1981/10 onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer A.N. tegen het Nieuws van de Dag.

Bij brief van 23 maart 1981 heeft mr N. Huls namens zijn cliënt, de heer A.N. (klager) een klacht ingediend tegen de heer B. Brakel, redacteur van het Nieuws van de Dag (betrokkene). Nadat betrokkene op de klacht had gereageerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak behandeld ter zitting op 29 oktober 1981, alwaar zijn verschenen mr N. Huls, zijn cliënt en diens zoon R.N..

KLACHT

De klacht betreft de publicatie in het Nieuws van de Dag van 3 februari 1981 onder de kop: "Broers verdacht van groot aantal tassenroven". De publicatie maakt melding van de arrestatie van de twee broers E.N. en R.N. die van een groot aantal tassenroven werden verdacht.

De klacht is eveneens gericht tegen de publicatie over deze zaak in het Nieuws van de Dag de volgende dag, 4 februari.

Klager is de vader van deze twee zoons. De eerste publicatie bevat onder meer de volgende onjuistheden.

Klager's zoon, als Ronald N. aangeduid, wordt met de misdrijven in verband gebracht, terwijl hij er niets mee te maken had. Ten onrechte is in de eerste publicatie geschreven dat beide broers inmiddels hadden bekend. Ronald heeft in het geheel niet bekend, hij had er niets mee te maken.

In strijd met de werkelijkheid wordt gesteld dat Ronald vaak op de duo van de brommer zat en dat hij de tassen uit de handen van de slachtoffers trok.

In de publicatie wordt bericht dat de zuster van de twee broers in de Sarphatistraat woont, hetgeen niet het geval is.De tassenroven vonden voornamelijk plaats in de Rivierenbuurt en in Amsterdam Oost. Door de onjuiste vermelding van het woonadres van de zuster, die regelmatig door de broers zou worden bezocht, wordt de suggestie gewekt van een familiecomplot. Deze suggestie wordt nog versterkt door de in het tweede bericht opgenomen passage: " In de ouderlijke woning van de verdachte aan de Uiterwaardenstraat vonden rechercheurs diverse helms en jacks."

Voorts maakt klager ernstig bezwaar tegen het met name vermelden van de straat waarin klager met zijn gezin woont. Hierdoor is de herkenbaarheid van zijn gezin vergroot.

Onmiddellijk na de publicatie van 3 februari heeft klager contact met betrokkene opgenomen en met name waar het de onjuistheden zijn zoon Ronald betrof om rectificatie verzocht.

Weliswaar wordt in het bericht in de krant van 4 februari vermeld dat: " Uit het onderzoek niet is gebleken dat Ronald N. zich aan straatroven heeft schuldig gemaakt",maar dit acht klager onvoldoende rechtzetting.
Klager's gezin, en met name Ronald, is door deze publicaties onnodig gedupeerd. Klager's gezin heeft al genoeg te lijden doordat de andere zoon de beschreven misdrijven heeft gepleegd.

VERWEER

Betrokkene stelt dat het hem bekend was dat de politie al geruime tijd zeer actief was om de tassenrover te ontmaskeren. Hij hield de zaak, die onrust in de Rievierenbuurt veroorzaakte, nauwlettend in de gaten.

Door de politie werd bevestigd dat beide broers waren aangehouden. De oudste was op heterdaad betrapt en de jongste werd later op de avond, verdacht van medeplichtigheid, gearresteerd.

De jongste broer werd later, na onderzoek en verhoor door de politie, vrijgelaten. De politie heeft betrokkene meegedeeld dat de zuster van de verdachten in de Sarphatistraat woonde.

Het onderzoek en de arrestatie van de broers was nieuws. Het was niet de bedoeling de familieleden van de straatrover in diskrediet te brengen. Vandaar dan ook dat onmiddellijk werd gepubliceerd dat de aanvankelijk aangehouden jongen werd vrijgelaten nadat gebleken was dat hij zich niet aan straatroven schuldig had gemaakt.

ZITTING

Ter zitting zegt klager dat de politie hem heeft meegedeeld dat zij uitsluitend de initialen van de beide aangehouden broers aan de pers heeft doorgegeven en niet de straatnaam. Evenmin zou de politie aan betrokkene het - verkeerde - adres van de zuster van de beide broers hebben meegedeeld. Betrokkene heeft dit overigens in een telefoongesprek met klager ontkend.

Klager's zoon licht desgevraagd ter zitting toe dat hij op de bewuste avond door 5 à 6 rechercheurs 's avonds thuis is opgehaald. Hij werd verdacht omdat hij vaak dezelfde kleren droeg als zijn broer. De volgende ochtend werd hij door de politie verhoord en na een confrontatie met enkele slachtoffers is hij door de politie vrijgelaten.

Klager zegt dat zijn gezin door de onjuiste mededelingen met name over Ronald's betrokkenheid bij de tassenroven en het verkeerde adres van de zuster, het vermelden van de voornaam van Ronald en de naam van de straat, onnodig veel ellende heeft beleefd. Collega's van Ronald waren van zijn aanhouding op de hoogte via de krant.

De rectificatie van betrokkene in de krant van de volgende dag vond klager onvoldoende rechtzetting. Bovendien wordt de suggestie van het familiecomplot door deze twee publicaties zijns inziens eerder versterkt dan afgezwakt.

OVERWEGINGEN

Klager heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de publicatie van 3 februari 1981 enkele onjuistheden bevatte. Achteraf zijn de mededelingen dat Ronald achterop de brommer zittend tassen uit de handen van de slachtoffers zou hebben gerukt en ook dat Ronald meer dan tien tassenroven zou hebben bekend, onjuist gebleken. Dat een en ander onjuist was kon worden afgeleid uit een tweede bericht van betrokkene over de tassenroof.

Betrokkene beroept zich in zijn brief op informatie die hij van de politie zou hebben verkregen.

Nu betrokkene ter zake geen verdere toelichting heeft gegeven en ook niet ter zitting is verschenen is de Raad van oordeel de klacht niet met de vereiste grondigheid te kunnen behandelen. De Raad betreurt het dat hij door de houding van betrokkene daartoe niet in staat is gesteld.

De Raad merkt voor het overige op het een regel van goede journalistiek te achten dat de anonimiteit van de verdachte zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. Betrokkene lijkt deze regel te onderschrijven. Het vermelden van de voornaam van één der beide broers en van de naam van de straat waarin zij woonden heeft hen echter in sterkere mate herkenbaar gemaakt dan vanuit overwegingen van nieuwswaarde noodzakelijk was. Zulks valt temeer te betreuren nu de publicatie van 3 februari 1981 juist ten aanzien van de met zijn voornaam aangeduide broer onjuist is gebleken.

BESLISSING

De Raad is door de houding van betrokkene niet in staat een oordeel over de klacht te geven.

Aldus vastgesteld ter zitting op 29 oktober 1981 door mr R. de Waard, plvv. voorzitter; D. Houwaart, O. Postma, ing.; drs H.W.M. van Run en mr F. Kuitenbrouwer, in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers.

RvdJ 1981, 10.