1980/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van dr W. Veenhoven tegen Elseviers Magazine.

Bij brief van 21 augustus 1979 heeft de raadsman van dr W. Veenhoven (klager) een klacht ingediend, mede namens de Raad van Bestuur van de Stichting Plurale Samenlevingen, tegen dr F.A. Hoogendijk, hoofdredacteur van Elseviers Magazine (betrokkene). Nadat betrokkene daarop had gereageerd en klager had gerepliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de klacht behandeld ter zitting op 6 maart 1980 waar zijn verschenen dr W. Veenhoven en zijn raadsman mr L. van Heyningen alsmede dr F.A. Hoogendijk, J.H. Dories, mr Ekker en C. van Harten.

KLACHT.

De klacht richt zich tegen het artikel in Elseviers Magazine van 18 augustus 1979 onder de koppen "Affaire" en "De infiltraties in Europa". In dit artikel, dat werd geschreven naar aanleiding van een aantal gesprekken van betrokkene met dr E. Rhoodie, komen omtrent klager en de door hem voorgezeten Stichting Plurale Samenlevingen de volgende onjuistheden voor.

1) Ten onrechte wordt verband gesuggereerd tussen de Stichting Plurale Samenlevingen en de in het artikel genoemde Stichting Beheercentrum, waarvan in de publicatie wordt vermeld dat deze een fiks bedrag ontving van Rhoodie. Er is nooit enig verband tussen beide stichtingen geweest en klager heeft bij de laatstgenoemde stichting nooit enige functie vervuld.

2) Ten onrechte wordt gesteld dat Martinus Nijhoff de distributie verzorgde van de vijfdelige boekenserie van de Stichting Plurale Samenlevingen. Deze uitgever had zich contractueel gebonden de boekenserie zelf en voor eigen rekening uit te geven. Betrokkene had beter kunnen weten want Elseviers Wetenschappelijke Uitgeverij B.V., een dochter- of zustermaatschappij van de uitgeefster van Elseviers Magazine, heeft bij brief van 22 januari 1975 zelf aangeboden de uitgave van deze boekenserie te verzorgen.

3) Ten onrechte wordt gesteld dat dr Veenhoven "propagandist van de R.K.P.N." is geweest. Bovendien rijst de vraag waarom klager met het denigrerende woord "ex-leraar" wordt aangeduid. Klager heeft in tegendeel een eervolle, briljante staat van dienst achter zich en is op normale wijze gepensioneerd.

4) In strijd met hetgeen wordt gesuggereerd, bestaat er geen enkele relatie tussen de Stichting Plurale Samenlevingen en het "Institute for the Study of Plural Societies" in Pretoria. Kennelijk om deze suggestie te versterken wordt de stichting aangeduid met de Stichting ter Bestudering van Plurale Samenlevingen in strijd met de naam die zij officieel voert, te weten Stichting Plurale Samenlevingen.

5) De in het artikel geciteerde beweringen in de Sunday Times zijn onjuist en zijn door klager ook steeds publiekelijk met klem ontkend, onder meer in de publicatie in Vrij Nederland van 23 juli 1977. Kennelijk heeft betrokkene het laatste niet vermeld in het kader van de ongegronde stemmingmakerij die dit artikel kenmerkt.

6) Gesproken wordt over "het wereldwijd verspreide tijdschrift Plural Societies", het kwartaalblad van de stichting. Dit suggereert, in strijd met de werkelijkheid, grote financiële uitgaven en een grote verspreiding. De oplage betreft slechts 800 exemplaren die voornamelijk naar universiteitsbibliotheken worden verstuurd.

