1980/3 deels gegrond

Hoogovens contra de VARA

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Hoogovens IJmuiden BV tegen de VARA

De Hoogovens lJmuiden bv (klager) heeft bij brief van 24 april 1979 een klacht ingediend tegen de VARA (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend waarop repliek is gevolgd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze klacht, in onvolledige bezetting doch met instemming van partijen, behandeld ter zitting van 8 april 1980. Hier zijn verschenen voor klager de heren prof. mr. M. M. Mende, G. A. Derkzen en M. C. F. van der Vlis en voor betrokkene mr. R. H. L. Post, mw mr. M. A. Goslings. mw. H. van Gennep en mw. M. de Vries.

DE KLACHT

De klacht betreft de televisieuitzending van betrokkene op 15 februari 1979 in de serie uitzendingen onder de titel "Werk".In deze uitzending wordt Hoogovens met name genoemd en worden filmbeelden van gedeelten van haar bedrijf getoond. Klager is van oordeel dat de uitzending een ernstig beschuldigend karakter jegens haar had en acht zich daardoor benadeeld.
In de uitzending zijn omtrent de werkomstandigheden bij klager een aantal ernstige beschuldigingen geuit die onwaar dan wel misleidend zijn. Onwaar is onder meer de mededeling dat in de afdeling van haar werknemer die in de uitzending wordt geïnterviewd niemand de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar haalt omdat men voor die tijd om gezondheidsredenen is uitgeschakeld. Deze mededeling is aantoonbaar pertinent onjuist. Een misleidende mededeling tijdens de uitzending was bijvoorbeeld dat op het bedrijf van klager niet mocht worden gefilmd. De waarheid was dat klager wel toestemming voor het maken van filmopnames wilde geven mits zij het hare op het punt van de arbeidsomstandigheden naar voren mocht brengen in de uitzending. Deze mededeling omtrent het niet mogen filmen, die meermalen in de uitzending werd herhaald. versterkte de andere zowel expliciet als impliciet voorkomende beschuldigingen. Dit omdat voor de hand lag dat de kijkers uit de gehele kontekst de onjuiste conclusie zouden trekken dat klager zeker veel te verbergen had. Dit werd nog eens versterkt door de geïnterviewde de vraag voor te leggen of hij enig idee had waarom in zijn bedrijf niet mocht worden gefilmd, waarop deze de boven weergegeven conclusie verwoordde.
De uitzending wekt de suggestie dat voor klager de veiligheid van haar werknemers slechts de sluitpost zou zijn in haar door cynisch winstbejag bepaald gedragspatroon. Deze suggestie wordt opgeroepen door de montage van beelden van klagers bedrijf, de muziek, kleur- en kontrastwerking en met name door de weergegeven tegenstelling ten opzichte van een ander bedrijf waar de arbeidsomstandigheden als ideaal w orden geschetst.
Betrokkene heeft voorts nagelaten de juistheid van de mededelingen van de geïnterviewde werknemer van klager bij haar te verifiëren. Nu klager evenmin de gelegenheid werd geboden haar visie weer te geven heeft betrokkene het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor met voeten getreden.
Klager wijst ten bewijze van suggestieve uitwerking van de uitzending op de verontwaardigde reacties van haar werknemers en op de conclusies die in de persbeschouwingen over deze uitzending zijn getrokken.

