1979/7 ongegrond

De Nederlandse Nieuwsblad Pers contra K. Graftdijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Vereniging De Nederlandse Nieuwsblad Pers c.s. tegen de heer Graftdijk (De Vakbondskrant).

De Vereniging De Nederlandse Nieuwsblad Pers te 's-Gravenhage, de heer J. H. Boom te Meppel, BV Krantenexploitatie Midden Noordholland te Purmerend, de heer K. Kok te Zandvoort, Drukkerij en Uitgeversbureau Van Lonkhuyzen te Zeist en J. H. van Lonkhuyzen te Zeist (klagers), waarvoor mr B. van der Goen, advocaat en procureur te Soest. als gemachtigde optreedt, hebben bij brief van 24 februari 1978 een klacht bij de Raad voor de Journalistiek ingediend tegen de heer K. Graftdijk, redactielid van De Vakbondskrant, uitgegeven door de Federatie Nederlandse Vakbeweging te Amsterdam (betrokkene). Nadat de betrokkene een verweerschrift had ingediend en klagers daarop hadden gerepliceerd, terwijl een dupliek van de betrokkene uitbleef, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld in een openbare zitting op 15 mei 1979. waar zijn verschenen de gemachtigde van de klagers en de betrokkene, vergezeld van de heer C. Keizer.

DE KLACHT

In De Vakbondskrant van 15 september 1977 is op pagina 6 een door K. Graftdijk ondertekend artikel verschenen getiteld 'CAO's verfrommeld als vodjes'.
Klagers hebben bezwaar tegen de gehele teneur en inhoud van het artikel omdat:
a) gebruik gemaakt wordt van een zeer grove en onaanvaardbare woordkeus ten aanzien van de nieuwsbladuitgevers, waardoor deze zich aangetast achten in hun eer en goede naam;
b) daarnaast op soortgelijke wijze de voorzitter van de NNP,de heer J. H. Boom te Meppel, persoonlijk wordt aangevallen;
c) de hierboven genoemde aanvallen reeds door woordgebruik ('OUDERWETSE uitbuiters' etc.) onzorgvuldig zijn ten opzichte van klagers, daar dit onnodig grievend is en in geen redelijke verhouding staat tot de feiten die betrokkene denkt te kunnen signaleren, zelfs indien deze juist zouden zijn geweest, hetgeen overigens niet het geval is;
d) de hierna te noemen door betrokkene gesignaleerde feiten onjuist zijn en door betrokkene niet zonder nader onderzoek gepubliceerd hadden mogen worden, zeker niet nu een dergelijke beledigende presentatie is gekozen;
e) betrokkene in ieder geval in strijd met de zorgvuldigheid heeft nagelaten bij de wederpartij (bijv. klagers) zich tenminste eniger mate op de hoogte te stellen alvorens tot de betrokken publicatie over te gaan.
De bezwaren richten zich tegen 16 in de klacht opgenomen passages, waarbij de bezwaren als volgt worden toegelicht:
I. 'Nieuwsbladmagnaten: ouderwetse uitbuiters' (kop). Afgezien van het onnodig grievend woordgebruik wordt deze aantijging door betrokkene niet waargemaakt. Voorzover hij zich op feiten beroept blijken deze volstrekt onjuist te zijn, zoals hieronder wordt aangetoond.
II. 'CAO's verfrommeld als vodjes' (kop). Idem. Is misleidend en wordt niet waargemaakt.
III. '. . .De Nederlandse Nieuwsbladpers . . . is aangesloten bij het VNO. Gefeliciteerd VNO met zo'n club !' . Onjuist, want de NNP is niet aangesloten bij het VNO. Overigens is de zin krenkend bedoeld.
IV. 'Hier heersen toestanden die in de vorige eeuw niet zouden zijn opgevallen maar die in 1977 ten hemel schreien. De kwaliteit varieert van verdienstelijk tot vodden!'. De negentiende eeuwse toestanden worden niet waargemaakt. Ook is het onwaardig het produkt van collega's als vodden' te bestempelen.
