1980/1 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van BUMA en STEMRA tegen Vrij Nederland.

Bij brief van 15 juni 1979 heeft de raadsman van BUMA en STEMRA (klagers) een klacht ingediend tegen W. Wennekes, journalist bij Vrij Nederland alsmede tegen de hoofdredactie van Vrij Nederland (betrokkenen). Nadat betrokkenen daarop hadden gereageerd en klagers hadden gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de klacht behandeld in een openbare zitting op 21 februari 1980 alwaar zijn verschenen voor klagers mr J.H. Verhagen en mr Th. Limpe en voor betrokkenen W. Wennekes, drs R. Ferdinandusse en mr G.J. Kempers.

KLACHT



De klacht betreft de artikelen in Vrij Nederland van 13, 20, 27 januari, 3 en 10 februari en 14 april 1979 verschenen in de serie onder de verzameltitel \"Het Web\". In deze artikelen uit de serie worden in het bijzonder BUMA en STEMRA qua structuur en beleid doorgelicht en vanuit een bepaalde gezichtshoek belicht. De klacht is gericht tegen de journalist, de hoofdredactie en de uitgever. Daarbij zijn feitelijke uitgangspunten gekozen die deels in werkelijkheid niet bestaan of geheel anders liggen en deels slechts de halve waarheid of minder weergeven. Vervolgens wordt aan die feiten een interpretatie ge geven, die deels van ieder bewijs ontbloot is, deels zonder meer lasterlijk is jegens sommige personen en voorts insinuerend of misleidend van aard. Daarmede zijn BUMA en STEMRA, instellingen die door auteurs met een vooruitziende blik in het leven zijn geroepen teneinde op te komen voor hun geldelijke belangen, in diskrediet gebracht. Daar betrokkene zelf toegeeft dat de materie van het auteursrecht ingewikkeld is getuigt het van gebrek aan journalistiek verantwoordelijkheids besef wanneer hij met zijn artikelen het bestaan van klagers, die in Nederland de twee enige instellingen zijn die deze materie voor auteurs en publiek toegankelijk trachten te maken, ondergraaft. Klagers signaleren de volgende tendensen in deze artikelenserie:

A. Commercieel-indUstriële machtsgroepen van muziekuitgevers beheersen BUMA en STEMRA en hun neven-organisaties.

B. Met name één uitgeversconcern (Philips/Strengholt) overheerst in BUMA en STEMRA en hun neven-organisaties.

C. Er bestaat geen controle op de geincasseerde gelden.

D. BUMA en STEMRA sturen door een zo volledig mogelijke \"kapitalisatie\" van het hele cultuurgebeuren het muziekconsumentisme in de richting die de financieel belanghebbenden het beste uitkomt en door zakenlui wordt aangegeven, zonder dat de auteurs daar nog wat over te zeggen hebben.

Klagers stellen dat de vier hierboven weergegeven stellingen op geen enkele wijze door betrokkene zijn hard gemaakt. Zij dragen, kort samengevat, de volgende argumenten daarvoor aan.

Ad A. Commercieel-industriële machtsgroepen van muziekuitgevers beheersen BUMA en STEMRA en hun neven-organisaties.

Dat kan volgens klagers alleen wanneer dergelijke machtsgroepen in de bestuurlijke organen van deze organisaties de meerderheid hebben. Aan de hand van statuten lichten zij toe op welke wijze de bestuurlijke organen zijn Samengesteld en door wie deze worden bemand.

Hieruit blijkt naar hun mening dat de uitgevers in de bestuurlijke organen van BUMA, STEMRA, Het BUMA-fonds en Conamus ver in de minderheid zijn. Betrokkene heeft daarnaast in deze artikelenserie de zetelverdeling van het STEMRA-bestuur \"onvoorstelbaar\" genoemd en gesteld dat die zetelverdeling het gevolg is van\"een geraffineerde statutenwijziging\" waardoor \"de gemiddelde geïnteresseerde auteur\" overrompeld zou zijn. Dit terwijl aan alle ruim 7000 contractanten volledige opening van zaken is gegeven en de statutenwijziging is voorbereid met een openbare nota.

Ad B. Het uitqeversconcern Philips/Strengholt zou BUMA/STEMRA en hun neven-organisaties overheersen door eigen mensen of hulpen van buitenaf.

