1980/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mw M. Heling-Bronk tegen Het Parool.

De raadsman van mw M. Heling-Bronk (klager) heeft bij brief van 25 juli 1979 een klacht ingediend bij de Raad tegen de hoofdredacteur van Het Parool (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze klacht behandeld ter zitting van 8 mei 1980. Hier zijn verschenen mw M. Heling-Bronk, mr H.W. Sandberg en mr W.C. van Manen.

DE KLACHT

De klacht betreft de publicatie in Het Parool van 17 mei 1979 onder de titel "Herstemming wijzigt raad Groesbeek". De publicatie gaat over de gemeenteraadsverkiezingen in de gemeente Groesbeek. In het artikel komt de volgende passage voor:

"In de verkiezingsstrijd werd zonder pardon op de persoon gespeeld, met name door de dorpslijsten. Plaatselijke politieke thema's lijken er niet te zijn. De werkloosheid is weliswaar fors, en de woningnood groot, maar het gesprek van de dag gaat over de weigering van Jozef de Man zich te laten afficheren op verkiezingsborden waarop ook het hoofd van een bepaalde politieke tegenstander prijkt. Of over de felle ingezonden brieven waarmee de lijsttrekkers elkaar in de krantenkolommen bestoken. Of over de wethouder van sociale zaken, die ervan wordt beschuldigd onder één hoedje te spelen met de zwartwerkers."

Met name tegen deze laatste zin is de klacht gericht. Klager was in de periode waarop de publicatie betrekking heeft wethouder van sociale zaken van de gemeente Groesbeek en zij is overigens ook door de raad in nieuwe samenstelling tot wethouder gekozen. Klager voelt zich door evenbedoelde zin gegriefd en in haar eer en goede naam aangetast. Inhoudelijk betekent de lasterlijke beschuldiging: medeplichtigheid of tenminste begunstiging van sociale verzekeringsfraude. Ook al wordt de naam niet genoemd, door de omschrijving van de functie wordt de identiteit prijsgegeven. Klager neemt het de betreffende journalist het meest kwalijk dat hij niet eens een poging heeft ondernomen om de beschuldiging bij klager te verifiëren door haar de gelegenheid te gunnen erop te reageren. Aan het bovenstaande doet niet af dat deze beschuldiging is weergegeven in een breder kader dat aangeeft dat de verkiezingsstrijd in Groesbeek op de persoon wordt gespeeld.
Klager heeft van betrokkene rectificatie geëist inhoudende de erkenning dat de gewraakte passage niet gepubliceerd had mogen worden en dat zij niet op haar juistheid is geverifieerd. Betrokkene heeft aan deze eis geen gevolg gegeven doch aangeboden een ingezonden stuk te willen plaatsen. Hiermede heeft klager geen genoegen genomen.

VERWEER

Betrokkene wijst op het karakter van het artikel en op de kontekst waarbinnen de gewraakte zin is afgedrukt. Alleen al de zinsbouw van de door klager aangegeven zin wijst erop dat deze zin niet op zichzelf staat. De kontekst is te vinden in de zin luidende:

"In de verkiezingsstrijd werd zonder pardon op de persoon gespeeld."

Daarvan wordt dan vervolgens in het artikel een aantal voorbeelden gegeven. Eén van die voorbeelden is de door klager bedoelde beschuldiging.
Dat betekent dat die passage moet worden gelezen - en in feite ook alleen maar kan worden gelezen - in verband met de duidelijk tot uitdrukking gebrachte bedoeling om aan te geven dat de Groesbeekse verkiezingsstrijd een in allerlei opzichten weinig verheffend beeld vertoonde. De vermelding van omstandigheden en uitlatingen die daarop wijzen zegt iets over de kwaliteit van de verkiezingscampagne maar niet over de vraag of geuite beschuldigingen materieel juist of onjuist zijn. Naar de mening van betrokkene behoort een verwijzing naar de verschijnselen zoals in het artikel aangegeven wel degelijk thuis in een behoorlijke rapportage over de gevoerde verkiezingscampagne.