V. 'Ligt er al eens een nieuwsbladuitgever wakker over de journalistieke kwaliteit van zijn produkt, dan toch waarschijnlijk als gevolg van de opwindende droom die hij juist tevoren heeft gehad over een verhoogde advertentieomzet. In elk geval zal hij in het klare licht van de volgende dag maatregelen nemen om de kosten van de journalistieke vulling zoveel mogelijk te drukken. Dat is het algemene beeld.'
Volstrekt uit de lucht gegrepen. Deze generalisatie wijst bovendien op een zodanig gebrek aan inzicht in de werkelijke kwaliteiten en verantwoordelijkheden van de nieuwsbladuitgevers. dat deze passage als grievend dient te worden aangemerkt.
VI. 'Het klinkt ongelofelijk maar het is een feit dat tot 1 januari dit jaar in alle salarisschalen van de nieuwsbladjournalisten bedragen voorkwamen die beneden het wettelijke vastgestelde minimumloon lagen. Tot in de schaal van redactiechef toe! De betrokkenen hadden kunnen proberen daar via de rechter iets aan te doen. maar natuurlijk waagt niemand dat in de kleine gemeenschappen waar de directeur als een godje heerst en de gunsten verdeelt'.
Feitelijk geheel onjuist, want:
a. Schaalbedragen beneden het wettelijk minimumloon kwamen niet in alle salarisschalen tot en met die van de redactiechef voor;
b. de optrekking kon niet eerder geschieden dan na afloop van de loonstop per 1 januari 1977, hoewel reeds eerder over de structurele aanpassing overeenstemming was bereikt;
c. dit alles was slechts een formele zaak en ten onrechte wordt gesuggereerd dat beneden het minimumloon uitbetaald zou zijn. Dit is pertinent onjuist. Bovendien wordt de suggestie gewekt, dat de nieuwsbladuitgevers de wet zouden overtreden en door een soort chantage de werknemers van de rechter zouden afhouden. Dit is een grove verdraaiing van de werkelijkheid en bovendien beledigend.
VII. 'De meest schokkende ervaring van Keizer als onderhandelaar was destijds dat de werkgeversdelegatie helemaal niet op onderhandelen uit was, Men gedroeg zich als analfabeten.'
Het standpunt van genoemde Keizer is volstrekt onjuist, wat met notulen en schriftelijke stukken kan worden aangetoond. De zinsnede 'zij gedroegen zich als analfabeten' is nergens op gebaseerd en onnodig grievend.
VIII. 'De werkgevers probeerden niet te verbergen dat zij die CAO als een vodje papier beschouwden.'
Idem en in strijd met de feiten. De Raad van Uitvoering die over geschillen betreffende de CAO oordeelt heeft de laatste tien jaar geen enkele zaak behandeld waarbij iets dergelijks zou zijn gebleken.
IX. 'Vrijwel geen enkele nieuwsbladjournalist bleek in het bezit te zijn van een arbeidscontract of aanstellingsbrief, zoals toch is voorgeschreven. Geen enkele houvast dus voor de werknemer, die maar genoegen had te nemen met wat hem in handen werd gestopt.'
Onjuist. Blijkens een enquête van de NNP in 1976 bleek veruit het grootste aantal der journalisten wel in het bezit te zijn van een schriftelijk arbeidscontract of aanstellingsbrief.
X. 'Uit een destijds gehouden enquête bleek dat vrijwel niemand de 3% zaterdagtoeslag ontving die hem volgens de CAO rechtens toekomt. '
Onjuist. Blijkens onderzoek NNP ontvangt een groot aantal journalisten deze toeslag.
XI. 'Zij gaven trouwens te kennen dat het eigenlijk het mooiste zou zijn als hun journalisten allemaal precies dat wettelijk minimumloon kregen: dat is goed en eenvoudig.'
Volstrekt onjuist, zoals bij even navragen bij klagers zou zijn gebleken.
