1980/11 gegrond

De heer 0. Arrindell/ contra De Limburger

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de heer Arrindell tegen De Limburger

De heer O. Arrindell (klager) heeft bij brief van 7 februari 1980 een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van De Limburger (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze zaak op 2 oktober 1980 ter zitting behandeld alwaar zijn verschenen de heer O . Arrindell en voor betrokkene de heer F. C. Wijnands.

KLACHT

De klacht is gericht tegen een der foto' s die zijn geplaatst bij het artikel in De Limburger van 25 januari 1980 onder de kop 'Stationstunnel verboden voor junkies'. Op de bewuste foto staan klager en andere persoon afgebeeld terwijl klager door een politie-agent wordt gefouilleerd.
De foto heeft tot onderschrift: 'De politie houdt enkele bekenden uit de drugscene aan die, onder protest, uit de omgeving van de voetgangerstunnel verdwijnen'. Over de ogen van klager is een zwart balkje geplaatst. Klager voelt zich door de publicatie van deze foto ernstig gegriefd en benadeeld. In de eerste plaats vanwege het onderschrift bij de foto, waardoor zijns inziens wordt gesuggereerd dat op de foto twee dealers staan afgebeeld. In de tweede plaats vanwege het tekortschieten van betrokkene op het punt van het onherkenbaar doen zijn van klager. Klager meent dat tenminste de gezichten op de foto hadden moeten worden afgedekt of uitgewist. Hij is door verschillende personen zowel in zijn kennissen-, als werkkring herkend en over de publicatie aangesproken.

VERWEER

Het artikel met de daarbij geplaatste foto's gaat over het optreden van de politie te Heerlen in de omgeving van het station daar. Door middel van dit artikel wilde betrokkene bekendheid geven aan het straffere optreden van de politie tegen alle bij de zogenaamde 'drug-scene' in die stad betrokkenen. Het politie-optreden die bewuste dag is gedurende geruime tijd gevolgd door een verslaggever in gezelschap van een fotograaf. Nog vóórdat de beide agenten de twee op de foto voorkomende mannen fouilleerden deelde een der agenten de verslaggever mee: 'Daar komen twee bekenden uit de drugscene; we gaan hen nu onderzoeken' .
Daarop is de gewraakte foto genomen. Het onderschrift bij de foto suggereert naar de mening van betrokkene geenszins dat het om dealers zou gaan. Het vermeldt uitsluitend de betrokkenheid van beide aangehouden personen bij de drugscene in de meest algemene zin van dat woord. Wat betreft de herkenbaarheid van klager merkt betrokkene op dat personen uit de kennissen- en werkkring bijna altijd in staat zijn iemand op een foto te herkennen. Zeker als ze die persoon geplaatst zien in een bepaalde sfeer of entourage of in een bepaald milieu, zoals het straatbeeld op de betreffende foto. Betrokkene stelt dat klager voor niet-intimi onherkenbaar is vanwege het over zijn ogen geplaatste balkje maar voor intimi altijd herkenbaar zal zijn bijvoorbeeld aan zijn kleding.