7) In de stichting zou klager "een aantal historici, sociologen, enz. met veel vertrouwen in de apartheidspolitiek verzameld hebben". Dit suggereert dat de stichting op enigerlei wijze met het ZuidAfrikaanse bewind heeft of had te maken. De vaste medewerkers aan het blad zijn juist zeer gevarieerd van opvatting. Alleen dr Veenhoven staat positief ten opzichte van het tot nu toe in Zuid-Afrika gevoerde beleid van afzonderlijke ontwikkeling. Het is dan ook onjuist dat in het blad gepleit wordt voor een "gescheiden ontwikkeling".

8) Ten onrechte wordt gesuggereerd dat de verschijning van het boek "Het recht op apartheid" van drs W.J. Bruyn, abusievelijk aangeduid als dr W.J. Bruyn, de oorzaak is geweest van zijn uittreden uit de stichting. Dit boek was voor de oprichting van de stichting reeds verschenen. Betrokkene heeft nagelaten klager te horen omtrent de in het artikel gedane beweringen en diens tegenspraak en/of weerleggingen op te nemen. Daarnaast blijkt uit het artikel niet wat dr Eschel Rhoodie heeft gezegd en wat niet. Dit acht klager onzorgvuldig. Betrokkene had voorzichtiger en terughoudender moeten zijn bij het weergeven van uitlatingen van dr Eschel Rhoodie, gelet op diens praktijken. Betrokkene schetst ten onrechte een onjuist beeld van klager en de stichting door bepaalde mededelingen die hij wist, althans had dienen te weten, achterwege te laten. Op het verzoek tot rectificatie, gedaan bij brief van 17 augustus 1979 is betrokkene niet ingegaan.

VERWEER

Tijdens gesprekken van betrokkene met dr Eschel Rhoodie bleek dat de Nederlandse samenleving betrokken was geraakt bij de propaganda-campagne van het Zuid-Afrikaanse Ministerie van Voorlichting, dat destijds onder leiding stond van dr Rhoodie. Dit was, mede gelet op de redactionele formule van Elseviers Magazine, aanleiding tot een zo volledig mogelijke weergave van het geen dr Rhoodie over deze Nederlandse betrokkenheid meedeelde. Het artikel is een weergave van het verhaal van dr Rhoodie en voorzover specifieke individuen of organisaties daarin ter sprake kwamen is zorgvuldig afgewogen of deze door het gestelde wellicht ten onrechte op onrechtvaardige wijze in diskrediet werden gebracht c.q. hun schade werd berokkend Eerst nadat deze afweging tot de overtuiging leidde dat de gangbare en vereiste journalistieke zorgvuldigheid in acht genomen was, en na zelfs gedegen juridisch advies te hebben ingewonnen, werd tot publicatie overgegaan. De omvang en gedetailleerdheid van de door dr Rhoodie verschafte informatie en het belang van een niettemin toch zo volledig mogelijke publicatie maakte het de redactie onmogelijk alle in het artikel voorkomende personen zelf naar hun opinie te vragen. Het gestelde door dr Rhoodie werd steeds gechecked door eigen informatie of inlichtingen van derden. Met klager is voor de publicatie geen contact opgenomen omdat betrokkene meende dat hij over voldoende "harde" informatie beschikte en van oordeel was dat afweging van het algemeen belang en het belang van klager er niet toe kon leiden dat publicatie achterwege mocht blijven.
