1980/16 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer H.K. tegen de heer H. Boogert

Namens de heer H.K. (klager) heeft mw mr W. Lieth-Wünderlich van de Algemene Reclasseringsvereniging bij brief van 9 september 1980 een klacht ingediend tegen de heer H. Boogert (betrokkene). Nadat betrokkene daarop had gereageerd en namens klager was gerepliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 18 december 1980 ter zitting behandeld, waar mw mr W. Lieth-Wünderlich voor klager is verschenen.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie van betrokkene in De Telegraaf van 5 september 1980 onder de kop: "Misdaadcarrière duurde twee maanden. Officier wil mislukte kelner 2 1/2 jaar in cel.". In deze publicatie wordt naar de mening van klager op een kwalijke wijze verslag gedaan van een rechtszitting voor de Rotterdamse rechtbank. Door het sterk sensationele karakter van de publicatie zijn klager en zijn gezin onnodig aan de kaak gesteld. Het verslag bevat enkele feitelijke onjuistheden en is onevenwichtig als verslaglegging van de terechtzitting omdat het pleidooi van de raadsvrouwe van klager nauwelijks aan de orde komt. Het meest is klager echter gegriefd omdat hij zeer herkenbaar is in het verslag voornamelijk door de daarbij geplaatste, goed lijkende, tekening. Maar ook door vermelding van zijn volle voornaam en de vermelding van zijn beroep en vroegere beroep. Door dit artikel zijn hij en zijn gezin ernstig geschaad in hun toekomst.

VERWEER

Betrokkene stelt dat de publicatie slechts de gebruikelijke vermelding van initialen, leeftijd, beroep en vroeger beroep bevat. Hij acht dit soort vermeldingen in de Nederlandse journalistiek sinds jaar en dag als normaal geaccepteerd. De publicatie is een zo reëel mogelijke weergave van hetgeen ter zitting aan de orde is geweest. Dat klager's herkenbaarheid door de tekening is vergroot kan betrokkene niet worden verweten. Het bewijst slechts de kwaliteit van de tekenares. Betrokkene merkt op dat ter zitting noch door klager noch door zijn raadsvrouwe bezwaar werd aangetekend tegen de aanwezigheid van een tekenares. Het is in Rotterdam gebruikelijk dat niet wordt getekend wanneer de verdachte aangeeft daar bezwaar tegen te hebben. Betrokkene meent dat in zijn verslag geen onwaarheden voorkomen en vindt de aanleiding voor de klacht nogal gezocht.

ZITTING

Mw Lieth-Wünderlich licht ter zitting toe dat zij - onder meer voor wat deze klacht betreft - als spreekbuis voor klager, haar cliënt, optreedt. Zij zegt helaas, vanwege vakantie, niet bij de rechtszitting aanwezig te zijn geweest. De - jonge - raadsvrouwe van klager heeft de tekenares niet opgemerkt en was daarop ook niet verdacht. Dit valt te betreuren omdat het in Rotterdam inderdaad de gewoonte is dat er niet wordt getekend ter zitting indien daartegen bezwaar wordt gemaakt. Wat de publicatie betreft heeft klager zich gestoord aan de sensationele stijl ervan. In de publicatie komt hij als de zondebok voor een aantal met anderen gepleegde overvallen naar voren. Er is op een luchtige, sensationele toon geschreven die zeer ten koste van hem gaat, zoals "de grossier in mislukkingen" en "mensen die vreemd genoeg allemaal een blanco strafblad hadden". Hij wordt als een mislukte kelner aangeduid terwijl hij als kelner geenszins mislukt is. Klager is voornamelijk in zijn belang geschaad door de herkenbaarheid. Hij heeft hiervan hinder ondervonden bij het vinden van werk na zijn detentie. Ook zijn gezin heeft nogal wat last van deze publicatie gehad.

OVERWEGINGEN

Ondanks de omstandigheid dat betrokkene niet ter zitting is verschenen, is de Raad van oordeel dat gelet op de gewisselde stukken de belangen van betrokkene voldoende verdedigd zijn. De Raad is niet gebleken dat in de publicatie op voor klager onnodig schadelijk te achten wijze over hem is geschreven. Het publiceren van tekeningen van de verdachte/veroordeelde tijdens de rechtszitting gemaakt is een in de Nederlandse journalistiek aanvaarde gewoonte. Gelet op het te Rotterdam kennelijk bestaande gebruik dat niet ter rechtszitting wordt getekend wanneer daar bezwaar tegen wordt gemaakt had het op de weg van klager en zijn raadsvrouwe gelegen zijn bezwaar daartegen ter zitting kenbaar te maken. Nu dit niet is gebeurd is de publicatie van de tekening niet in strijd te achten met de vereiste zorgvuldigheid. Wel merkt de Raad hierbij op dat er bij een aantal media een opmerkelijke discrepantie bestaat tussen enerzijds de goede journalistieke gewoonte om de verdachte/veroordeelde in het algemeen slechts met initialen aan te duiden en het anderzijds publiceren van tekeningen ter rechtszitting van deze persoon gemaakt. De door de eerste gewoonte beoogde bescherming van de privacy van de verdachte/veroordeelde wordt door deze tweede gewoonte in vrij sterke mate teniet gedaan. Het publiceren van tekeningen staat naar de mening van de Raad ook in contrast met de goede journalistieke gewoonte om op foto's de verdachte persoon zoveel mogelijk onherkenbaar te maken.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting op 18-12-1980 door mr H.B. Vroom, voorzitter mr L. van Vollenhoven, mw M. Zeldenrust-Noordanus, mr F. Kuitenbrouwer en drs J. van der Pluym, in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 16.