Dit thema komt in de artikelen in verschillende gedaanten terug. BUMA en STEMRA zouden \"staan onder directe controle van de muziekindustrie\" en \"Het waren (en zijn) telkens weer: de commercieel-industriële machtsgroepen van door Philips/Strengholt aangevoerde muziekuitgevers die BUMA en STEMRA zijn gaan gebruiken als hun eigen centrale kassa\". Alsmede: \"Lex van Delden haalt jaarlijks de oogst voor Strengholt binnen\". Betrokkene heeft geschreven dat de meeste bestuursleden die geen eigen mensen zijn van Philips/Strengholt toch de lakeien daarvan zijn, althans economisch afhankelijk zijn van of gebonden door Philips/ Strengholt. Als zodanig noemt betrokkene onder andere de bestuursleden G. Jansen sr, P.W. Goemans, C. Smit jr, J. de Winter, J. Molenaar, mr B. Arp, D. Vériss, G. den Braber en G.J. van Krevelen. De heren J. Molenaars en G. den Braber dwongen betrokkene dit ten aanzien van hen te rectificeren. Dat de heer P.W. Goemans op de loonlijst staat van Strengholt is apert onjuist. Betrokkene had deze stelling alleen kunnen hard maken indien hij had kunnen aantonen over een reeks van jaren dat het uitgeversbelang met verzaking van het auteursbelang door deze zogenaamde vazallen werd gediend.

Ad C. Op de verdeling van de qeincasseerde gelden zou geen controle bestaan.

Betrokkene heeft geschreven dat van de geincasseerde gelden, (bijvoorbeeld in 1977 f 70.000.000,-) maar f 30.000.000,- naar auteurs ging en f 40.000.000,- opging aan administratiekosten of \"geruisloos\" werd overgebracht naar bestemmingen, die de uitgevers er aan gaven. Auteurs zouden zich al jarenlang afvragen of de repartitie bij BUMA en STEMRA wel eerlijk in zijn werk gaat. \"Onder de huidige en de ex-medewerkers van BUMA/STEMRA zijn enkele die meer dan hun vermoedens hebben\". De misvatting van betrokkene dat BUMA en STEMRA uitsluitend belangenorganisaties van auteurs zijn had voorkomen kunnen worden indien betrokkene BUMA en STEMRA om informatie zou hebben gevraagd. Klagers merken op dat internationaal is afgesproken dat bij de verdeling van de baten van het auteursrecht tenminste 50 % bestemd dient te zijn voor componisten en tekstdichters. BUMA en STEMRA bedingen in hun repartitiereglement doorgaans 66 2/3 % voor de bij hen aangesloten auteurs. Voorts geldt internationaal dat BUMA en STEMRA het recht hebben 10 % van het netto te verdelen bedrag in te houden voor de uitkering aan instellingen en organisaties, die de ideële of materiële belangen van componisten, tekstdichters en muziekuitgevers ten doel hebben dan wel anderszins het Nederlandse muziekleven bevorderen. De repartitie geschiedt volgens de vastgestelde repartiereglementen. Om de auteurs tegen zichzelf in bescherming te nemen, passen BUMA en STEMRA de verdeelsleutels toe ongeacht of de auteur en uitgevers omtrent de verdeling andere, voor de auteur ongunstiger afspraken hebben gemaakt. De auteur heeft zelf contractsvrijheid. Overigens hoeft een auteur zich helemaal niet aan te sluiten bij BUMA of STEMRA. De beide organisaties hebben geen monopolie gekregen en alleen BUMA behoeft wettelijk een regeringsconcessie, in tegenstelling tot het door betrokkene daaromtrent gepubliceerde. Ten aanzien van het door betrokkene gesignaleerde verschijnsel van het meetekenen van declaratieformulieren door allerlei pseudo-auteurs, merken klagers op dat zo dit verschijnsel zich nog voordoet er sprake is van een misverstand. BUMA en STEMRA nemen daar evenwel stelling tegen, voor zover mogelijk. Betrokkene signaleert tevens dat er geen controle op de verdeling van de voor uitkering beschikbare gelden bestaat. Voorzover daarmee bedoeld wordt dat daar geen accountantscontrole op wordt uitgeoefend is dit juist. Een dergelijke controle is gezien de omvang van de daartoe strekkende repertoire-gegevens en de copyright-documentatie vrijwel ondoenlijk. Auteurs en uitgevers hebben daar al zo lang BUMA en STEMRA bestaan (respectievelijk 66 en 43 jaar) genoegen mee genomen. Als pure laster kenmerken klagers de indruk die in de publicaties wordt gewekt dat de vergoedingen voor bestuursleden aan iedere controle ontsnappen, waarbij met name P. Goemans en L. van Delden worden genoemd. Bestuursleden hebben statutair slechts recht op reis- en verblijfskosten en een vakantiegeld voor het bijwonen van vergaderingen. Alleen de voorzitter heeft recht op een representatie-toelage.