XII. 'Natuurlijk vormt de mentaliteit bij een aantal van hen er mee de oorzaak van dat dergelijke sociale schemertoestanden kunnen voortbestaan. '
In hoge mate krenkend, in het bijzonder voor de journalisten zelf.
XIII. 'Zoals gezegd heeft een journalistieke werknemer die zich verweren wil het in zo'n klein bedrijf extra moeilijk: in de gegroeide patriarchale verhoudingen vullen intimidatie en vriendjespolitiek enerzijds en bangheid anderzijds elkaar aan.'
Dergelijke ernstige beschuldigingen ('intimidatie') dienen met gedegen voorbeelden en steekhoudende argumenten gestaafd te worden. Dit gebeurt niet.
XIV. 'In 1974 bracht een onderzoek van de Pensioenkamer van de NVJ aan het licht, dat een groot aantal werkgevers die reserveringen niet verrichten.'
Dit onderzoek geschiedde tezamen met de NNP. Uit een rapport n . a. v . de enquête bleek, dat van 96 nieuwsbladjournalisten (+ 75~ van de beroepsjournalisten) er 66 pensioenaanspraken konden doen gelden. Deze waren werkzaam in 33 ondernemingen, terwijl 5 ondernemingen (7 journalisten) niet of onvoldoende reserveerden.
XV. 'Hij heeft ook weinig moeite met het aanwijzen van het prototype van de in 19e eeuwse stijl vrijbuitende, alles aan zijn laars lappende, met bot bravoure alle boten afhoudende werkgever die voor deze sector zo kenmerkend is: Boom te Meppel.'
Zeer beledigend, onnodig grievend en volstrekt onjuist. Het is juist de heer Boom die zich sinds jaar en dag inspant voor het peil van de nieuwsbladpers in velerlei functies (geheel belangeloos).
XVI. 'Bij Boom is het ook dat men het verschijnsel aantreft dat de bij hem in dienst staande journalisten in zekere zin tot horigen maakt.'
Het is evenmin gerechtvaardigd te spreken van journalisten als 'horigen'. Een concurrentiebeding is een in zeer vele bedrijven van uiteenlopende aard voorkomend verschijnsel, waarbij de wet de werknemer voldoende bescherming biedt.

Conclusie: Het gehele artikel is er op gericht de nieuwsbladpers in zijn totaliteit met inbegrip van de aldaar werkzame journalisten in diskrediet te brengen. Klagers menen hier van een zodanig grievend en onzorgvuldig journalistiek gedrag sprake is dat de integriteit en de goede naam van de journalistiek in Nederland hierdoor wordt geschaad.

VERWEER

Betrokkene blijft van mening dat publicatie van het betrokken artikel gerechtvaardigd was. De Vakbondskrant, officieel orgaan van de Federatie Nederlandse Vakbeweging, beantwoordt door het publiceren van dergelijke artikelen aan een van zijn meest eigenlijke functies, namelijk het met kracht naar voren brengen van de eigen standpunten. Dit brengt mee het beschrijven van situaties van sociale achterstand en zonodig van de daarop betrekking hebbende persoonlijke verhoudingen en invloeden, zonder bewuste verdraaiing van feiten, met ruimte voor subjectieve waarderingen die een breed werknemersbestand kunnen aanspreken. Hier is niet alleen de vrijheid van meningsuiting maar ook de internationaal erkende 'vakbondsvrijheid' in het geding.
De Vakbondskrant is niet een onafhankelijk blad maar een verenigingsorgaan dat een spreekbuisfunctie heeft. De journalist daarbij is gebonden het door de organisatie gevoerde beleid, wat ook consequentie kan hebben voor de wijze van informatievergaring. Het gaat hier bovendien om zaken van sterk controversiële aard, waarbij blijkt dat de menings- en interpretatieverschillen met andere organisaties en groepen moeilijk of het geheel niet tot een oplossing kunnen worden gebracht, omdat zeer reële belangentegenstellingen hieraan ten grondslag liggen.