ZITTING

Ter zitting licht klager toe dat de beschuldiging dat zij onder één hoedje speelde met de zwartwerkers voor haar als een totale verrassing kwam. De plaatselijke verhalen over haar gingen een hele andere kant op,namelijk dat zij zelf aan de grenspost zou hebben gezeten om zwartwerkers te betrappen en dat men haar daarom in het ziekenhuis had geslagen. Klager was er nogal door getroffen dat de beschuldiging, die zij nog nooit tevoren van wie dan ook had vernomen, in een landelijke krant verscheen, zonder dat zij zich daartegen kon verweren. Zij heeft ook schadelijke gevolgen van deze publicatie ondervonden in de vorm van een groot aantal telefoontjes. Klager meent dat de journalist haar had behoren te vragen wat er van de betreffende uitlatingen waar was. Zij had de kwestie graag met degenen die haar beschuldigden willen uitpraten. Klager heeft geen genoegen genomen met het aanbod van een ingezonden stuk omdat zij van mening is dat het corrigeren van de gewraakte passage diende te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de redactie en derhalve niet in een ingezonden brievenrubriek waarvoor de redactie geen verantwoordelijkheid draagt. Betrokkene zegt bij de betreffende journalist te hebben nagevraagd op welke wijze hij zich georiënteerd had in verband met deze publicatie. De journalist heeft een paar dagen in Groesbeek rondgelopen en daar met allerlei mensen over de verkiezingscampagne gesproken onder andere met een aantal lijsttrekkers. De journalist trok uit de op deze wijze verkregen informatie als meest opvallende conclusie dat de verkiezingsstrijd in Groesbeek zo op de persoon wordt gespeeld. In zijn als een sfeerverhaal te kenschetsen artikel geeft hij een paar door hem uit de mond van enkele personen opgetekende voorbeelden daarvoor aan. Betrokkene wijst erop dat dit artikel noch de eerste noch de enige landelijke publicatie over Groesbeek, de verkiezingsstrijd en het probleem van de zwartwerkers is. Betrokkene kan zich goed indenken dat personen in Groesbeek uit het probleem van de zwartwerkers en de houding van het gemeentebestuur zich de mening als gepubliceerd hebben gevormd. Betrokkene stelt dat de gepubliceerde beschuldiging in Groesbeek werd gehoord en het dus niet onjuist is deze te publiceren. Evenmin is de vorm waarin deze beschuldiging is weergegeven onredelijk te achten. Er was derhalve geen enkele reden noch mogelijkheid om tot rectificatie over te gaan. Desgevraagd zegt klager dat de verkiezingsstrijd naar haar mening helemaal niet zo fel op de persoon gespeeld werd. Op de vraag of zij de andere daarvoor in het artikel aangegeven voorbeelden herkent,antwoordt klager dat dit uitsluitend het geval is met het voorbeeld van Jozef de Man. Overigens wijst zij erop dat in kleinere gemeenschappen de persoon in politieke campagnes veel meer op de voorgrond staat dan in grotere steden. Het gaat echter niet aan de sfeer in Groesbeek op te hangen aan één persoon.

OVERWEGINGEN

De Raad is van mening dat een verhaal dat een sfeer weergeeft, zoals het onderhavige, op zich relativerend van aard is. De gewraakte zinsnede moet binnen dit relativerende kader worden bezien. Het gaat hier niet om een feitelijke constatering maar om het weergeven van een bewering die de journalist heeft vernomen. De Raad is van oordeel dat deze passage binnen de betreffende kontekst niet ongeoorloofd is. Aangezien het niet onaannemelijk is, dat aan de betrokken journalist inderdaad is meegedeeld hetgeen tot uitdrukking is gebracht in de zin waartegen de klacht zich met name richt, behoefde betrokkene reeds hierom niet in te gaan op de eis tot rectificatie.
Het heeft de Raad verbaasd dat klager eerst geruime tijd na de publicatie zich via haar advocaat tot betrokkene heeft gericht met de eis tot rectificatie. De Raad is van mening dat een eis tot rectificatie of tot het opnemen van een ingezonden brief naar aanleiding van een publicatie op zeer korte termijn aan de redactie behoort te worden bekend gemaakt wil dit verlangen volgens journalistiek aanvaardbare maatstaven ingewilligd kunnen worden. De Raad meent dat klager genoegen had moeten nemen met de bereidverklaring van betrokkene om - nog geruime tijd na de publicatie - een ingezonden stuk van klager op te nemen.
Meer in het algemeen merkt de Raad op dat een ingezonden brief die op de redactionele inhoud van een artikel betrekking heeft, rectificerende elementen kan behelzen. Het feit dat een brief met dergelijke elementen door de redactie wordt geplaatst, ook al staat de redactie niet geheel achter de inhoud daarvan, houdt in dat de redactie een zekere verantwoordelijkheid daarvoor op zich neemt. De verantwoordelijkheid van de redactie voor brieven die op de redactionele inhoud van de krant betrekking hebben is groter dan de verantwoordelijkheid die de redactie voor de inhoud van andere ingezonden stukken die zij plaatst. Naar de mening van de Raad kan de redactie nimmer haar verantwoordelijkheid voor het opnemen van ingezonden stukken volledig uitsluiten. Voor rectificatie door de redactie is slechts reden indien er sprake is van een min of meer ernstige feitelijke onjuistheid of onvolkomenheid in een publicatie.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

Aldus vastgesteld ter zitting van 8 mei 1980 door mr R. de Waard, plvv. voorzitter; mw mr T. Faber-de Heer, D. Houwaart, R. Schoonhoven en K. Wiese in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 4.