Ad D. BUMA en STEMRA streven naar \"kapitalisatie\" van het hele cultuurgebeuren om het \"muziekconsumentisme\" te sturen in de richting, die de financieel belanghebbende het beste uitkomt.

Klagers stellen dat de behartiging van de stoffelijke belangen van hun aangeslotenen tot een van haar eerste doelstellingen behoort, uiteraard daarbij zorgdragend het culturele leven in Nederland niet nadelig te beïnvloeden. Alle initiatieven op het terrein van de bedrijfsvoering en de planning op korte termijn, zijn door de directie ontwikkeld en geenszins door wijlen A.J.G. Strengholt zoals betrokkene schrijft. Het \"Beleidsplan van het BUMA/STEMRA management\", dat overigens nog allerminst voor publicatie was prijsgegeven, stelt nu juist uitdrukkelijk dat BUMA en STEMRA zich niet een monopolie voorbehouden en naast de mogelijkheid van exploitatie door hen zelf denken aan het initiëren en bevorderen van de exploitatie door derden. Klagers duiden het als malafide aan dat betrokkene beweert dat deze organisaties uit zijn op een mammoetorganisatie.

Klagers hebben van betrokkenen bij brief van 28 mei 1979 verlangd dat op korte termijn ampele ruimte in het blad ter beschikking werd gesteld voor verweer tegen de artikelenserie hetzij in de vorm van een door hen te fiatteren interview of artikel, hetzij door het plaatsen van een door klagers opgesteld artikel ter grootte van een hele pagina.

VERWEER



De grieven van klagers betreffen, naar de mening van betrokkenen voornamelijk de interpretatie die zij aan een aantal feiten hebben gegeven in de publicaties.

Het lijkt of klagers er bezwaar tegen hebben dat er überhaupt in de artikelen is geïnterpreteerd. Uitsluitend op grond van getalsverhoudingen stellen klagers dat er geen sprake is van een machtsoverwicht van enige specifieke groep. Klagers miskennen hiermee dat macht niet alleen bestaat uit zetels alleen, maar dat onder andere commerciële belangen, vriendendiensten, ongeïnteresseerdheid, onkunde tenminste even belangrijke factoren kunnen zijn in de bepaling van de machtsverhoudingen. Wanneer men de lijst van namen van al diegenen die bij BUMA/STEMRA en verwante instituten een bestuursfunctie vervullen beziet, dan kan het volgens betrokkene toch alleen maar opvallen dat de concentratie van Van Deldens, Arpen, Den Brabers, Goemansen etc. opvallend hoog is. Formeel is iedereen dan wel gekozen of benoemd via democratische spelregels, feit blijft zijns inziens dat zich een \"macrokosmos\" heeft gevormd. Betrokkenen achten het de eerste zorg van de verantwoordelijke personen bij BUMA en STEMRA een onaantastbare reputatie van onkreukbaarheid op te bouwen. Wanneer men dan ziet dat het voor auteurs belangrijkste onderdeel van het werk van klagers, namelijk het verdelen van geincasseerde gelden niet van een goedkeurende accountantsverklaring kan worden voorzien is dat met een dergelijke reputatie niet in overeenstemming. Wanneer men daarbij voegt dat over het algemeen auteurs en componisten noch het doorzettingsvermogen noch het zakelijk inzicht hebben om afdoende rekening en verantwoording te krijgen; als men daarbij ook noemt het feit dat één muziekuitgeverij, Strengholt, rechtstreeks en via bepaalde verbindingen een buitengewoon dominerende positie in dit wereldje heeft verworven dan is het des te belangrijker dat verantwoordelijke personen binnen BUMA/STEMRA al datgene nalaten, wat de schijn zou kunnen wekken dat zij wellicht ten eige bate werken.