Het initiatief tot dit artikel kwam van de zijde van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, die bij de FNV is aangesloten. Aanleiding was de impasse ontstaan in de CAO-onderhandelingen met de NNP. Om die impasse te doorbreken wilde de NVJ 'in de publiciteit gaan'. Gezien het feit dat de aan betrokkene verstrekte gegevens afkomstig waren van de heer C. Keizer, voorzitter van de onderhandelingsdelegatie van de NVJ, mocht betrokkene vertrouwen op de hem ter beschikking gestelde informatie. Bovendien zijn hem inlichtingen verstrekt door mr M. Galama. toen juridisch medewerker bij de NVJ met name voor wat betreft het concurrentiebeding. In het artikel blijkt voor de lezer duidelijk dat het voor verreweg het grootste gedeelte gaat om mededelingen en zienswijzen van de heer Keizer.
Het vooraf vragen van informatie bij de andere partij was onmogelijk. Dat zou betekend hebben het overdoen van de kennelijk onvruchtbare gesprekken die de delegatie al had gevoerd. Consensus vooraf - een illusie overigens -als voorwaarde voorpublikatie in gevallen als dit zou in feite een blokkade vormen voor het krachtig en duidelijk aan de orde stellen van standpunten in controversiële zaken, dus van bijna alle vakbondszaken en in wijder verband een aantasting betekenen van de vakbondsvrijheid. De praktijk is dat de andere partij reageert, hetzij bij wijze van ingezonden stuk of tegenartikel in het zelfde blad, hetzij in eigen organen, dan wel via interviews of persconferenties etc. Op die manier ontstaat zoal geen vruchtbare dialoog dan toch een zeker evenwicht. Dit is de meest voorkomende gang van zaken in kwesties waarin de vakbeweging haar standpunten - niet zelden op scherpe wijze - kenbaar pleegt te maken.
Kort na het artikel in De Vakbondskrant verscheen I oktober 1977 in Elseviers Weekblad een artikel waarin aan de hand van het artikel de reacties van de heer Boom (voorzitter NNP) werden geregistreerd. Dit artikel is daarom interessant, omdat het 'hoor de andere partij' hier zo uitermate weinig blijkt op te leveren. Integendeel, het beeld opgeroepen door het artikel, wordt er in grote lijnen door bevestigd en zelfs aangevuld.
Na publikatie van het artikel in De Vakbondskrant ontving betrokkene van mr B. van der Goen namens de NNP een brief waarin onder bedreiging met een kort geding werd geëist, dat een rectificatie in de zelfde grootte en opmaak werd toegezegd, waarvan de tekst door mr B. van der Goen zou worden opgesteld. Daarop is geantwoord dat De Vakbondskrant graag een artikel zou plaatsen van 1000 à 1200 woorden waarin hij of zijn cliënt op het artikel zou reageren en dat deze bereidheid niet het gevolg was van zijn brief maar in principe reeds bestond. Dit artikel zou echter niet het karakter van een afgedwongen rectificatie mogen hebben: het zou door De Vakbondskrant van een naschrift kunnen worden voorzien 'indien het door u aangevoerde ons inziens op zakelijke gronden correctie behoeft'. Mr B. van der Goen deelde daarop mee, dat de NNP had besloten zich tot de Raad voor de Journalistiek te wenden; van de gelegenheid tot een weerwoord werd geen gebruik gemaakt.
De klacht valt uiteen in twee hoofdbestanddelen:
a. bezwaren tegen de algehele tendens van het artikel en de journalistieke benaderingswijze;
b. daarnaast menen klagers een aantal onjuistheden ten aanzien van de feiten te kunnen signaleren.
Wat de eerste kwestie betreft wil betrokkene opmerken, dat woordgebruik en presentatie, zoals reeds eerder uiteengezet, mede bepaald worden, en mogen bepaald worden, door het karakter van het blad. Het blad stelt zich ten doel de vakbondsstrijd te ondersteunen en past zich in stijl en woordkeus aan bij het in deze vakbondsstrijd gebruikelijke woordgebruik, waarin termen als "uitbuiters" en "19e eeuws" inderdaad de bedoeling hebben om sociale toestanden te schetsen die in de ogen van de vakbeweging niet in deze tijd passen.