Puntsgewijze merkt betrokkene nog het volgende op ten aanzien van het door klager gestelde. Er bestaat wel degelijk verband tussen de Stichting Plurale Samenlevingen en de Stichting Beheercentrum. De laatste trad namelijk op als administratiekantoor van de eerste, zoals blijkt uit administratieve bescheiden en zoals betrokkene door vier bronnen is bevestigd. De zinsnede "Martinus Nijhoff verzorgde de distributie" is correct. De publicatie is geheel gefinancieerd door de Stichting Plurale Samenlevingen, zoals betrokkene door drie bronnen is bevestigd. De heer Veenhoven heeft lezingen gehouden op vergaderingen van de RKPN, waarvan hij lid was; dit kan als propaganda worden aangegeven. Het denigrerende van de aanduiding ex-leraar ontgaat betrokkene. In het artikel wordt niet ingegaan op een eventuele relatie tussen de stichting en het Institute for the Study of Plural Societies in Pretoria. Het enige dat in het artikel staat is: "Eschel Rhoodie's broer, dr Nic Rhoodie leidt een parallelle organisatie in Zuid-Afrika". Niet ontkend kan worden dat deze beide instellingen vergelijkbaar zijn. Overigens blijkt er wel degelijk een relatie tussen beiden te bestaan. Wanneer een gezaghebbende krant als de Sunday Times een interessante vraag stelt is het dienstig daar melding van te maken. Het artikel in Vrij Nederland was bij betrokkene op dat moment niet bekend. Betrokkene beschikt over informatie waaruit blijkt dat de oplage van het blad aanzienlijk hoger is dan de gestelde 800 exemplaren. Overigens kan ook een blad met beperkte oplage wereldwijd verspreid zijn. Uit het artikel "Plural Societies and the Ethics of Publishing", geschreven door gezaghebbende wetenschapsmensen blijkt dat hetgeen betrokkene schreef over de samenstelling van de redactie van het blad en het vrij eenzijdige pleidooi daarin voor een "gescheiden ontwikkeling" juist is. Dit artikel is aan de Raad overgelegd. De reden voor het vertrek van drs Bruyn was niet de publicatie van zijn boek, maar wel de inzichten waarvan hij reeds in die publicatie blijk gaf. Hoewel betrokkene niet aarzelt om indien daartoe aanleiding bestaat een rectificatie of weerwoord te plaatsen, is hij van mening dat er in dit geval geen aanleiding bestond voor een rectificatie. Dit omdat hij ervan overtuigd was en is dat het gepubliceerde de toets van kritiek kan doorstaan en de journalistieke zorgvuldigheid meer dan in acht is genomen.

