1980/15 ongegrond

De heer Almadi contra dagblad De Stem

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer Almadi tegen De Stem

Namens zijn cliënt, de heer Almadi (klager), heeft mr D. van Emden bij schrijven van 2 april 1980 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het dagblad De Stem (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en daar repliek en dupliek op zijn gevolgd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 4 december 1980 ter zitting behandeld. Zijdens klager is mr D. van Emden verschenen en zijdens betrokkene de heer L. Leyendekker, W. G. J. Houben, mr A. Th. A. Janse en mr Y. A. J. M. van Kruijck.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in De Stem van 21 juni 1978 op de voorpagina en in de rubriek Stad en Streek onder de volgende koppen: 'Verrassingsaanval op illegale jeneverstokerij: Vijf arrestaties in Terheijden, Steun uit de lucht voor politie; Politie vreesde schietpartij en Gelukkig toeval bij precisie-actie.' Deze koppen werden geïllustreerd met grote suggestieve foto's met stellige onderschriften. De foto's tonen fouillerende politiemensen, terwijl anderen hun revolver hebben getrokken. Dit geheel roept het beeld op van een dader en niet van iemand die van een strafbaar gedrag wordt verdacht en wiens schuld nog moet blijken. Voorts wordt in de publicatie over klager geschreven dat hij als uiterst gevaarlijk bekend stond en dat hij onlangs tijdens een verkeerscontrole in Dordrecht op een agent had geschoten. De zinsnede in het artikel dat drie mannen en twee minderjarige meisjes bij die aktie werden aangehouden en ingesloten leiden tot een suggestieve negatieve indruk nu er niet bij vermeld is dat het klager en diens twee zonen en dochters betrof. Onjuist is de vermelding in de publicatie dat klager als eerste verbouwingskarwei van zijn nieuwe boerderij was begonnen met de bouw en inrichting van de jeneverstokerij. Klager meent dat betrokkene hem in het artikel ten onrechte als een echte, gevaarlijke boef afschildert. Dit terwijl uiteindelijk de officier van justitie van vervolging heeft afgezien. Hierover werd door de krant niets meegedeeld. De vermelding van de schietpartij tijdens een verkeerscontrole is aantoonbaar onjuist gebleken. Bovendien hield deze gebeurtenis geen enkel verband met de in het artikel beschreven actie en was vermelding daarvan overbodig. Nu betrokkene achteraf moest toegeven dat dit feit onjuist was had het op zijn weg gelegen deze onjuiste mededeling op een royale en niet suggestieve wijze te rectificeren. Klager heeft betrokkene bij brief van 11 januari 1979 om rectificatie verzocht. De daarop door betrokkene aangeboden rectificatie-tekst vond klager niet acceptabel omdat daarin te weinig afstand werd genomen van de onjuist weergegeven feiten. Op klagers voorstel voor een rectificatietekst bij brief van 28 februari 1979 is betrokkene niet ingegaan. Wel heeft betrokkene op 26 mei 1979 op de voorpagina van de krant een door hem als rectificerend aangemerkt bericht geplaatst onder de kop 'Inval Terheijden'.
Hierin staat onder meer:
'Later werd door de politie meegedeeld, dat de eigenaar van het pand, waarin de illegale jeneverstokerij was ondergebracht, Sandos A. te Terheijden, bij een verkeerscontrole in Dordrecht op een agent had geschoten. Volgens de raadsman van A. is deze aantijging onjuist. Aan de hand van nadere raadpleging van de rijkspolitie kan worden meegedeeld, dat ons voor die beweerde schietpartij in Dordrecht geen bewijsmateriaal is voorgelegd.
De raadsman van A. heeft voorts laten weten dat evenmin is gebleken dat A. de aangetroffen stookkelder heeft gebouwd en ingericht, zoals ons van politiewege was meegedeeld' .
Klager acht het in strijd met de journalistieke fatsoensnormen dat deze tekst buiten hem om is gepubliceerd terwijl onderhandeld werd over een rectificatie-tekst. Dit bericht kan naar zijn mening geenszins als een rectificatie worden aangemerkt omdat de gedane mededelingen opnieuw onjuist zijn; de tekst te terughoudend is en de omvang van het bericht in geen verhouding staat tot het breed uitgemeten artikel van 21 juni 1978. Klager verwijst naar de zijnsinziens correcte wijze waarop in het dagblad De Dordtenaar rectificatie heeft plaatsgevonden en verzoekt de Raad zijn oordeel te geven.

