1980/7 gegrond

Beslissinq van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer E. van Geffen tegen Panorama.

Mr E. Hummels heeft namens zijn cliënt, de heer E. van G. (klager) bij brief van 7 december 1979 een klacht ingediend tegen de heren W. ten Brink en L. de Galan, redacteuren werkzaam voor Panorama (betrokkenen). Nadat betrokkenen verweerschriften hadden ingediend en daarop repliek en dupliek was gevolgd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 5 juni 1980 ter zitting behandeld alwaar zijn verschenen mr E. Hummels en de heren W. ten Brink, L. de Galan en P. Hagtingius.

KLACHT

De klacht richt zich tegen het artikel van de hand van betrokkenen in Panorama van 31 augustus 1979 onder de titel "De miljoenenroof die eigenlijk niet kon". Het artikel gaat over een overval op een geldtransport bij de Utrechtse veemarkt in 1977 waarbij de buit dik 4 miljoen bedroeg. Klager acht zijn anonimiteit en privacy door het artikel aangetast. Met name door de combinatie van de montagefoto en tekst waarin de volledige roepnaam van klager en het initiaal van zijn achternaam worden weergegeven. Daarnaast bevat het artikel een groot aantal onjuistheden waardoor een totaal verkeerd beeld van klager en van de omstandigheden waaronder het delict plaatsvond ontstaat. Door betrokkenen is geen toestemming voor publicatie gevraagd noch hebben zij met klager op enigerlei wijze kontakt opgenomen. Als voorbeelden van onjuistheden die in het artikel voorkomen geeft klager onder andere het volgende aan: - dat hij een heroïne-spuiter is - dat de bedreiging met een speelgoed pistooltje gebeurde - dat klager aan iedereen die het maar weten wilde vertelde dat hij met één miljoen op zak liep - dat klager in een bar met een briefje van f 1.000,= een pilsje betaalde en tegen de totaal verbouwereerde kastelein riep: "laat de rest maar zitten". De door klager aangegeven onjuistheden zijn zijns inziens tekenend voor de onzorgvuldigheid waarmee het artikel tot stand is gekomen. Voor een deel zullen de onjuistheden geweten kunnen worden aan de informant K. De betrokkenen mochten echter naar de mening van klager K. bepaald niet op alle punten als een betrouwbaar informant beschouwen.

VERWEER

Zowel door betrokkene Ten Brink als door betrokkene De Galan, gezamenlijk met de hoofdredacteur, is op de klacht van klager gereageerd. Betrokkene Ten Brink heeft als medewerker van Panorama kopij, in de vorm van een artikel geleverd voor een publicatie over de destijds geruchtmakende miljoenenroof. Het artikel van betrokkene Ten Brink betreft het relaas van één van de twee hoofdpersonen van deze miljoenenroof, te weten K. Het artikel gaat over de manier waarop hij de geldloper midden in een bomvol restaurant ontvoerde, over zijn angst voor de miljoenen waarop de hele vaderlandse onderwereld aasde, over zijn jeugd en over de gevangenissen, die hij boevenfabrieken noemt waar je van kwaad tot erger wordt.
De door betrokkene Ten Brink aangeleverde kopij is door betrokkene De Galan verwerkt tot een binnen het vigerende redactiebeleid meer op de lezers toegesneden publicatie. Bij deze verwerking is onder meer een aantal zinsneden, waaraan klager zich stoort enigszins gefingeerd. Betrokkene Ten Brink voert het volgende verweer: Zijn artikel is gemaakt naar aanleiding van een met K. kort na zijn vrijlating gehouden interview. Het artikel is door K. gelezen en goedgekeurd voordat het aan de redactie van Panorama werd aangeboden. Het artikel werd door de redactie van Panorama herschreven en aanzienlijk ingekort. Met klager heeft betrokkene geen kontakt opgenomen. Zijn pogingen om met K. tijdens diens verblijf in het huis van bewaring in kontakt te komen waren op niets uitgelopen, zodat hij ervan uitging dat een gesprek met klager eveneens onmogelijk moest worden geacht. Betrokkene Ten Brink had daaraan overigens ook niet zo'n behoefte omdat het in zijn artikel duidelijk ging om een gesprek met K. als hoofddader en met niemand anders. Betrokkene Ten Brink stelt ten aanzien van de beweerde schending van klagers anonimiteit en privacy nadrukkelijk dat de montagefoto vrijwel direct na de overval al door de politie is verspreid; dat het noemen van de volledige voornaam plus de eerste letter van de achternaam in de rechtbankverslaggeving gebruikelijk is en dat hij zich nog enige jaren heeft vergist in de leeftijd van klager, zodat deze zelfs nog minder herkenbaar is voor zijn omgeving. Ten aanzien van de gesignaleerde onjuistheden stel. betrokkene Ten Brink onder meer het volgende: - "klager zou een heroïne-spuiter zijn" Het heroinegebruik van klager is tijdens de rechtszitting meermalen naar voren gekomen. In zijn artikel staat: "Erik was al jaren zwaar verslaafd aan heroïne.". - "de bedreiging zou zijn gebeurd met een speelgoedpistooltje" In zijn artikel stond: "Met een in plastic gewikkelde kolf van een luchtbuks en een alarmpistooltje pleegden Gerrit en Erik een van de grootste overvallen uit de Nederlandse criminele geschiedenis.". Relevant acht betrokkene Ten Brink deze onjuistheden niet. Het ging er slechts om aan te geven dat de overval op het geldtransport niet met echte wapens is gepleegd. - "klager zou hebben betaald met een briefje van duizend toen hij een pilsje had besteld en daarna tegen de barman hebben gezegd laat de rest maar zitten". Dit verhaal werd betrokkene Ten Brink door verschillende mensen in "onderwereldcafé's" te Utrecht verteld. Door de politie werd dit verhaal noch ontkend, noch bevestigd. Door de betrokkenen De Galan en de hoofdredacteur is onder meer het volgende naar aanleiding van de klacht gesteld. Het artikel van de heer Ten Brink is door betrokkene De Galan sterk ingekort en bondiger van opzet gemaakt. Daarbij werd echter zoveel mogelijk de letterlijke tekst van het aangeboden artikel aangehouden. Omdat betrokkene Ten Brink ten tijde van de bewerking door De Galan van zijn artikel in het ziekenhuis verbleef is kontakt opgenomen met een collega van hem, met wie hij samen het artikel had geschreven. Op grond van het aangeboden artikel en dit telefonisch kontakt is betrokkene De Galan van mening dat de zinsnede "dat klager aan iedereen die het maar weten wilde vertelde dat hij met een miljoen op zak liep" qua strekking juist was.

