1980/6 gegrond

J. Bakker contra Amstelveens Weekblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer Bakker tegen het Amstelveens Nieuwsblad

De heer Bakker (klager) heeft bij brief van 17 februari 1980 een klacht ingediend tegen de redactie van het Amstelveens Nieuwsblad (betrokkene).
adat betrokkene op de klacht gereageerd had heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen.
De Raad heeft deze klacht behandeld ter zitting van 22 mei 1980.
Hier zijn verschenen de heer J . Bakker en de heer C. Beyerbergen van Henegouwen. Van de zijde van betrokkene is niemand ter zitting verschenen.

KLACHT

De klacht is gericht tegen het artikel in het Amstelveens Nieuwsblad van 17 oktober 1979 onder de titel 'Misstanden bij manege' en de ondertitel 'Paardenhandelaar neemt het niet zo nauw'.
Klager acht zich door dit artikel in zijn eer en goede naam aangetast en heeft daarnaast tengevolge van dit artikel schade geleden. Met de paardenhandelaar die het niet zo nauw neemt wordt klager, die een manege houdt, bedoeld.
Het artikel bevat vele onjuiste beschuldigingen, tendentieuze op- en aanmerkingen. hele en halve onwaarheden, insinuaties en onbewezen en onbewijsbare zaken.
Als voorbeeld hiervan wijst klager onder meer op de volgende passages:

"Een schoolvoorbeeld van een slechte manege vormt die van de heer J. Bakker aan de Bankrasweg in onze plaats...incasseert hij forse winsten Inkomsten die via de ruggen van zijn dieren worden binnengehaald. Hier is zeker sprake van dierenmishandeling in één van haar ergste vormen;
Zo constateerden paardenliefhebbers bij verscheidene dieren een begin van drukking."

Over drukking wordt in het artikel door een dierenarts gezegd dat een paard met drukking je reinste dierenmishandeling is en dat drukking nogal eens voorkomt bij malafide maneges. Hierdoor wordt de suggestie gewekt dat de dierenarts eveneens drukking heeft geconstateerd bij de paarden van klager.
Voorts wordt in het artikel een aantal opmerkingen van de voorzitter van de afdeling Amstelveen der Nederlandse Dierenbescherming over de manege van klager geciteerd. Deze voorzitter heeft zich schriftelijk daarvan gedistantieerd. Hij heeft zich, blijkens zijn verklaring, die door klager aan de Raad is overgelegd, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitgelaten over de verkeerstechnische zaken zoals deze zich voordoen bijvoorbeeld bij het weggebruik van jonge en onervaren ruitertjes .
Voorts is klager van mening dat de foto's met de ondertiteling die bij het artikel geplaatst zijn in sterke mate tendentieus zijn en daarmede het beschuldigende karakter ten opzichte van klager versterken.
Daarnaast wordt in het artikel een directeur van een andere manege aan het woord gelaten die onder andere beweert dat 'Hoewel ik het niet bewijzen kan, is het wel algemeen bekend dat zijn paarden oorspronkelijk voor de slacht bestemd zijn!'.
Klager vraagt zich af wat er tegen is om een 'slachtpaard' een andere en nuttige bestemming te geven. Het begrip slachtpaard heeft in principe niets te maken met leeftijd of kwaliteit van het paard. Het is een commercieel begrip voor een paard waarvoor men geen andere economische bestemming weet.
Klager kort na het verschijnen van het artikel zijn beklag daarover bij de politie gedaan. Vanwege de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren is naar aanleiding van de publicatie eén onderzoek ingesteld naar alle paarden van klager. In dit rapport, dat aan de Raad is overgelegd, staat letterlijk:

'De paarden of pony's zijn door mij zeer kritisch bekeken. Bij geen der paarden of pony's is door mij drukking, vers of oud, waargenomen. Bij geen enkel paard of pony waren de mondhoeken beschadigd, wat veel voorkomt door het rukken aan de teugels. Alle paarden en pony's zagen er zeer goed verzorgd uit, er was niet een magere of schrale bij. Wat ik ter plaatse heb waargenomen, dan is aldaar geen sprake van welke vorm van dierenmishandeling dan ook. De paarden waren in goede conditie, hadden geen enkele verwonding en stonden droog en tochtvrij gehuisvest.'

Door een aantal personen zijn na de publicatie ingezonden stukken aan betrokkene ter plaatsing aangeboden. Betrokkene is echter niet tot plaatsing overgegaan. Wel heeft betrokkene een stuk van de dochter van klager in de krant geplaatst, echter niet het volledige stuk maar ingekort.
Klager heeft de sterke indruk dat betrokkene klager bewust en zonder grond in opspraak heeft willen brengen.

