1980/13 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Gemeente Vleuten-de Meern tegen het Utrechts Nieuwsblad.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vleuten-de Meern (klager) heeft bij brief van 25 april 1980 een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van het Utrechts Nieuwsblad (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en daarop repliek en dupliek is gevolgd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 1980, alwaar zijn verschenen zijdens klager de heren Middelweerd en De Ranitz en zijdens betrokkene de heren Van de Loo en Melkert.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie in het Utrechts Nieuwsblad op 21 april 1980 onder de kop: "In Vleuten/De Meern. Plaats voor woonwagens nu bekend". Door deze publicatie is het door klager op zijn persbericht over deze kwestie gelegde embargo geschonden. Op vrijdag 18 april is door klager een vrij uitvoerig bericht betreffende de aanwijzing van een terrein in zijn gemeente voor een woonwagenkamp aan de plaatselijke correspondente van het Utrechts Nieuwsblad onder embargo tot 22 april 1980 verstrekt. Klager had de bedoeling uiterlijk maandag 21 april 1980 de eigenaar/gebruiker van het aangewezen terrein schriftelijk te informeren en een aanbod voor de koop te doen. Tevens wilde klager de omwonenden op 21 april 1980 officieel van het besluit op de hoogte stellen, zodat deze dit niet via de krant zouden vernemen. Zondagavond 20 april en maandagochtend 21 april is klager door betrokkene gevraagd naar de reden van het embargo en is hem tevens meegedeeld dat betrokkene het embargo niet aanvaardde. Klager meent dat betrokkene door zijn handelwijze de journalistieke fatsoensregels op grove wijze opzettelijk heeft veronachtzaamd. Klager wijst daarbij op het karakter van informatieverschaffing onder embargo namelijk om de journalisten in de gelegenheid te stellen hun werk op een goede wijze voor te bereiden.

VERWEER

Op zondagavond 20 april vertelde de plaatselijke correspondente aan betrokkene dat een persbericht van klager het haar reeds bekende feit van de vestigingsplaats van het woonwagenkamp had bevestigd. Betrokkene heeft daarop direct contact opgenomen met klager om te informeren naar de reden van het embargo. Als redenen werden gegeven het op de hoogte stellen van de omwonenden en de brief met het bod op het perceel die onderweg was naar de eigenaar. Klager antwoordde desgevraagd dat de brief aan de eigenaar deze op zaterdag 19 april of maandag 21 april zou bereiken. Betrokkene heeft klager daarop meegedeeld dat er geen reden was om het embargo te handhaven. Betrokkene heeft vastgesteld dat de eigenaar de brief van klager op maandagochtend 21 april in zijn bezit had. Betrokkene voert onder meer onder verwijzing naar de regels ten aanzien van het embargo opgesteld door de toenmalige sectie van Hocfdredacteuren van de Federatie van Nederlandse Journalisten de volgende redenen aan voor het niet handhaven van het embargo:

1) Klager had geen reden om een dergelijk eenvoudig bericht tevoren aan de krant bekend te maken. Het bericht had gewoon op dinsdagochtend kunnen worden verstrekt. Dat dit niet is gebeurd doet bij betrokkene de veronderstelling opkomen dat klager door het bericht eerder te verstrekken, maar dan onder embargo, het plaatselijk nieuwsblad de Brug, dat dinsdags verschijnt en een langere voorbereidingstijd heeft, terwille heeft willen zijn. Het middel embargo acht betrokkene in dat geval op oneigenlijke wijze gebruikt.

2) Een embargo kan slechts worden geaccepteerd indien het feit waarop het betrekking heeft niet eerder bekend was. De plaatselijke correspondente was van het feit al eerder op de hoogte.

3) De enige reden voor het in stand houden van een embargo, te weten dat het nieuws moet bevatten dat pas ontstaat door het uitspreken van redevoeringen, het afkondigen van besluiten, het bekendmaken van wetsontwerpen, het uitbrengen van jaarverslagen en het verlenen van onderscheidingen is hier niet van toepassing. Betrokkene ziet geen reden om het belang te erkennen dat de omwonenden eerst door de gemeente op de hoogte worden gesteld en niet door het bericht in de krant. Datzelfde geldt voor de eigenaar. Voorts acht betrokkene het belang van de publicatie in dit geval niet geringer dan een eventueel belang van de bij de verkoop van het terrein betrokken partijen. In overeenstemming met de geldende regels is klager tijdig op de hoogte gesteld van het feit dat betrokkene het embargo niet accepteerde. Naar zijn mening behoort de Raad de klacht af te wijzen.

