1980/14 gegrond

De Bruyn en Mulder contra Dagblad Kennemerland

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek Inzake de klacht van de heer De Bruyn en mw Mulder tegen het Dagblad Kennemerland.

De heer H. N. de Bruyn en mw Th. Mulder (klagers) hebben bij brief van 23 juli 1980 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad Kennemerland (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en klagers daarop hadden gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 6 november 1980 ter zitting behandeld. Zijdens klagers zijn verschenen de heer De Bruyn en mw Mulder en zijdens betrokkene de heer W. Middelbeek, B. H. Kriek en H. Veer.

KLACHT

De klacht is gericht tegen het artikel in het Dagblad Kennemerland onder de kop: 'Raad van State grijpt in. Voorlopig geen verdieping op patiobungalows. Protest van omwonenden. Klagers worden met naam en toenaam genoemd in dit artikel en van een aantal minder oirbare zaken beticht. Het artikel werd geschreven naar aanleiding van de beslissing van de voorzitter van de afdeling rechtspraak van de Raad van State, waarbij het besluit van Burgemeester en Wethouders een bouwvergunning te verlenen werd geschorst. Klagers zijn van mening dat de journalist alvorens de beschuldigingen jegens hen te publiceren hun mening daarover had moeten vragen. Nadat klagers zich hierover bij de redactie hadden beklaagd werd hun gesuggereerd een brief ter plaatsing in te zenden. In de door hun ingezonden brief stellen klagers dat in het artikel op zeer subjectieve wijze de gang van zaken rond het verlenen van een bouwvergunning wordt weergegeven. De journalist, zo stellen zij in deze brief. had niet uitsluitend op een niet met name genoemde woordvoerder van de protesterende omwonenden mogen afgaan. Hij had klagers, die worden vermeld tevoren moeten horen. Tevens gaan klagers in deze brief in op de volgende door hun gesignaleerde aperte onjuistheden:
- het meermalen vermelde feit dat de buren niet op de hoogte waren van enig plan tot verbouwing en daar slechts bij toeval achter zouden zijn gekomen,
- de suggestie dat de bouwvergunning op opvallend snelle wijze zou zijn verkregen,
- de behandeling door de Raad van State die desastreus zou zijn verlopen voor de Gemeente en het schorsingsbesluit dat binnen enkele dagen in de bus lag,
- de volkomen ongegronde suggestie dat een der klagers gezien zijn functie onoirbaar zou hebben gehandeld.
De ingezonden brief werd na enig aandringen door klagers en nadat met hun toestemming de daarin voorkomende naam van de journalist was geschrapt, geplaatst. Daarbij werd echter het volgende naar de mening van klagers zure en irrelevante naschrift gepubliceerd: 'Naschrift redactie: Anders gezegd, er is helemaal niets aan de hand. De redactie van Dagblad Kennemerland ziet spoken, de betrokken omwonenden hebben uit pure verveling een dure advocaat in de arm genomen om een beroepsprocedure aan te spannen en de voorzitter van de Raad van State heeft in een vlaag van verstandsverbijstering de omwonenden in het gelijk gesteld en de bouwvergunning geschorst. Wij houden het echter toch maar op die voorzitter, die inmiddels schriftelijk heeft bevestigd, dat de klachten van de omwonenden terecht waren.' Voorts bevatte de publicatie nogal wat zetfouten, waardoor de inhoud is verminkt.

VERWEER

De zitting van de afdeling rechtspraak van de Raad van State, waarin de voorzitter het besluit van het college van B en W van Heemskerk tot het verlenen van een bouwvergunning aan klagers schorste was de aanleiding tot het artikel.
Het beleid van het gemeentebestuur om aan deze twee eigenaren toe te staan een verdieping op hun patio-bungalow te bouwen terwijl dit elders in dezelfde gemeente aan eigenaren van patio-bungalows werd verboden, is op klacht van de omwonenden door de Raad van State gecorrigeerd. Dit is de kern van het artikel. Betrokkene achtte het niet relevant om klagers te horen. Het stond immers vast dat zij een bouwvergunning hadden gevraagd en verkregen. Tijdens de zitting van de Raad van State was gebleken dat zij de verkrijging van de vergunning tegenover de omwonenden hadden verzwegen. Deze omstandigheid was namelijk aanleiding voor de voorzitter van de afdeling rechtspraak van de Raad van State om het te laat ingediende bezwaarschrift toch in behandeling te nemen. Niet de reactie van klagers was voor het artikel van belang maar die van de zijde van het gemeentebestuur. De betreffende wethouder is dan ook door de journalist benaderd. Betrokkene wijst de verantwoordelijkheid voor een uit de mond van de anonieme zegsman geciteerde opmerking. dat deze zich vat afvraagt omdat een van de twee klagers een ambtenaar van de dienst Gemeente werken is, volledig van de hand. Deze opmerking en de eventueel daarvan uitgaande suggestie van onoirbaar gedrag is zijns inziens geheel voor rekening van de zegsman. Betrokkene zegt ten aanzien van de plaatsing van de ingezonden brief het naschrift een correcte weergave van het standpunt van de redactie te vinden en ontkent dat de brief als verminkt weergegeven kan worden aangemerkt.