VERWEER

Betrokkene stelt in zijn reactie dat de samenstellers van het artikel en de fotograaf geen redenen aanwezig achten om hun in dit artikel beschreven mening te herzien. Betrokkene refereert daarbij tevens aan de woordelijk weergegeven citaten van hun terzake kundige informanten Bovendien heeft betrokkene klager in haar uitgave van 19 december 1979 de opening van een pagina aangeboden voor een weerwoord waarvan door hem over vijf kolommen is gebruik gemaakt.
Betrokkene handhaaft onverkort zijn mening dat is voldaan aan de fatsoensnormen welke gangbaar zijn in de journalistiek en acht de klacht ongegrond.
Overigens merkt betrokkene op de Raad niet te erkennen.

ZITTING

Ter zitting licht klager toe dat de journalisten, die twee keer bij hem geweest zijn voor het interview gewone dingen over de paardesport en dergelijke vroegen. Hij had er geen idee van dat het artikel over hem en zijn manege op een dergelijke negatieve wijze zou handelen. Na het verschijnen van het artikel heeft hij alle paarden en pony's een dag op stal gehouden voor het onderzoek van de zijde van de dierenbescherming. Het rapport bevat niets dat een negatieve berichtgeving over klager zijn manege zou kunnen ondersteunen. Klager heeft na de publicatie met de voorzitter van de Amstelveense afdeling van de Nederlandse Dierenbescherming gesproken. De voorzitter ontkende toen de geciteerde uitlatingen over klager te hebben gedaan, hetgeen door hem later eveneens schriftelijk is verklaard.
Naar de mening van klager is betrokkene niet zelf op de gedachte gekomen om een artikel over de paardesport in Amstelveen te publiceren. Dit is in samenwerking met D'66 gebeurd, welke partij een nota, waarin wordt verwezen naar de gewraakte publicatie van betrokkene, heeft opgesteld over de paardesport ten behoeve van de gemeenteraad. Klager vindt het ook wat verdacht dat een paar weken na de gewraakte publicatie een artikel in lovende zin in het Amstelveens Nieuwsblad verschijnt over de concurrent van klager, die in het gewraakte artikel zich zeer negatief over klager uitliet. Overigens heeft deze concurrent tegenover Klager beweerd dat hem in het gewraakte artikel dingen in de mond gelegd zijn, die hij niet heeft gezegd.
Klager zegt het instellen van een strafrechtelijke vervolging inzake smaad of laste te overwegen indien de beslissing van de Raad een veroordeling van de gedraging van betrokkene inhoudt.
Wat betreft het plaatsen van de ingekorte brief van de dochter van klager merkt hij op dat naar zijn smaak de brief door betrokkene van de kern is ontdaan. Voorts is deze brief op een zodanige, slordige wijze, van commentaar voorzien, dat dit geen enkele rectificatie inhoudt.

OVERWEGINGEN

Hoewel betrokkene niet ter zitting van de Raad is verschenen is de Raad van mening dat, gelet op de gewisselde en overlegde stukken de verdediging van de belangen van betrokkene voldoende tot haar recht is gekomen. In het artikel wordt de manege van klager een schoolvoorbeeld van een slechte manege genoemd. Klager zelf wordt er in opgevoerd als een veehandelaar die het presteert de goede naam van de ruitersport door het slijk te sleuren. Geconstateerd wordt dat de manege de omgang met paarden aan de smerige laars lapt en dat hier sprake is van dierenmishandeling in één van haar ergste vormen.
Als enige bronnen voor deze zware en voor klager uiteraard zeer schadelijke uitlatingen worden in het artikel genoemd niet naderaangeduide 'paardenliefhebbers', die bij verscheidene dieren van klager een begin van drukking zouden hebben geconstateerd, en de heer W. F. Jacques, voorzitter van de afdeling Amstelveen van de Nederlandse Dierenbescherming, uit wiens in het artikel weergegeven woorden echter blijkt dat hij niet zelf misstanden heeft geconstateerd.
Naar het oordeel van de Raad is het duidelijk dat het artikel aldus ver beneden het maatschappelijk nog aanvaardbare blijft. Dit wordt niet anders door de nadien door de betrokkene voor het artikel gegeven motivering, inhoudende dat de redactie van het Amstelveens Nieuwsblad uitsluitend gemeend heeft de stelling van de Nederlandse Hippische Sportbond te moeten onderschrijven waar het gaat om het kiezen van een verantwoorde manege welke moet voldoen aan een aantal richtlijnen.
Het had niet alleen op de weg van betrokkene gelegen publicatie van het artikel achterwege te laten doch ook, nadat de publicatie had plaatsgevonden, en nadat daarop van diverse zijden, onder meer door voornoemde heer Jacques, in voor klager zeer positieve zin was gereageerd, een royale rectificatie te publiceren, teneinde de schade voor klager nog zoveel mogelijk te beperken. Het verkort weergeven van de ingezonden brief van de dochter van klager was hiertoe ten enen male onvoldoende.

BESLISSING

Door het publiceren van het artikel heeft betrokkene de grenzen overschreden van hetgeen, mede gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

Aldus vastgesteld ter zitting van 22 mei 1980 door mr H. B. Vroom, voorzitter, ing. O. Postma, mw mr T. Faber-de Heer, drs H. W. M. van Run, K. Wiese, in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 6.