VERWEER

De gewraakte publicatie was gebaseerd op waarnemingen ter plaatse en op de informatie die voor de inval van de politie door een luitenant van de rijkspolitie tijdens een persconferentie was verschaft. Deze persconferentie werd vooraf gehouden vanwege het zeer bijzonder karakter van de politiële actie. De inval in de illegale jeneverstokerij werd door de rijkspolitie met groot machtsvertoon uitgevoerd. Ter verklaring van het machtsvertoon werd door de luitenant tijdens de persconferentie aangevoerd dat klager als een zeer agressief man bekend stond en dat hij onlangs tijdens een verkeerscontrole in Dordrecht op een agent had geschoten. Tevens dat de politie had vernomen dat klager had rondverteld dat hij op zijn erf en in zijn schuur explosieven had aangebracht en dat hij de hele zaak in de lucht zou laten vliegen als er bij hem een inval zou worden gedaan. Uit luchtfoto's van klager's boerderij was opgemaakt dat op 'strategische punten' olievaten waren opgesteld.
Op deze persconferentie waren nog een collegajournalist van een andere krant en de fotograaf van De Stem aanwezig die kunnen bevestigen hetgeen daar is gezegd.
Betrokkene erkent overigens dat het meegedeelde omtrent de schietpartij achteraf onjuist is gebleken. Hij is op de mededeling van de politie afgegaan zonder deze vooraf op zijn juistheid te controleren. Dit oordeelde hij ook niet nodig gezien de jarenlange ervaring ten aanzien van betrouwbaar gebleken officiële informatie van de zijde van de politie. Nader onderzoek wees uit dat de luitenant een vergissing had begaan. Betrokkene heeft die gerectificeerd in zijn bericht van 26 mei 1979. Uit het onderzoek van betrokkene is overigens wel gebleken dat klager en zijn zoon in 1975 geweld hadden gebruikt tegen een agent in Dordrecht . Weliswaar niet bij een verkeerscontrole maar bij een vechtpartij. Klager was toen wel in het bezit van een vuurwapen en hij werd veroordeeld naar aanleiding van deze vechtpartij tot gevangenisstraf. Klager mocht dus wel als agressief worden aangeduid en dit was ook relevant in verband met het machtsvertoon van de politie bij deze actie. Voor wat het afschilderen van klager als een zware crimineel betreft, verwijst betrokkene naar de rechtbankzitting waar klager, als getuige, verklaarde wel eens te hebben meegeholpen met het installeren van ketels en leidingen. Hierover heeft betrokkene eveneens in zijn krant bericht en klager heeft daar nimmer bezwaar tegen gemaakt.
Dat in het artikel wordt gesproken over minderjarige meisjes komt omdat betrokkene niet wist dat dit de dochters van klager waren. Tevoren was door de politie wel meegedeeld dat men klager en zijn twee zoons wilde aanhouden. Over zijn dochters werd niet gesproken en de betreffende mededeling heeft betrokkene opgetekend uit de mond van een politieman tijdens de actie. Hoewel betrokkene toegeeft dat het artikel vollediger was geweest wanneer tevens was vermeld dat het de dochters van klager betrof, gaat het hem te ver om aan deze zinsnede een negatieve suggestie toe te dichten.
Betrokkene meent voldoende zorgvuldigheid te hebben betracht bij het samenstellen van het artikel. Door klager geattendeerd op de onjuistheid van het meegedeelde omtrent de schietpartij heeft betrokkene een zijns inziens acceptabel aanbod voor een rectificatie gedaan. Toen dit niet werd aanvaard, heeft hij zelfstandig een rectificatie geplaatst door het bericht van 26 mei 1979.

ZITTING

Partijen gaan akkoord met de behandeling van deze zaak door vier leden van de Raad vanwege de plotselinge verhindering van mw mr T. Faber-de Heer. Betrokkene licht ter zitting toe dat hij door de politie op de hoogte werd gesteld van de voorgenomen inval. Hij is daarop naar het politiebureau gegaan. Door de leiding van de politie werd in een breefing aan alle bij de actie betrokken politiemensen informatie gegeven. Bij deze breefing waren betrokkene en enkele collega's aanwezig. De aanduiding persconferentie die in het verweerschrift aan deze voorinformatie is gegeven is niet geheel juist. Tijdens deze breefing werd gezegd dat klager als agressief bekend stond en dat hij onlangs tijdens een verkeerscontrole te Dordrecht op een agent had geschoten. Tevens dat men verdacht moest zijn op het gevaar dat klager bij een inval de hele zaak in de lucht zou laten vliegen. Klager zou her en der dergelijke uitlatingen hebben gedaan en op luchtfoto's van klager's boerderij waren olievaten gesignaleerd . Om deze redenen werd de inval in de illegale stookkelder met grote zorgvuldigheid en met veel mankracht en materieel uitgevoerd. Tijdens de actie werden de journalisten op grote afstand gehouden. De mededeling dat klager tijdens een verkeerscontrole te Dordrecht had geschoten bleek niet juist te zijn, zoals ook werd meegedeeld van de zijde van de politie. Het daarop door betrokkene ingestelde onderzoek heeft nogal wat tijd gevergd omdat bij de politie in het gewest Brabant geen andere gegevens over klager voorhanden waren. Eerst via de gemeentepolitie te Dordrecht vernam betrokkene dat er tijdens een vechtpartij, waarbij klager betrokken was, was geschoten. Uit het vonnis van het gerechtshof te Den Haag over die kwestie bleek weliswaar niet dat klager geschoten had maar wel dat hij een vuurwapen op zak had en dat hem een gevangenisstraf was opgelegd.