ZITTING

Betrokkene licht ter zitting toe dat de door de omwonenden tegen het gemeentebestuur aangespannen AHOB-procedure voldoende reden tot publiceren was. Zeker gelet op de uitspraak van de voorzitter van de afdeling rechtspraak van de Raad van State om het besluit tot verlening van de bouwvergunning te schorsen. Het artikel bedoelde zich naar de mening van betrokkene uitsluitend op het door het gemeentebestuur gevoerde vergunningenbeleid te richten. Betrokkene beschikte toen hij het artikel schreef over de stukken die aan de Raad van State waren voorgelegd in verband met de AHOB-procedure en die in verband met de hoorzitting van de gemeente waren opgesteld. Hij heeft overwogen om klagers mening in deze kwestie te vragen maar vond daar uiteindelijk geen enkele reden toe. Klagers stellen dat over hen nu juist wel op onaangename wijze wordt geschreven in het artikel.
Van hen wordt onder meer vermeld dat zij zelfs de directe buren op wiens tussenmuren zou worden gebouwd niet hadden ingelicht. Voorts staat daarin dat de bouwplannen zouden zijn uitgelekt tijdens een verjaardagsfeestje. Klagers zeggen dat zij hun buren vanaf het begin over hun bouwplannen hebben ingelicht. Deze hadden aanvankelijk geen bezwaren. De heer De Bruyn heeft in een later stadium op verzoek van zijn buren onderzocht of hij een verzekering kon afsluiten voor eventuele risico's voor hun ingeval op de tussenmuren zou worden gebouwd. De aanvrage bij de gemeente liep in verschillende stadia al enkele maanden.
De uitlating in het artikel dat de vergunning binnen zeer korte tijd werd verleend is niet juist en tendentieus. Dit zeker in samenhang met de verwijzing, door de anonieme woordvoerder, naar het feit dat een der klagers ambtenaar bij deze gemeente is. Klagers zien niet in wat er verwerpelijk aan is dat zij de gemeente toestemming vragen en deze verkrijgen voor het bouwen van een verdieping op hun huis. Met hen was het gemeentebestuur immers van oordeel dat de bouwplannen binnen het bestemmingsplan vielen.
Na de publicatie hebben klagers contact opgenomen met de redactie. Ten aanzien van de mogelijkheid van een ingezonden brief werden zij op mogelijke nadelige gevolgen gewezen. Voorts werd hun meegedeeld dat de redactie - zoals te doen gebruikelijk - in een ingezonden brief eventueel voorkomende onjuistheden via een redactioneel naschrift zou corrigeren. Klagers vinden dat hun in het betreffende naschrift uitspraken in de mond worden gelegd die zij niet hebben gedaan terwijl hun iedere mogelijkheid tot herstel van hun in diskrediet gebrachte goede naam is onthouden. Betrokkene zegt desgevraagd dat het bij zijn krant niet ongebruikelijk is om ingezonden brieven van een redactioneel commentaar te voorzien. Naar zijn opvatting was het naschrift op zijn plaats omdat de waarheid in de ingezonden brief geweld werd aangedaan. Inderdaad bevatte de publicatie van die brief een aantal storende zetfouten. Hiervoor biedt betrokkene verontschuldigingen aan.

OVERWEGINGEN

De Raad is van oordeel dat de stelling van klagers dat zij, omdat zij in het artikel met name worden genoemd, tevoren hadden moeten worden gehoord in zijn algemeenheid niet opgaat. Wanneer de journalist zich voor zijn artikel baseert op materiaal dat is opgesteld ten behoeve van bevoegde instanties zoals ten deze de gemeente en de Raad van State, en hij het daaraan toeschrijft behoeft hij niet noodzakelijk degene over wie het gaat ook te horen.
De Raad meent echter dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de opzet van het artikel zoals ter zitting verwoord. Met name door het citeren van een anonieme woordvoerder heeft betrokkene diens subjectieve uitlatingen min of meer tot de zijne gemaakt en daardoor bijgedragen aan de van het artikel uitgaande negatieve suggestie ten opzichte van klagers. Betrokkene had dit kunnen corrigeren door of in het artikel naast de visie van de anonieme woordvoerder ook de visie van klagers te vermelden of door na publicatie op royale wijze een ingezonden brief te plaatsen. De redactie dient zich bij het plaatsen van een ingezonden brief, zeker wanneer deze een zeker corrigerend karakter draagt, terughoudend op te stellen onverlet het recht van de redactie om onjuistheden recht te zetten. Nu betrokkene in zijn naschrift geen feitelijke onjuistheden heeft rechtgezet, doch daarin - door klagers terecht als zuur en irrelevant aangemerkte - uitlatingen heeft gedaan welke geenszins als een adequate reactie op de ingezonden brief kunnen worden beschouwd, meent de Raad dat hij, mede gelet op het hierboven overwogene, niet die zorgvuldigheid heeft betracht die van hem mocht worden verlangd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voor zover deze is gericht tegen (l) de negatieve suggestie jegens klagers welke van het aangevochten artikel uitgaat en (2) het naschrift onder de door klagers ingezonden brief.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 november 1980 door mr. R. de waard, plaatsvervangend voorzitter. O. Postma, ing., D. Houwaart, mr F. Kuitenbrouwer en mw T. M. L├╝cker, in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 14.