".

Het artikel is een uiting van selectieve verontwaardiging naar een Israëlische sportgroep.

Bijzonder kwalijk is de uitspraak dat Maccabi "de machtigste, rijkste, meest publiciteitsvretende, meest arrogante en bij tijden ook meest gehate basketbalploeg is".

De omschrijving hoe Dajan "met het bekende lapje over het kale voorhoofd .......oog in oog staat met basketballen is smaakloos.

Het refereren aan een "Joodse jaarmarkt" is storend.

De beschrijving van de manager is smadelijk, waar het gaat om de ontvangst van buitenlandse gasten "in gelegenheden waar hij alleen thuis is en de tegenpartij niet". Het artikel bevat een niet onaanzienlijk aantal van de meest gebruikelijke antisemitische cliché's die er zijn.

VERWEER

Betrokkene heeft in zijn schriftelijke reactie op deze klacht volstaan met de mededeling dat hij de beschuldigingen als "niet waar" beschouwt en dat hij geen enkele behoefte heeft om de lijst van aangevoerde klachten te beantwoorden.

ZITTING

Ter zitting zegt betrokkene desgevraagd het hoofdredactionele naschrift in Trouw van 7 maart 1981 bij het bericht over de klacht van STIBA bij de Raad te onderschrijven. Het naschrift luidt als volgt:

"Mart Smeets verklaart dat hij op geen enkele wijze zich discriminerend of antisemitisch heeft willen uiten. Als sommige mensen zich aan het woordgebruik hebben gestoten dan betreurt de hoofdredactie van Trouw dit in hoge mate en biedt zij de betrokkenen haar excuses aan".

Betrokkene heeft de betreffende basketbalwedstrijd woensdagavond verslagen voor de t.v. en in de Volkskrant van donderdag beschreven. De column in Trouw wekelijks is voor hem een zekere uitlaatklep. Iedere vrijdag maakt hij een soort momentopname, gebaseerd op kennis van jaren. Betrokkene schrijft in vrij cynische bewoordingen. Deze publicatie is voor zijn doen zeker niet als exceptioneel scherp te beschouwen. Hij was niet kwaad toen hij het artikel schreef. Met basketbalploeg Maccabi heeft hij goed kontakt. Hij heeft zelfs enkele goede vrienden bij deze club en is enkele malen door hen in Israël uitgenodigd.

Ten opzichte van de zinsnede "een bolwerk van Joods chauvinisme" merkt betrokkene op dat dit binnen de internationale basketbalwereld het geval is. Maccabi is de enige Israëlische sportclub die mondiaal op de voorgrond treedt en is daarmee een symbool geworden voor de sport in Israël".

Wat de zinsnede "de meest gehate ploeg" betreft zegt betrokkene dat dit in zijn algemeenheid geldt voor een sportclub die altijd wint.

De associatie "Joods jaarmarkt" kreeg betrokkene bij de time-outs. Daar stonden tien spelers,twee coaches en de zakelijk leider volslagen door elkaar heen te schreeuwen.

Klager licht ter zitting zijn grieven tegen de publicatie verder toe. In de publicatie wordt met geen woord over het eigenlijke spel gerept. Bij de sport komt veel geweld voor. Geweld dat zich richt tegen het jodendom is geen onbekend verschijnsel. De publicatie wekt
de suggestie dat macht op een verkeerde manier op de tegenstanders wordt uitgespeeld. Klager vindt dat deze publicatie aansluit bij een opkomende stemmingmakerij. Er verschijnen nogal wat publicaties waarin corruptheid, wreedheid, rijkdom, succes en macht met joden worden geassocieerd. De publicatie kan niet tot de categorie van keihard antisemitisch worden gerekend, maar wel wordt in sterke mate gezinspeeld op de meest negatieve elementen die met de joden worden verbonden. Er wordt teveel gebruik gemaakt van de bekende cliché's uit antisemitische geschriften.

Betrokkene verklaart hierop dat hij zich bij het schrijven niet heeft gerealiseerd dat deze associaties konden worden opgeroepen. Hij heeft het artikel zeker niet met deze intentie geschreven, integendeel. Hij heeft uitsluitend enkele kritiekpunten op Maccabi willen uiten naar aanleiding van het voor deze ploeg gevoelige verlies in Den Bosch.

OVERWEGINGEN

De publicatie betreft een kritische, niet bepaald vriendelijke analyse van een Israëlische sportclub van internationaal niveau naar aanleiding van een door deze club verloren wedstrijd. De Raad kan zich inleven in de stelling van klager dat de publicatie door een groep mensen, met een zekere gevoeligheid voor uitingen die met antisemitisme in verband kunnen worden gebracht, als kwetsend wordt ervaren, Het gebruik van woorden als joods, rijkdom, macht en geld bij de beschouwing van een Israëlische sportclub zijn op zich tamelijk kleurloze woorden.

Het gaat de Raad te ver het gebruik van dergelijke woorden in relatie tot een Israëlisch of joods gebeuren daardoor als naar antisemitisme tenderend te zien.

In de gewraakte publicatie komen naast deze op zich tamelijk kleurloze woorden de volgende uitdrukkingen voor die mogelijk wel als antisemitische uitingen kunnen worden opgevat: "joods chauvinisme", "rijke zionistische bronnen" en "joodse jaarmarkt". De Raad meent dat betrokkene had behoren te begrijpen dat deze zinsneden in samenhang met de hierboven op zich als kleurloos aangeduide begrippen door een bepaalde groep mensen als tenderend naar antisemitisme konden worden opgevat.

Zowel door het hoofdredactionele naschrift, dat betrokkene onderschrijft, als door zijn ter zitting afgelegde verklaring is de Raad ervan overtuigd dat het geenszins in de bedoeling van betrokkene heeft gelegen dergelijke associaties op te roepen.

BESLISSING

De Raad meent dat betrokkene waar het de hierboven geciteerde mogelijke associaties met antisemitisme betreft tekort geschoten is in de zorgvuldigheid die van hem jegens de zoëven bedoelde groepering had mogen worden verwacht.

Aldus vastgesteld ter zitting van 29 oktober 1981 door mr R. de Waard, plvv. voorzitter; D. Houwaart, O. Postma,ing.; drs H.W.M. van Run en mr F. Kuitenbrouwer, in aanwezigheid van mevrouw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1981, 11.