VERWEER

Betrokkene voert aan dat de aard van de serie uitzendingen over "Werk" van groot belang is voor de beoordeling van de betreffende uitzending door de Raad. Centraal in deze serie uitzendingen staan de subjectieve belevingen van mensen in verschillende arbeidsomstandigheden. In de inleiding tot de bewuste uitzending wordt gesproken over de slechte verdeling van het werk, over gevoelens van onveiligheid, angst en spanning op het werk en over de gevolgen van dit laatste. Tevens wordt de vraag naar mogelijke alternatieven opgeworpen. Bij de voorbereidingen van deze uitzending hebben de samenstellers uitvoerig kontakt gehad metklager. Klager bleek niet bereid om toestemming te verlenen om de betreffende werknemer in zijn werkomstandigheden te filmen. zoals gebruikelijk in deze serie. Deze toestemming werd slechts verleend indien klager een weerwoord in de uitzending zelf zou krijgen. Een weerwoord van de zijde van de directie van het bedrijf paste echter totaal niet in de opzet van het programma. In geen van de vier uitzendingen van deze serie kwam een directie aan het woord. Klager hield echter onverkort vast aan deze eis.
Ter verklaring van het ontbreken van filmbeelden over de werkomstandigheden van de werknemer van klager werd in het inleidend commentaar gezegd: "In het bedrijf van Jaap Niesten mochten we niet filmen, Niesten werkt bij Hoogovens maar dat staat niet centraal. Centraal staan de arbeidsomstandigheden. Van hem. Van anderen."
Betrokkene stelt geen journalistieke verantwoordelijkheid te dragen voor de door klager gewraakte mededeling van klagers werknemer dat de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar in zijn afdeling niet wordt bereikt. Betrokkene heeft deze mededeling door de verbaasde reactie van de interviewster door de werknemer zelf doen afzwakken. De werknemer zei daarna dat hij zelf in elk geval in zijn afdeling geen collega kende die de pensioengerechtigde leeftijd had gehaald.
Het beginsel van hoor en wederhoor is niet van toepassing op progamma's die opiniërend van aard zijn, stelt betrokkene.
Het heeft betrokkene overigens verbaasd dat klager geen gebruik gemaakt heeft van de haar geboden mogelijkheid in een tv-uitzending van een andere omroep haar visie over de gewraakte uitzending te
geven.

ZITTING

Na vertoning van de film licht betrokkene ter zitting toe dat klager in feite twee bezwaren in haar klacht tegen de uitzending naar voren brengt, inhoudende:
"er mocht niet gefilmd worden en niemand haalt zijn 65e."
Wat het eerste betreft betoogt klager, zo stelt betrokkene, dat aan deze mededing had moeten worden toegevoegd onder welke voorwaarde wél gefilmd mocht worden bij klager. Betrokkene is van mening dat deze toelichting van haar zijde naar haar mening niet gunstiger zou hebben uitgewerkt dan de in de uitzending gedane korte zakelijke mededeling.
Klager beroept zich. in haar repliek, op het beginsel van hoor en wederhoor ter rechtvaardiging van de door haar aan het filmen op haar bedrijf verbonden voorwaarde. Betrokkene merkt daaromtrent op dat dit beginsel wel geldt voor de geschreven pers doch slechts voor de omroep in de beperkte zin van artikel 38 Omroepwet, luidende: "Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen kan ter zake van onjuiste of door onvolledigheid misleidende mededeling van gegevens vanfeitelijke aard in een door haar gedane uitzending worden verplicht tot uitzending van een rectificatie op vordering van een rechtstreeks bij de mededeling betrokkene indien deze een voldoende belang hij de rectificatie heeft."