Ten aanzien van andere door klager aangevoerde onjuistheden stelt betrokkene De Galan dat de bezwaren die klager daartegen aanvoert feitelijk juist zijn maar dermate onbeduidend dat hierdoor geenszins de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare zijn overschreden.

ZITTING

Namens klager wordt ter zitting aangevoerd dat hij in het gepubliceerde artikel naar voren komt als iemand die op een zeer knullige manier een misdrijf heeft gepleegd en door uitermate dom gedrag daarna door de politie is opgepakt. Klager kan zich in dit van hem geschetste beeld geenszins vinden. De publicatie over hem na zo lange tijd, op zo herkenbare en denigrerende wijze is voor hem uiterst schadelijk. Dit klemt temeer nu hij op geen enkele wijze in staat is gesteld zijn visie op het gebeurde aan te geven. Van de zijde van Panorama wordt gezegd dat het artikel van betrokkene Ten Brink sterk is ingekort en bondiger geschreven zodat het voor de Panoramalezers makkelijker te lezen was. Voorop stond de enorme buit van de roofoverval en de knullige wijze waarop deze plaatsvond. De ervaringen van K. in de gevangenis en het waarom van zijn misdrijf zijn in deze visie anders dan in het artikel van betrokkene Ten Brink van ondergeschikt belang. Bij de bewerking is wat meer beeldende taal gebruikt, doch de essentie van het verhaal van betrokkene Ten Brink is gehandhaafd. Voorzover enkele onjuistheden in deze publicatie voorkomen achten betrokkenen deze,gelet op de onderliggende feiten,niet relevant. Betrokkene Ten Brink stelt desgevraagd dat hij teleurgesteld was dat zijn artikel was ingekort maar dat hij inhoudelijk de publicatie voor zijn rekening neemt. Wat betreft het publiceren van de montagefoto wordt door betrokkenen opgemerkt dat Panorama een geïllustreerde weekblad is en er naar streeft om ook via deze weg beide daders van de roofoverval geprofileerd weer te geven. Voor de montagefoto is gekozen omdat deze reeds eerder gepubliceerd was en klager naar de mening van betrokkenen nauwelijks daarvan te herkennen zou zijn. Desgevraagd antwoordt betrokkene Ten Brink dat K. te kennen had gegeven niet met zijn echte voornaam in het artikel vermeld te willen worden. Aan deze wens is hij tegemoet gekomen.

OVERWEGINGEN

De Raad meent - mede gelet op de uitspraak van betrokkene Ten Brink dat hij zich volledig medeverantwoordelijk acht voor de gepubliceerde verse - dat slechts deze gepubliceerde versie ter beoordeling staat. Wel merkt de Raad op dat in de herschreven versie het duidelijke karakter van een interview met slechts één der daders niet of nauwelijks tot uiting komt. Hoewel soms vrij letterlijk de tekst van de oorspronkelijke versie is gevolgd heeft het artikel een ander karakter gekregen. In strijd met de werkelijkheid wekt de publicatie de indruk dat ook met klager, in denigrerende zin is gesproken. Door de veranderde kontekst werkt het gepubliceerde sterker ten nadele van klager. De Raad is van oordeel dat naarmate een langere periode is verstreken na het plaatsvinden van het criminele gebeuren, van de journalist een grotere mate van zorgvuldigheid mag worden verlangd met het oog op het belang van de verdachte cq. veroordeelde. In dit geval - circa twee jaar na de overval - diende de journalist het belang van de veroordeelde nog zwaarder te laten wegen en nog voorzichtiger met diens privacy om te gaan dan volgens goed journalistiek gebruik in de actuele rechtbankverslaggeving geboden is.

Door de vermelding van de voornaam en het initiaal van de achternaam van klager en door publicatie van de montage foto zo lang na het delict heeft de journalist diens privacy te zeer geschonden. Dit klemt temeer nu de journalist wel tegemoetgekomen is aan de wens van de geïnterviewde dader tot wijziging van diens echte voornaam. De journalist had naar de mening van de Raad klager in staat moeten stellen om zijn reactie op de opmerkingen van zijn mededader te geven alvorens tot publicatie over te gaan.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen laakbaar onzorgvuldig zijn omgegaan met de belangen van de betreffende gedetineerde.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van 5 juni 1980 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter; O. Postma, ing.; mr B.A. Schmitz; drs H.W.M. van Run en K. Wiese in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers.

RvdJ 1980, 7.