Betrokkenen blijven erbij en zijn van oordeel dat zulks in de artikelen voldoende heeft uiteengezet dat de muziekwereld in Nederland goeddeels beheerst wordt door Strengholt en met haar verbonden ondernemingen. Eveneens vinden zij dat is komen vast te staan dat de uitgeverskant binnen de verantwoordelijke organen van BUMA/STEMRA vertegenwoordigd wordt door Strengholt, en dat de andere partij, in de vorm van tekstdichters en componisten, juist door de positie van Strengholt goeddeels van haar afhankelijk is. Het ontgaat betrokkenen waarom niet geschreven zou mogen worden dat er geen toezicht bestaat op de verdeling van geincasseerde gelden, wanneer niet anders wordt gedaan dan het citeren van het jaarverslag en de accountantsverklaring. Waarom zouden betrokkenen daar geen mening aan mogen verbinden? BUMA en STEMRA hebben de volle vrijheid om plannen voor de toekomst te bedenken. Het is betrokkene volstrekt onduidelijk waarom zij niet een andere visie op deze plannen mogen geven. Hierbij zij opgemerkt dat zij zich daarbij in het goede gezelschap bevinden van de toenmalige regeringscommissaris mr V. Gerbrandy. Betrokkenen betwisten dat door de publicaties onherstelbare schade is toegebracht aan de zaak van het muziek-auteursrecht. Klagers gebruiken kwalificaties als \"lasterlijk\" en \"leugenachtig\". Dit impliceert naar de mening van betrokkenen een kwade opzet en bewuste misleiding terwijl de toelichting op de klacht uitsluitend vermeende onzorgvuldigheden aangeeft. Zo er al van onzorgvuldigheid sprake zou kunnen zijn - en het is naar de mening van betrokkenen vaak niet te voorkomen dat in een uitgebreide artikelenreeks als de betreffende serie enkele weinig wezenlijke foutjes kunnen voorkomen -is door klagers naar het oordeel van betrokkenen op geen enkele wijze waargemaakt, dat zo slordig, laat staan met kwaadaardige opzet is geschreven dat van een aantasting van Journalistieke waardigheid mag worden gesproken.

Wat betreft het niet plaatsen van een reactie van de zijde van klagers in Vrij Nederland merken betrokkenen op dat vast beleid is dat artikelen die aan de meningsvorming bijdragen van commentaar moeten kunnen worden voorzien. De brief van klagers omtrent plaatsing van een weerwoord was in ultimatieve vorm gesteld en hield in het plaatsen van een interview dat door klagers gefiatteerd was; het redigeren van een artikel in overleg met klagers dan wel het plaatsen van een door klagers opgesteld artikel van tenminste één hele pagina.

Betrokkenen hebben klagers schriftelijk laten weten niet akkoord te kunnen gaan met het verzoek van een artikel ter grootte van een gehele pagina, maar voor een ingezonden stuk circa 2000 woorden ter beschikking te stellen mits deze brief commentaar inhoudt op de visie op de beleidsdoelstellingen van klagers zoals weergegeven in de publicaties en niet de nadruk komt te liggen op het aan de kaak stellen van vermeende feitelijke onjuistheden.

