1980/17 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer De Jong tegen de heer Kerkhof

De heer P. de Jong (klager) heeft bij brief van 29 juni 1980 een klacht ingediend tegen de heer B. Kerkhof (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en klager daarop had gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 18 december 1980 ter zitting behandeld. Zijdens klager zijn verschenen de heren P. de Jong en E.J. Holtrop en zijdens betrokkene de heren B. Kerkhof en P. Hagtingius.

KLACHT

De klacht is gericht tegen de publicatie van betrokkene in de Panorama van 6 juni 1980 onder de titel: "En het paard is dood....". Het betreft een fotoreportage met begeleidende tekst over een ongeval tijdens een rijles met een paard dat daarna moest worden afgemaakt. Klager stelt dat het artikel op tal van punten in strijd is met de werkelijkheid. Tevens is het zo tendentieus en zodanig naar een bepaalde conclusie toegeschreven dat de lezer wel de indruk moet krijgen dat klager een dierenmis-
handelaar is die liever een dier op wrede wijze laat sterven dan een financiële strop te halen.

In de publicatie wordt gesuggereerd dat de rijles op het strand na een storm onverantwoordelijk was. Het strand zou namelijk bezaaid geweest zijn met gevaarlijke obstakels. Dit is in het geheel niet het geval geweest, zo stelt klager. Op de foto's is daarvan ook niets te zien.

Tijdens de rit struikelde het paard dat door de zoon van klager werd bereden en brak daarbij de beide voorbenen. Klager liet onmiddellijk hulp halen. Terwijl klager wachtte verscheen een jongeman die aan klager vroeg of hij het paard zou verdoven. Deze jongeman bleek later iemand van de dierenambulance te zijn. Hij zou zich echter niet als zodanig bij klager hebben aangediend op dat moment. Omdat het paard uiterst rustig was oordeelde klager een verdoving niet nodig. Bovendien mogen volgens de wet alleen veeartsen of hun assistenten spuiten. Klager wachtte op de keurmeester die toen hij arriveerde moest concluderen dat het dier moest worden afgemaakt. Vervolgens heeft de keurmeester het paard gestoken.

In de publicatie wordt van deze gebeurtenis een sensatieverhaal gemaakt waarin onder meer wordt verteld dat het tien minuten zou hebben geduurd voordat het paard, nadat het was gestoken, doodgebloed was. In werkelijkheid was dit een kwestie van enkele seconden. Klager geeft toe dat zijn aarzeling om zijn paard een verdovende injectie te laten toedienen mede werd ingegeven door de overweging dat daardoor het vlees van het geslachte dier wel eens zou kunnen worden afgekeurd. De opbrengst van een geslacht paard vertegenwoordigt voor iemand die beroepshalve met paarden werkt een belangrijk, financieel belang. In de gegeven situatie heeft klager zijn paard - in tegenstelling tot hetgeen in de publicatie wordt gesteld - niet onnodig laten lijden om louter financiële redenen.

Voorts wordt in de publicatie het publiek - dat niet aanwezig was op het strand bij het ongeval - denkbeeldig sprekend ingevoerd op een voor klager beledigende wijze, zoals bijvoorbeeld: "Toen het paard uiteindelijk kassiewijle was, kwamen de tongen pas goed los. Een schande! Mishandeling! Bel jij de Dierenmishandeling of doe ik 't?" Door de dierenbescherming is de hele gang van zaken onderzocht en door de inspecteur is niets geconstateerd dat niet door de beugel kon.

Klager stelt door deze publicatie op ernstige wijze en onverdiend in zijn belangen te zijn geschaad.

VERWEER

Betrokkene merkt op dat klager het met hem eens is dat hij mede uit financiële overwegingen heeft geweigerd zijn paard een verdovende injectie te laten toedienen. Hierdoor heeft klager het paard onnodig laten lijden. Betrokkene vindt dit een afkeurenswaardige handelwijze en acht het zijn recht als journalist om dergelijke gedrag aan de kaak te stellen. Betrokkene ontkent dat in de publicatie wordt gesuggereerd dat het onverantwoordelijk was om op dat moment op het strand te gaan rijden. Evenmin is gesuggereerd dat het paard over een obstakel struikelde. Waar het om gaat is het volgende. Er struikelt een paard op het strand; het breekt daarbij beide voorbenen. Medewerkers van de door de politie gealarmeerde dierenambulance te Nootdorp arriveren in gezelschap van de begeleidende politie bij het paard. Hun aanbod het dier een pijnstillende injectie te geven slaat klager af. Betrokkene vindt de redenering van klager, niet geweten te hebben wie de "onbekende" was die dit aanbod deed, nogal merkwaardig. De politie bevestigt de verklaring van de man van de dierenambulance dat zij hem naar de plek des onheils hebben gebracht. Tegenover de veronderstelling van klager dat zijn paard, ondanks zijn gebroken twee voorbenen, geen pijn had, plaatst betrokkene het volgende commentaar van een deskundige: "Wij kunnen pijn bij dieren niet meten. Maar wat denkt u als u uw benen breekt, zou dat gevoelig zijn?" Naar de mening van betrokkene heeft het paard wel degelijk onnodig geleden in de tijd die verstreek tussen de geweigerde verdoving en de komst van de keurmeester. Deze periode beloopt volgens schattingen van minstens een half uur tot ten hoogste één uur. Betrokkene zegt dat niet is geschreven dat het paard in een minuut of tien doodbloedt. Er staat geschreven: in een minuut of tien bloedt de ruin leeg. Het laatste is juist.Klager bestrijdt, naar de mening van betrokkene, niet de weergegeven feiten in de publicatie maar de interpretaties en de door betrokkene - na een zorgvuldig hoor en wederhoor te hebben toegepast - weergegeven lezingen van verschillende ooggetuigen en deskundigen.