ZITTING

Klager stelt dat de plaatselijke correspondente niet eerder op de hoogte was van het terrein dat door de gemeenteraad in een besloten zitting voor de vestiging van een woonwagenkamp was aangewezen. Klager legt de Raad een desbetreffende verklaring van haar over. Zij beschikte slechts over informatie in zeer algemene zin. Klager ontkent van de zijde van de hoofdredactie te hebben vernomen dat het embargo niet werd aanvaard. Wel is hij door de correspondente van het niet aanvaarden van het embargo op de hoogte gesteld. Daarop is in grote haast ervoor gezorgd dat de eigenaar en de omwonenden via de gemeentebode maandag nog in het bezit kwamen van de brieven. Klager zet uiteen dat de gemeente de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft willen betrachten bij deze gevoelige kwestie. Binnen dit beleid paste het dat de eigenaar en de omwonenden op de hoogte werden gesteld van het besluit voordat het bericht in de krant zou verschijnen. Door de handelwijze van betrokkene is klager in ernstige mate bemoeilijkt zijn beleid uit te voeren. De suggestie dat klager het persbericht onder embargo tot dinsdag 22 april heeft verstrekt vanwege gelijktijdige publicatie in het op dinsdag verschijnende plaatselijke nieuwsblad wijst klager geheel van de hand. Dit was geenszins de bedoeling. Klager merkt op dat het feit dat betrokkene een embargo op zijn juistheid wenst te beoordelen ertoe kan leiden dat de gemeente in het vervolg de pers niet meer de gelegenheid geeft tot voorbereiding van bepaalde artikelen maar wacht tot het vrijgeven geen problemen meer kan opleveren. Betrokkene stelt dat slechts bij hoge uitzondering informatie onder embargo aan de pers moet worden verstrekt. In dit, eenvoudige, geval bestond geen enkele noodzaak voor een embargo. Het bericht kon binnen korte tijd worden opgesteld en het persbericht had wat betrokkene betreft net zo goed door klager eerst op dinsdag 22 april kunnen worden gegeven. Betrokkene houdt vol dat de correspondente hem heeft gezegd over voldoende voorkennis over de betreffende zaak te beschikken. Ook zegt betrokkene dat klager wel namens de hoofdredactie op de hoogte is gesteld van het feit dat deze het embargo niet aanvaardde. Voorts stelt betrokkene meer in het algemeen de kwestie aan de orde van het optreden van de overheid met eigen publicaties die het karakter van een journalistieke primeur hebben. Desgevraagd antwoordt klager dat dit de eerste keer was dat hij een persbericht onder embargo verstrekte. Met de correspondente is niet tevoren besproken dat het haar tevoren aangekondigde persbericht onder embargo zou worden verstrekt.

OVERWEGINGEN

Een embargo kan naar het oordeel van de Raad niet eenzijdig bindend worden opgelegd door de informatieverstrekker. Een embargo dient te voren tussen de informatieverstrekker en de pers te worden overeengekomen hetzij doordat de verstrekking van bepaalde gegevens volgens gevestigde gewoonte onder embargo plaatsvindt hetzij doordat tevoren expliciet aanvaarding van het embargo is overeengekomen. Een eenzijdig opgelegd embargo mag door de journalist op zijn merites worden beoordeeld. In de onderhavige kwestie is gebleken dat klager onvoldoende op de hoogte was van de binnen de pers geldende regels ten aanzien van het embargo. In zijn algemeenheid kan ook niet worden verwacht dat deze regels bekend zijn. In dit verband merkt de Raad op het nuttig te achten dat aan de regels over het embargo waarop betrokkene zich beroept ruimere bekendheid wordt gegeven.
De Raad meent dat klager het persbericht met het daarop gelegde embargo uitsluitend om de pers terwille te zijn op dat tijdstip heeft verstrekt. Betrokkene heeft de Raad niet aannemelijk kunnen maken dat er in die mate voorkennis over de zaak bestond dat de publicatie ook zonder het persbericht tot stand had kunnen komen. Gezien het in deze zaak redelijke verlangen van klager dat de eigenaar en omwonenden niet via de krant werden geïnformeerd had de Raad zich kunnen voorstellen dat betrokkene tot een andere afweging van de in het geding zijnde belangen was gekomen.

BESLISSING

Hoewel de door betrokkene verrichte belangenafweging aanvechtbaar is oordeelt de Raad de handelwijze van betrokkene niet van dien aard dat deze in strijd moet worden geoordeeld met de zorgvuldigheid die de journalist, gelet op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid, betaamt. De Raad wijst om deze reden de klacht af.

Aldus vastgesteld ter zitting van 16 oktober 1980 door mr H.B. Vroom, voorzitter, O. Postma, ing., mw mr T. Faber-de Heer, drs H.W.M. van Run en H.J.A. Hofland, in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 13.