ZITTING



Klagers lichten ter zitting toe dat betrokkene Wennekes naar hun mening ernstig tekortgeschoten is doordat hij geen enkele poging tot verificatie of nader onderzoek bij BUMA/STEMRA heeft ondernomen. Zij ontzeggen een journalist geenszins het recht om te interpreteren, maar de betreffende publicaties dragen het karakter van een vooropgezette conclusie waar naartoe werd gewerkt. Klagers hebben duidelijk schade geleden door de publicaties. Andere tijdschriften hebben bij deze serie aangeknoopt. Bij CRM en andere instanties zijn daardoor vragen gerezen, die overigens inmiddels bevredigend door klagers zijn beantwoord. Betrokkene Wennekes stelt dat toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor slechts zin heeft als de feiten onduidelijk zijn of een commentaar betreffen. Hij is begonnen met het onderzoek naar de positie van klagers in januari 1978 naar aanleiding van een uitlating van de heer Willemsen, mede-directeur van BUMA. Die uitlatingen werden de heer Willemsen door de directie niet in dank afgenomen. Dit leidde ertoe dat van de zijde van klagers geen medewerking meer werd verleend aan betrokkene bij zijn onderzoek. Betrokkene moest zich derhalve baseren op jaarverslagen, ledenbulletins, knipselkranten etc. die hij wist te verkrijgen. Op de publicatie van 27 januari 1979 hebben klagers gereageerd met een ingezonden brief die in het blad werd geplaatst. Aan het eind van deze brief staat letterlijk: \"Wij zullen geen verder beroep doen op de door de redactie gratis ter beschikking gestelde kolommen.\" De verhoudingen waren intussen zo verslechterd dat betrokkene geen heil zag in verdere pogingen om gegevens te verifiëren bij klagers. Overigens hebben klagers wel gereageerd op publicaties over hen in twee andere tijdschriften. Het heeft betrokkene verbaasd dat klagers aan het einde van de hele serie artikelen toch behoefte blijken te hebben aan een weerwoord. De eis was echter zo overtrokken dat daarop niet kon worden ingegaan en op het tegenvoorstel van betrokkene zijn klagers niet ingegaan. Desgevraagd zetten klagers uiteen dat zij hun verwijt van laster onder meer baseren op de volgende stellingen van betrokkene:

- dat bepaalde inkomsten toevloeiden naar L. van Delden; - dat bepaalde opdrachten naar bepaalde bestuursleden is toegevloeid;

- dat iemand in dienst zou zijn van Strengholt terwijl dit absoluut niet waar is;

- dat een geraffineerde statutenwijziging heeft plaatsgevonden;

- dat van de geincasseerde gelden een groot deel geruisloos verdwijnt;

- dat mee-eters profiteren van de voor de auteurs geïnde gelden;

- dat personeelsleden zo hun vragen hebben.

Betrokkene Wennekes zegt hierop dat hij over inlichtingen beschikt waar het tegendeel uit blijkt. Bovendien zouden de bestuurstoelagen moeten kunnen worden teruggevonden in het accountantsverslag, hetgeen niet het geval is. Klagers stellen dat met uitzondering van de voorzitter, L. van Delden, die een representatie-vergoeding, over de hoogte waarvan zij zich niet uitlaten, de bestuursleden uitsluitend een presentie-vergoeding krijgen. Betrokkene Wennekes beschikt ook over gegevens dat de heer Goemans op de loonlijst van Strengholt voorkomt en heeft die de Raad nader toegelicht. Het raffinement van de statutenwijziging ligt naar het oordeel van betrokkene in de \"voorgebakken\" wijze waarop de directie de discussiestukken heeft gepresenteerd aan de aangeslotenen. Het betreft een essentiële wijziging van de statuten die voor de auteurs nauwelijks uit de voorbereidende stukken kan worden gelezen. Het geruisloos overbrengen van een groot deel van de geincaseerde gelden naar bestemmingen die uitgevers eraan geven,baseert betrokkene Wennekes op de gegevens uit de accountantsverklaring en de omvang van het bedrag dat niet ten goede komt aan de auteurs. Betrokkene Wennekes verwijst hierbij naar de groep van 17 auteurs die in 1978 openlijk hun misnoegen daarover hebben geuit en naar de twijfels die personeelsleden daarover hebben geuit. Hij zet dit tevens af tegen het doel dat BUMA en STEMRA zeggen na te streven en wel de behartiging van de belangen van de auteurs. Betrokkene Wennekes wijst daarbij tevens op de omstandigheid dat uitgevers ook als auteurs te boek staan bij BUMA/STEMRA. De zinsnede in de publicatie van 10 februari 1979 dat Lex van Delden, voorzitter van de BUMA, jaarlijks voor Strengholt de oogst binnenhaalt, waar klagers zich aan storen, moet volgens betrokkene Wennekes in overdrachtelijke zin worden gelezen. Betrokkene Wennekes zegt zijn artikelenserie niet voor niets de titel \"Het Web\" te hebben meegegeven. Door vele nasporingen, die erg veel tijd gevergd hebben, is hij een aantal draden op het spoor gekomen die duidelijk een bepaalde kant, zoals in zijn publicaties aangegeven, op wijzen. Als een zeer sprekend voorbeeld voor zijn stelling ten aanzien van de positie van Strengholt voert hij het incident met Van Vughts aan. BUMA treedt ook stimulerend op ten aanzien van het propageren van achtergrondmuziek. Het is evident aantoonbaar dat Strengholt de grootste Nederlandse producer is van achtergrondmuziek. In het BUMA-huis was een showroom ingericht waar men voor alle inlichtingen terecht kon. BUMA verstrekt tevens een lijst van betrouwbare leveranciers van deze apparatuur. Van Vughts echter, die zijn apparatuur ook in de showroom had opgesteld, kreeg te horen zijn boeltje maar op te pakken omdat de BUMA-directie,zo schreven zij letterlijk, had vernomen dat zijn apparatuur binnenkort gepreshed zou worden \"hetgeen schadelijk werd geacht voor Philips en Strengholt die ook in die handel zitten\".