Betrokkene stelt dat er wel sprake was van omstanders. Wat betreft het ingevoerde publiek merkt hij op dat hij in een reconstructie karakteristieken van de mentaliteit van de Hollandse toeschouwer zoals die naar voren komen zodra er sprake is van dierenleed,heeft ingebracht. Hij heeft dit gedaan aan de hand van verklaringen van de politie over details. Hij ontkent dat zulks in de vorm van citaten is gebeurd.

ZITTING

Klager zegt ter zitting dat er een uitgebreid onderzoek naar de gang van zaken rond dit ongeval is ingesteld zowel door de dierenbescherming als door de politie. Uit geen van beide onderzoeken is iets nadeligs
voor klager naar voren gekomen. Hij stelt dat hij het paard zou hebben laten verdoven wanneer hij ook maar een moment de indruk had gehad dat het paard onnodig leed. Klager heeft een uur op zijn knieën bij het paard gelegen. Zijn mening dat het paard niet onnodig heeft geleden wordt gedeeld door zijn dierenarts, de keurmeester en de dierenbescherming.

Betrokkene licht toe dat de publicatie is geschreven naar aanleiding van een tip. Hij heeft daarop contact gezocht met de fotograaf. Hij heeft het verhaal geschreven aan de hand van de foto's en van verklaringen van verschillende ooggetuigen, aangevuld met informatie bij enkele deskundigen ingewonnen. Op grond van deze verklaringen was hij ervan overtuigd dat het paard onnodig had geleden. De man van de dierenambulance had, voordat hij naar het strand kwam, de dierenarts om advies gebeld en van hem te horen gekregen: natuurlijk verdoven. Betrokkene was niet op de hoogte van het onderzoek dat de dierenbescherming instelde en heeft daar ook niet naar gevraagd, toen hij om een toelichting op het gebeurde vroeg.Pas veel later heeft hij gehoord dat er door de dierenbescherming niets ten nadele van klager was gerapporteerd.

Desgevraagd geeft betrokkene toe dat de term publiek een niet geheel juiste aanduiding was voor de paar omstanders die bij de gebeurtenis aanwezig waren. Hij heeft "het publiek" slechts als een stijlfiguur in zijn publicatie gebruikt.

Erkend wordt eveneens dat er enige discrepantie bestaat tussen de tekst en de kop waar het betreft de duur van het stervensproces van het paard nadat het is gestoken.In de tekst staat:"In een minuut of tien bloedt de ruin leeg" en een kop luidt: " De halsslagader van het paard werd doorgesneden; daarna duurde het nog tien minuten voor het dier uit zijn lijden was verlost".

OVERWEGINGEN

De Raad heeft de werkelijke toedracht van de gebeurtenis niet kunnen vaststellen door de tegenstrijdige verklaringen daaromtrent.

De signalering van een controverse tussen de eigenaar van het paard en anderen over de noodzaak van de verdoving en van het financiële belang van de eigenaar bij het achterwege laten van de verdoving rechtvaardigen zeker publicatie.

De Raad heeft echter ernstige kritiek op de inhoud en wijze van totstandkoming van het artikel. Het gebeurde wordt zodanig beschreven dat de indruk wordt gewekt dat de journalist daarvan ooggetuige is geweest. Het artikel betreft echter een reconstructie van de gebeurtenis uitsluitend aan de hand van foto's en verklaringen van enkele - min of meer ambtshalve - aanwezige ooggetuigen. De indruk van een ooggetuige-verslag wordt nog versterkt door het sprekenderwijs invoeren van een publiek. Ter zitting kon worden vastgesteld dat van een publiek in de algemeen gangbare zin van het woord niet kan worden gesproken, laat staan dat daaraan uitspraken zoals weergegeven konden worden toegeschreven.

De Raad vindt het laakbaar dat er op geen enkele wijze in het artikel wordt aangegeven dat het geen eigen constateringen betreft maar een reconstructie achteraf.

Daarbij komt dat de Raad zich niet aan de indruk kan onttrekken dat betrokkene het artikel heeft geschreven vanuit zijn vooropgezette veroordeling van het gebeurde. In dit licht beziet de Raad ook het door betrokkene toegepaste hoor en wederhoor. Een en ander klemt temeer omdat betrokkene het niet als zijn eigen mening maar als een waarneming presenteert.

BESLISSING.

De Raad is van oordeel dat betrokkene niet die zorgvuldigheid heeft betracht die van hem gelet op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid mag worden verlangd.

Aldus vastgesteld ter zitting op 18 december 1980 door mr H.B. Vroom, voorzitter ; mr L. van Vollenhoven, mw M. Zeldenrust-Noordanus, mr F. Kuitenbrouwer en drs J. van der Pluym in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 17.