Betrokkene betoogt dat slechts met dit rectificatierecht beoogd is een rectificatiemogelijkheid achteraf te geven en niet in dezelfde uitzending.
Wat betreft de mededeling van klagers werknemer dat niemand zijn 65e haalt zegt betrokkene dat dit een subjectieve, en als zodanig kenbare, mededeling van deze werknemer betreft, voor de inhoud waarvan zij niet aansprakelijk is.
Dit zou wellicht anders zijn geweest ingeval er zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van klager zouden geuit en deze beschuldigingen in de criminele sfeer zouden liggen. Daarvan kan ten deze echter geenszins worden gesproken. Betrokkene merkt overigens nog op dat klager geen verzoek tot rectificatie na de uitzending tot haar heeft gericht. Klager stelt ter zitting dat de uitzending een onwaar en misleidend beeld van haar bedrijf geeft door haar af te beelden als een bedrijf waar met de belangen van de werknemers wordt gesold. Dit beeld wordt vooral ook opgewekt door de geschetste tegenstelling met het bedrijf Breman, waar nu juist WAO-ers weer eens kans krijgen.
Achter op opmerking "niemand haalt zijn 65e" ligt kennelijk de gedachte ten grondslag dat het verdwijnen in de WAO gelijkgesteld wordt met het verdwijnen uit het bedrijf van klager. Klager geeft ten bewijze van het tegendeel de volgende cijfers over haar bedrijf in 1974: 6 procent van de werknemers die in de WAO zitten komt binnen een jaar terug; 26,5 procent komt niet meer terug; 56,8 procent komt gedeeltelijk terug en voor 10.7 procent is de prognose onduidelijk.
Voorts merkt klager op dat zij met de vakbonden regelingen heeft getroffen die een vrijwillig vervroegde pensionering mogelijk maken. Het lijkt er op of dit tegen haar wordt gebruikt. Betrokkene is er naar de mening van klager voetstoots vanuit gegaan dat in klagers bedrijf slechte arbeidsomstandigheden heersen.
Klager zegt dat betrokkene uitsluitend haar eigen maatschappijvisie in de uitzending naar voren wilde brengen. Daarin paste geen toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. De opmerking van betrokkenen dat dit beginsel niet geldt voor de omroep, behoudens uitlatingen in de criminele sfeer, heeft klager ten zeerste verbaasd, Overigens acht klager de beschuldiging dat zij haar werknemers laat creperen wel degelijk van criminele aard. Het ging er klager overigens niet om in de uitzending zelf aan bod te komen. Wel diende de informatie naar haar mening bij haar te worden gechecked. In de hele uitzending komt geen enkele distantie of relativering van betrokkene ten aanzien van de uitlatingen van klagers werknemer voor. Betrokkene maakt, naar de mening van klager, door het middel van de herhaling, de montage van de beelden en het geluid deze mededelingen juist tot de hare.
Klager deelt mee bewust deze klacht aan de Raad en niet aan de burgerlijk rechter te hebben voorgelegd. Een uitspraak over de geoorloofdheid in journalistieke zin van deze uitzending acht zij van meer belang dan een mogelijke schadeloosstelling.

OVERWEGINGEN

Wat de gewraakte mededing in de inleiding van de uitzending over het filmverbod betreft is de Raad van oordeel dat betrokkene zich tot deze strikt feitelijke mededeling mocht beperken.
De Raad is echter van mening dat betrokkene laakbaar onzorgvuldig heeft gehandeld door de geïnterviewde werknemer te vragen waarom er naar zijn mening niet gefilmd mocht worden, Betrokkene wist het antwoord immers en gaf bovendien geen enkele aanvulling op de achtergrond van het filmverbod.
Een programma dat sterk opiniërend van karakter is en voornamelijk subjectieve meningen weergeeft acht de Raad volstrekt legitiem. De mededeling van de werknemer "niemand haalt zijn 65e" is echter naar de mening van de Raad als een feitelijkheid gepresenteerd. Het had op de weg van betrokkene gelegen deze ernstige beschuldiging op zijn juistheid te toetsen. Te meer nu betrokkene door de herhaling van deze mededeling aan het einde van de uitzending deze tevens tot de hare maakte.
Het beginsel van hoor en wederhoor is uitgebreid door partijen aan de orde gesteld. De Raad wil daaromtrent het volgende opmerken:
Het beginsel van hoor en wederhoor is een goed journalistiek beginsel maar het bestaat niet in de absolute zin die klager kennelijk daaraan toekent. Dit journalistiek beginsel vindt zijn grondslag in de journalistieke plicht de meest juiste feiten te publiceren. Wederhoor is slechts één van de mogelijkheden om aan deze plicht te voldoen. Of en in welke mate de journalist gehouden is tot wederhoor hangt af van de omstandigheden.
De Raad is overigens van mening dat klager, door aan haar toestemming waaronder mocht worden gefilmd de eis te stellen om zelf in de uitzending aanbod te komen, andere mogelijkheden om haar doel - het zonodig geven van commentaar op feitelijke onjuistheden - te bereiken heeft geblokkeerd.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat het programma in zijn totaliteit zeker voldoet aan de normen van goede journalistiek. De Raad spreekt echter als zijn oordeel uit dat betrokkene op de twee hierboven aangegeven punten van de vraag naar het filmverbod en de mededeling dat niemand zijn 65e haalt tekort geschoten is in het betrachten van de vereiste journalistieke zorgvuldigheid.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 april 1980 door mr H. B. Vroom, voorzitter, mw mr T. Faber-de Heer, drs H. W. M. van Run, mr F. Kuitenbrouwer in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 3.