Op het moment dat klager rectificatie eiste had betrokkene zijn onderzoek nog niet afgerond. Daarnaast eiste klager dat betrokkene ook erkende verkeerde informatie te hebben gegeven met betrekking tot klagers schuld t.a.v. de in zijn boerderij aangetroffen illegale stookkelder. Deze zaak liep nog voor de rechter en van journalistieke zijde had betrokkene uitsluitend indicaties vernomen die erop wezen dat klager schuldig zou worden bevonden. Er was op dat punt dus geen enkele aanleiding voor rectificatie.
Klagers raadsman stelt dat uit het vonnis van het Haagse Gerechtshof duidelijk blijkt dat klager niet heeft geschoten. Hij heeft in een vroeg stadium aan betrokkene meegedeeld over informatie te beschikken waaruit dit onbetwistbaar bleek en heeft deze informatie ook aan betrokkene aangeboden. Betrokkene is niet op dit aanbod ingegaan. De bewering over de schietpartij was pertinent en aantoonbaar onjuist. Klagers raadsman wil wel aannemen dat een dergelijke mededeling door de politie is gedaan. Betrokkene had echter, toen klager op deze onjuistheid wees, direct en royaal moeten rectificeren. Het rectificatie-voorstel van betrokkene was onvoldoende omdat een reserve was ingebouwd door de toevoeging dat de mededeling omtrent het schieten naar het oordeel van klager onjuist was. Betrokkene had ronduit moeten publiceren dat klager niet had geschoten. Het doel van een rectificatie is het wegnemen van een bij de lezer gewekte onjuiste indruk. Rectificatie is hiertoe maar een beperkt middel. Om dit doel te bereiken dient er enige proportionaliteit te bestaan tussen de rectificatie en het gewraakte artikel. Indien een rectificatie door de rechter wordt bevolen dient de wijze van publiceren erop gericht te zijn een zo groot mogelijke groep lezers te bereiken. De rectificerende partij dient zo groot mogelijke duidelijkheid te betrachten. Klagers raadsman verwijst t.a.v. deze criteria aan een rectificatie aan te leggen naar een uitspraak in kortgeding. Aan deze criteria voldeed noch de aangeboden rectificatie noch het bericht van 26 mei 1979. Daarnaast heeft het klager gegriefd dat hij als een ernstig crimineel persoon in het artikel is afgeschilderd en dat aan dat artikel geen enkele follow-up is gegeven waaruit is gebleken dat hij niet verder werd vervolgd. Betrokkene zegt hiervan ook eerst in een heel laat stadium op de hoogte te zijn gesteld. Over de rechtszitting is overigens wel gepubliceerd.

OVERWEGINGEN

De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat de publicatie waartegen de klacht zich richt, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Betrokkene mocht in deze situatie afgaan op officiële mededelingen van de zijde van de politie over de politiële actie en de redenen waarom de politie op deze wijze de inval deed.
Wel heeft betrokkene in een bericht op de voorpagina, zijdens de politie gedane mededelingen tot de zijne gemaakt door de inhoud van die mededelingen als feiten weer te geven. Nu die feiten gedeeltelijk onjuist bleken te zijn, was rectificatie op zijn plaats geweest. De door betrokkene op 24 januari 1979 voorgestelde rectificatie zou naar het oordeel van de Raad bevredigend zijn geweest. Het valt te betreuren dat partijen geen overeenstemming over een rectificatie hebben bereikt. Hierbij wil de Raad nog aantekenen het niet onbegrijpelijk te vinden dat betrokkene de door klager voorgestelde rectificatie niet accepteerde.
Het tenslotte op 26 mei 1979 op de voorpagina geplaatste bericht bevat naar het oordeel van de Raad echter voldoende corrigerende elementen om als een passende rectificatie te kunnen worden beschouwd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht om bovengenoemde redenen ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 4 december 1980 door mr R. de Waard, plvv. voorzitter; O. Postma, ing.; drs H. W. M. van Run en mr F. Kuitenbrouwer in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 15.