ZITTING

Klager zegt dat hij door anderen erop attent gemaakt werd dat hij in de krant stond.
Hij heeft van deze publicatie tamelijk veel hinder ondervonden bijvoorbeeld bij het solliciteren naar werk. Uit de publicatie met de foto's werd ook door anderen de conclusie getrokken dat hij een dealer was. Desgevraagd antwoordt klager dat het namelijk op zichzelf wel juist is, dat - onder meer - in de omgeving van deze stationstunnel werd gedealed. In dat opzicht kwam de actie van de politie daar hem niet merkwaardig voor. Klager stelt echter uitdrukkelijk dat hij zelf noch een dealer noch 'een bekende uit de drugscene' is. Vlakbij deze tunnel is een parkeerplaats. Daar had klager zijn auto geparkeerd en hij was op weg naar de stad om inkopen te doen toen hij door de politie werd gefouilleerd. Hij mocht daarna gewoon doorlopen. Klager zegt dat in Heerlen op ernstige wijze wordt gediscrimineerd, ook door de politie. Hij werd al meerdere keren door de Politie aangehouden, zoals zovele andere kleurlingen.
Klager is naar de redactie toegegaan en heeft daar verzocht de foto opnieuw af te drukken en daarbij aan te geven dat het niet ging om een dealer maar om een willekeurige kleurling die werd aangehouden. Ter redactie werd hem, zo stelt klager, gezegd dat hij daarvoor bij de politie moest zijn. Het ging immers om een verklaring van de politie. Overigens zou volgens klager zijn toegegeven dat hij te weinig onherkenbaar was gemaakt. Klager heeft zich daarop ook tot de politie gewend, die hem weer naar de krant verwees. Het gaat klager voornamelijk om de vraag of een journalist eenvoudig mag afgaan op een verklaring van de politie, zonder de betreffende persoon daarover te horen. Overigens is het gedeelte van de foto waarop hij staat afgebeeld nog eens geplaatst in de krant bij een door een ander ingezonden brief met het onderschrift: 'Surinamers die in de buurt van de stationstunnel kwamen werden gefouilleerd.' Dit kwam op klager over als een redelijke rechtzetting. Op advies van zijn advocaat heeft hij zijn klacht bij de Raad toch gehandhaafd.
Betrokkene stelt niet te kunnen inzien dat uit het onderschrift moet worden afgeleid dat het dealers betreft. 'Bekenden uit de drugscene' is zodanig algemeen dat niets tot bovenstaande conclusie dwingt. Wat betreft de herkenbaarheid merkt betrokkene op dat hij het plaatsen van het balkje ziet als privacy bescherming. Zijns inziens blijft de gefotografeerde ook bij het plaatsen van een groter balkje of zelfs bij het geheel afdekken van het gezicht herkenbaar voor intimi. Dat is niet te voorkomen. Het onderschrift bij de foto is gebaseerd op de verklaring van de agent. De verslaggever, die goed bekend is met de Heerlense politie, mocht zijns inziens op deze verklaring van de agent, die terzake kundig mocht worden geacht, afgaan. Betrokkene spreekt zijn teleurstelling erover uit dat de politie niet bereid was het verklaarde schriftelijk te bevestigen. De foto betreft een nieuwsfeit.
De foto wint aan nieuwswaarde door het onderschrift dat het hier om bekenden ging, zoals de agent had gezegd. Vandaar dat het betreffende onderschrift werd geplaatst en niet een neutrale tekst. Dat de foto opnieuw werd geplaatst was betrokkene niet bekend. Deze publicatie is de Raad op verzoek alsnog door betrokkene toegezonden.

OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop, dat het publiceren van een foto waarop de politie twee personen aanhoudt, op zichzelf beschouwd, werd gerechtvaardigd door de aard van de onderhavige actie van de politie en de nieuwswaarde daarvan.
Bij de beoordeling van de klacht moet echter mede in aanmerking worden genomen:
a) dat de mogelijkheid van discriminerend politie-optreden ten opzichte van kleurlingen ter plaatse niet valt uit te sluiten;
b) dat de in het onderschrift gedane constatering, dat het gaat om 'enkele bekenden uit de drugscene', uitsluitend is ontleend aan een verklaring van een politie-agent, terwijl toch van algemene bekendheid mag worden geacht, dat de corpsleiding achteraf meestal niet bereid is te bevestigen hetgeen eerder door een individuele agent is gezegd;
c) dat klager na de aanhouding waarbij hij gefouilleerd werd gewoon kon doorlopen, doch dat dit in het artikel niet is vermeld;
d) dat het plaatsen van een balkje over de ogen de indruk wekt dat er sprake is van crimineel gedrag, welke indruk- gelet op het verband tussen de drugscene en de criminele sfeer - door het onderschrift wordt versterkt.
Op grond van deze onder (a) tot en met (d) vermelde, in hun onderlinge samenhang te beschouwen omstandigheden is de Raad van oordeel, dat betrokkene het onderschrift in voorzichtiger bewoordingen had moeten opstellen zodat de thans daaruit te lezen suggestie zou zijn voorkomen. Betrokkene is door de in het onderschrift gedane constatering van de politie-agent zonder meer over te nemen en aldus tot de zijne te maken enigszins tekortgeschoten in de zorgvuldigheid die van hem had mogen worden verwacht. In zijn gedrag althans door het opnieuw plaats en van de foto, maar dan met een neutraler onderschrift en naar aanleiding van een door een ander ingezonden brief heeft betrokkene te kennen gegeven deze onzorgvuldigheid impliciet te erkennen. Dit gebaar neemt de geconstateerde onzorgvuldigheid echter niet geheel weg naar het oordeel van de Raad.

BESLISSING

De Raad acht de klacht in zoverre gegrond, dat betrokkene in de hiervoren genoemde opzichten enigszins is tekortgeschoten in de zorgvuldigheid die redelijkerwijze van hem mocht worden gevergd.

Aldus vastgesteld ter zitting op 2 oktober 1980 door mr R. de Waard (plvv. voorzitter); O. Postma, ing., mw M. Zeldenrust-Noordanus; mr F. Kuitenbrouwer en mw T. Lücker in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1980, 11.