1980/12 ongegrond

Hulst contra Onze Wereld

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer Hulst tegen Onze Wereld

De heer Hulst (klager) heeft bij brief van 26 maart 1980 een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Onze Wereld (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak met instemming van klager en betrokkene conform het bepaalde in artikel 19 vierde lid van zijn reglement op de stukken behandeld.

KLACHT

Klager heeft als freelance medewerker op uitnodiging van betrokkene een reportage geschreven over corruptie en corruptiebestrijding in Indonesië. Deze reportage is onder de titel 'Corruptie in Indonesië` verschenen in het augustusnummer in 1979 van Onze Wereld. Bij dit artikel is onder meer een foto afgedrukt waarop een politieman en een burger staan afgebeeld, met het volgende onderschrift: 'Een onderhandse transactie op de openbare weg. Een bijrijder van een bus drukt in het voorbijgaan een verkeersagent wat bankbiljetten in de hand (foto wiecher Hulst).' In het daaropvolgende septembernummer van Onze Wereld werd op de brievenpagina een brief van een lezer vergezeld van een foto met onderschrift opgenomen.
In deze ingezonden brief die begint met de zin: 'De laatste maanden is Onze Wereld niet vrij van schaandaalblaadjesachtige berichtgeving.' staat over de reportage en de eerdervermelde foto met onderschrift van klager het volgende: 'Dat zelfde geldt natuurlijk voor Hulst-s foto, mijns inziens een echte schandaalblaadjesfoto. We zien een geüniformeerde heer die zich naar links begeeft en een burger die de andere kant op loopt en verder niets. Dit vredig tafereeltje wordt echter als volgt toegelicht 'Een bijrijder van een bus drukt in het voorbijgaan een verkeersagent wat bankbiljetten in de hand.' Vakantiekiekjes maken en ze vervolgens een speciale betekenis toedichten kan ik ook en ik heb het genoegen u er een paar toe te sturen. Misschien kunt u ze in de toekomst nog gebruiken als u doorgaat met bovenbeschreven soort berichtgeving op te nemen in Onze Wereld. R. J. Kat Amsterdam'. Bij deze brief werd een foto afgedrukt waarop een man met een patjol (hakinstrument) staat afgebeeld met daarbij het volgende onderschrift: 'Door artikelen van Wiecher Hulst, gelardeerd met dramatische foto's, zijn verscheidene verkeersagenten in Indonesië, verdacht van het aannemen van steekpenningen, op staande voet ontslagen. Hier ziet u de grootvader van Mata-Mata Polisi Surit bezig zijn ontslagen zoon te begraven: het ontslag bezorgde de agent een acute hartverlamming.' Bij de brief en foto van de lezer is door betrokkene als naschrift opgenomen: 'Wij kunnen de heer Kat een goed ontwikkeld gevoel voor humor niet ontzeggen; wij hebben veel plezier beleefd aan de door hem toegezonden foto's met onderschriften. Wij willen onze lezers graag laten meegenieten.' Klager verwijt betrokkene dat deze hem niet tevoren heeft ingelicht over de ingezonden brief noch over de plaatsing ervan noch over het redactionele naschrift, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 9 van de gedragscode geldend tussen hoofdredacteuren en freelancejournalisten die lid zijn van de NVJ luidende: 'Wanneer naar aanleiding van een bijdrage van een freelancejournalist reacties binnenkomen bij de redactie van het blad waarin de bijdrage is geplaatst, dient de betrokken journalist hier van op de hoogte te worden gesteld.'
Klager meent dat hij door de handelwijze van betrokkene met name voor wat betreft het zonder kritisch redactioneel weerwoord plaatsen van de brief van de lezer met de foto in zijn eer en goede naam als professioneel journalist en fotograaf is aangetast.
Hij heeft van betrokkene genoegdoening geëist in de vorm van plaatsing van een redactionele verklaring met de volgende elementen:
- dat de foto, in Onze Wereld van augustus wel degelijk voorstelt wat het onderschrift vermeldt,
- dat betrokkene tot uitdrukking brengt niet te twijfelen aan de journalistieke integriteit van klager,
- dat betrokkene zijn spijt betuigt over het gebeurde en klager zijn excuses aanbiedt
- dat onder deze redactionele verklaring nogmaals de foto van klager met het onderschrift wordt geplaatst.
Betrokkene is niet bereid gebleken een dergelijke redactionele verklaring in Onze Wereld op te nemen. Wel was betrokkene bereid een ingezonden brief van klager over deze zaak op te nemen van eenzelfde lengte als de brief van de lezer en met dien verstande dat wanneer daarin kwalificaties van de (hoofd) redactie voorkwamen hij daarop in dezelfde rubriek zou reageren. Betrokkene erkende tevens in strijd met artikel 9 van voornoemde gedragscode te hebben gehandeld. Klager heeft met dit aanbod geen genoegen genomen en de zaak aan de Raad ter beoordeling voorgelegd.

VERWEER

Betrokkene erkent zijn verantwoordelijkheid voor de plaatsing in Onze Wereld van het artikel en de betreffende foto van klager die naar zijn mening zonder onderschrift allerminst duidelijk zou zijn geweest. Wat betreft de plaatsing van de ingezonden brief met de foto stelt betrokkene dat brieven van lezers wat hun inhoud betreft uitsluitend voor verantwoording van de betreffende briefschrijver komen. Het redactionele naschrift geeft slechts aan dat betrokkene heeft gelachen over de wijze waar op de brief schrijver de foto met het onder schrift van klager had benaderd en geanalyseerd. Op geen enkele wijze wordt in het naschrift gesteld dat betrokkene het met de briefschrijver eens is. Diens kwalificaties heeft betrokkene door plaatsing van de brief niet tot de zijne gemaakt. Er wordt slechts opgemerkt dat de briefschrijver gevoel voor humor heeft.
Door dit te stellen, maar door aan de andere kant het verhaal van klager inclusief foto in vol vertrouwen te publiceren heeft betrokkene zijns inziens geenszins de journalistieke integriteit van klager ondergraven. Betrokkene erkent dat hij in strijd met het bepaalde in artikel 9 van eerdergenoemde gedragscode heeft gehandeld door klager niet tevoren inzage te hebben gegeven in de ingezonden brief in kwestie. Betrokkene heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Voorts heeft betrokkene klager aangeboden een ingezonden stuk van hem op te nemen, mits dit geen negatieve kwalificaties van de redactie van Onze Wereld zou bevatten. Hij betreurt het dat klager met zijn voorstel geen genoegen heeft genomen.

OVERWEGINGEN

De Raad constateert met partijen dat betrokkene heeft nagelaten klager tevoren inzage te geven in de reactie van de briefschrijver op klager's artikel alsmede dat betrokkene daarmee in strijd heeft gehandeld met het in artikel 9 van de tussen partijen geldende gedragscode bepaalde. De Raad meent echter dat betrokkene door zijn aanbod tot plaatsing van een door klager op te stellen reactie met de daarbij door betrokkene gestelde voorwaarde op behoorlijke wijze zijn verzuim heeft hersteld. Overigens is de Raad van oordeel dat, hoewel de inhoud van een ingezonden brief in de eerste plaats voor verantwoording van de briefschrijver is, de hoofdredactie door plaatsing van de brief eveneens een zekere verantwoordelijkheid voor de inhoud daarvan op zich neemt.

BESLISSING

De Raad acht de klacht, ondanks het geconstateerde verzuim, niet gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 16 oktober 1980 door mr H. B. Vroom, voorzitter, O. Postma, ing., mw mr I. Faber-de Heer drs H. W. M. van Run, H. J. A. Hofland, in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 12.