OVERWEGINGEN



De klacht is gericht tegen de journalist die de artikelen heeft geschreven, tegen de hoofdredactie en tegen de uitgever. Slechts de journalist en de hoofdredactie kunnen ingevolge het reglement van de Raad als betrokkenen worden aangemerkt. Indien er, zoals in casu, aanwijzingen zijn dat er rond het functioneren van een organisatie twijfels bestaan kan dit aanleiding zijn daarover te publiceren. Klagers hebben naar het oordeel van de Raad erg weinig feitelijke onjuistheden in deze serie artikelen kunnen aanwijzen. Daar moet wel aan worden toegevoegd dat de vaststelling van het feitelijk substraat dat aan deze publicatie ten grondslag ligt is bemoeilijkt door het verschoningsrecht waarop betrokkene zich, ter bescherming van zijn informanten, terecht heeft beroepen. De Raad acht het van belang dat de feiten waarop de journalist zijn mening baseert zoveel mogelijk in zijn publicatie worden weergegeven. Wat dat beginsel betreft is betrokkene Wennekes naar het oordeel van de Raad grosso modo niet tekort geschoten, zij het dat de Raad van mening is dat de feitelijke ondersteuning op enkele punten ten aan de summiere kant is, zeker gelet op de conclusies die daaraan zijn verbonden.

De Raad onderschrijft de opvatting van klagers dat het journalisten uitsluitend vrij staat slechts die feiten die onomstotelijk en volledig vaststaan te interpreteren geenszins. Deze opvatting miskent de aard van het journalistieke beroep. De journalist is nu eenmaal niet altijd in staat om achter alle feiten en omstandigheden te komen, terwijl het belang van voorlichting met zich brengt dat daar toch over gepubliceerd wordt. De Raad is van oordeel dat betrokkene Wennekes niet op alle punten in die mate zijn inlichtingen heeft geverifieerd als van hem mocht worden verlangd. Met name laat de Raad hierbij wegen de ernst van de uitlatingen die betrokkene publiceert ten aanzien van klagers en van bepaalde met name genoemde personen.

Ofschoon klagers tijdens de publicatie van de serie artikelen een ongeïnteresseerde houding toonden had dit betrokkene Wennekes toch niet mogen weerhouden om alsnog te trachten zijn inlichtingen bij klagers te verifiëren. De Raad geeft klagers toe dat hier en daar de woordkeus niet gelukkig was. Dat sommige opmerkingen als lasterlijk ten aanzien van klagers moeten worden aangemerkt ziet de Raad echter niet in. Wat betreft het verzoek van klagers om een weerwoord merkt de Raad het volgende op. De eisen door klagers ten aanzien van de vorm en omvang van het weerwoord acht de Raad met betrokkenen excessief. Mede gelet op de ernst van de beweringen ten aanzien van klagers en de omvang van de artikelenserie vindt de Raad het aanbod van betrokkenen ten aanzien van een weerwoord aan de karige kant. Van de zijde van betrokkenen was het passend geweest indien aangeboden was een interview met klagers te publiceren, zij het niet onder de voorwaarde dat klagers de tekst dienden te fiatteren.

BESLISSING



De Raad wijst de klacht als zodanig af, zij het dat deze op bepaalde hierboven aangegeven en journalistiek gezien niet onbelangrijke onderdelen gegrond wordt geacht.

Aldus vastgesteld ter zitting van 21 februari 1980 door mr R. de Waard, mw mr T. Faber-de Heer, mr B. Schmitz, mr F. Kuitenbrouwer en drs J. van der Pluym, in aanwezigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers.

RvdJ 1980, 1.