ZITTING.

-Door betrokkene wordt ter zitting toegelicht dat hij gedurende 10 dagen met dr Rhoodie heeft gesproken en in deze gesprekken veel informatie over o.a. de betrokkenheid van Nederland bij de propaganda-campagne voor Zuid-Afrika heeft verkregen. Een aantal journalisten van Elseviers Magazine heeft naar aanleiding van deze informatie in Nederland op verzoek van betrokkene verdere research gepleegd. Met een aantal mensen, die goed op de hoogte waren, Is gesproken. Betrokkene biedt de Raad aan de bronnen aan de leden van de Raad bekend te maken, mits de tegenpartij daar geen kennis van krijgt in verband met mogelijke represailles.
-Klager merkt op het uitgesloten te achten dat dr Rhoodie de informatie waarover wordt geklaagd zou hebben kunnen geven. Daarvoor was de afstand veel te groot.
-Betrokkene stelt daarop dat dr Rhoodie wekelijks vanuit Nederland een rapport over de situatie kreeg. Hij onderhield zeer goede betrekkingen met de inlichtingendiensten.
-Overigens is klager van mening dat een beroep op bronnen die de journalist niet wenst te noemen niet kan worden geaccepteerd als valide bewijs van zorgvuldigheid. Klager zegt dat de Stichting Beheerscentrum uitsluitend op administratief gebied diensten verleende aan de Stichting Plurale Samenlevingen en meer beslist niet.
-Betrokkene stelt hiertegenover dat hij beschikt over stukken en bronnen waaruit duidelijk blijkt dat de Stichting Beheercentrum gelden ontving van dr Rhoodie er op haar beurt gelden deed toekomen aan de Stichting Plurale Samenlevingen, zulks teneinde publicaties over Zuid-Afrika en de apartheidspolitiek mogelijk te maken.
-Desgevraagd zet klager uiteen dat de doelstelling van de Stichting Plurale Samenlevingen is het uitgeven van wetenschappelijke uitgaven die betrekking hebben op de plurale structuur in samenlevingen en sociale, ethische, linguistische of godsdienstige tegenstellingen betreffen. Alles wat universitair niveau heeft wordt, naar klagers zeggen, gepubliceerd, ook wanneer het kritisch staat ten opzichte van Zuid-Afrika. Meestal wordt tegenover de visie van de een, die van een ander gesteld. Het blad heeft duidelijk een podiumfunctie. In 1970 werd begonnen met de uitgave. Thans zijn er zo'n 500 abonnees, worden 100 tijdschriften verkocht en worden er nog 200 gratis verspreid. De kosten worden niet gedekt via inkomsten uit dit tijdschrift en het tekort van + f 20.000,= wordt bij elkaar gebedeld. De problematiek is dermate van belang dat deze een apart tijdschrift wettigt, zo vindt klager. Klager is hoofdredacteur van het blad, maar over het opnemen van artikelen wordt beslist door de redactieraad waarvan behalve klager deel uitmaken prof Prins en dr A. Stam.
Wat het overgelegde artikel van de wetenschappers betreft merkt klager op dat prof.Prins een artikel tegen de daarin verkondigde stellingen heeft geschreven. De wetenschappers hebben stemming tegen het blad willen maken. Zij zijn zelfs door ar)deren, zoals ze zelf schrijven, beschuldigd van Mc Carthianisme. Het artikel heeft zijns inziens ook geen wetenschappelijk niveau.
De parallelle organisatie van de Stichting Plurale Samenlevingen is volgens klager opgericht in navolging van zijn stichting. Klager noemt in dit verband het woord plagiaat. Klager zegt gewoon lid te zijn van de RKPN en één keer een lezing te hebben gehouden voor deze partij. Het woord propagandist is hier niet op zijn plaats.
Ten aanzien van Martinus Nijhoff merkt klager op dat deze geheel voor eigen rekening de boekenserie op de markt bracht. Desgevraagd geeft klager toe voor public relations doeleinden 5000 exemplaren te hebben afgenomen omdat het adverteren zo kostbaar was.
Klager is van mening dat het artikel qua inhoud en opmaak een bewust vertekend beeld van, met name de Stichting Plurale Samenlevingen geeft door onbehoorlijke en onjuiste mededelingen en het weergeven van halve waarheden. Bovendien heeft betrokkene uitsluitend op dr Rhoodie's uitlatingen gevaren. Bewust is getracht de Stichting Plurale Samenlevingen zwart te maken. Zwart bedoeld in oud-hollandse betekenis. Bovendien is klager nooit benaderd. Betrokkene merkt op zich, zoals eerder gesteld, terdege te hebben vergewist van de juistheid van hetgeen gepubliceerd werd en het belang van klager en de stichting zeer zorgvuldig te hebben afgewogen tegen het belang van publicatie.

OVERWEGINGEN.

De Raad is van oordeel dat met uitzondering van de titelaanduiding van de heer W.J. Bruyn, klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de publicatie feitelijke onjuistheden staan.
Betrokkene heeft daarentegen de Raad kunnen overtuigen van de zorgvuldigheid waarmee de publicatie is opgesteld. De Raad vindt voor de mening van klager dat de Stichting Plurale Samenlevingen en klager zelf in dit artikel zijn "zwart gemaakt" onvoldoende steun in hetgeen klager daaromtrent naar voren heeft gebracht. Op het aanbod van betrokkene om alleen aan de leden van de Raad zijn bronnen bekend te maken kon en wenste de Raad niet in te gaan, gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad, inhoudende dat de journalist zijn bronnen dient te beschermen.

BESLISSING.

De Raad wijst de klacht af.

Aldus ter zitting van 6 maart 1980 vastgesteld door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter, mw M. Zeldenrust-Noordanus, D. Houwaart, K. Wiese en mw T. Lücker in aanwezigheid van mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 2.