De lezers van het blad zijn vertrouwd met deze stijl van journalistiek.
Dat, zoals het tweede hoofdbezwaar van klagers luidt, in het artikel onvoldoende feiten genoemd worden om het geschrevene te rechtvaardigen, bestrijdt betrokkene. In het artikel worden tal van feiten genoemd waarvan er slechts een aantal door klagers onjuist worden genoemd. Zelfs als men afziet van die al of niet vermeende onjuistheden, waarover hieronder meer, blijven toch over: lage salarissen, lange werktijden, onzekerheid over rechtspositie, moeizame CAO-onderhandelingen, het hanteren van concurrentiebeding etc. Het waren deze verschijnselen die de wenselijkheid in het leven riepen tot het signaleren daarvan op een wijze die duidelijk zou zijn en die bijgevolg voor klagers ongetwijfeld onaangenaam moest zijn. Bij de in 16 punten opgesomde (vermeende) onjuistheden wil betrokkene het volgende opmerken:
ad I. Geen kwestie van feitelijke juistheid of onjuistheid, gezien de gesignaleerde misstanden en de in de vakbondsstrijd gebruikelijke woordkeus.
ad II. Idem, onder VIII wordt hier verder op ingegaan.
ad III. Inderdaad: de NNP is niet aangesloten bij het VNO, maar de individuele nieuwsbladuitgevers zijn dat wel.
ad IV. Hier zijn geen objectief vast te stellen feiten in het geding. De waardering 'van verdienstelijk tot vodden' is overigens niets bijzonders, het wordt dagelijks gezegd van zeer veel prestaties en produkten.
ad V. Ook hier geen zaak van juist of onjuist maar van waardering waarbij de ervaring die ondergetekende in een jarenlange praktijk als journalist heeft opgedaan, mede tot deze typering en sfeertekening van een verwante tak van beroepsbeoefening heeft geleid.
ad VI. ad A) In de CAO voor nieuwsbladjournalisten zijn er schalen voor redacteuren II, redacteuren I en chef-redacteuren bij A-, B- en Cbladen, derhalve 9 schalen. Het is inderdaad onjuist te stellen dat in alle schalen bedragen voorkwamen die beneden het wettelijk minimumloon lagen. Juist was: in 7 van de 9 schalen, m.a.w. tot en met de schaal voor de chef-redacteuren van C-bladen. ad B) Het moge juist zijn dat aan de gesignaleerde misstand inmiddels iets is gedaan en dat door externe omstandigheden wellicht later dan bedoeld, dit alles neemt niet weg dat de vermelde feiten duiden op een bijzonder laag niveau van de in de CAO vastgelegde schaalsalarissen. Ook de correctie die klagers terecht aangebracht wensen te zien doet daar niets aan af. ad C) Betrokkene wil toegeven en betreurt dat hij ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat de gesignaleerde salarisschalen ook hebben geleid tot feitelijke salarissen beneden het wettelijk minimumloon. Op de opmerking dat nieuwsbladjournatisten nalaten via de rechter iets aan hun rechtspositie te doen, wordt onder XIII teruggekomen.
ad VII Hier wordt C. Keizer, de onderhandelaar van de NVJ, sprekend ingevoerd.
en VIII. De gewraakte termen 'analfabeten' en 'de CAO als een vodje papier' werden geadstrueerd met de door betrokkene overgenomen mededeling van Keizer, dat men de onderhandelingsvoorstellen niet gelezen had en de bepalingen van de eigen CAO niet kende. In de klacht worden deze mededelingen niet als onjuist bestempeld.
ad IX. De hier gewraakte zinsnede is gebaseerd op de enquête die de NVJ in 1976 heeft gehouden. Het is mogelijk dat de NNP zelf in 1976 eveneens een enquête heeft gehouden doch deze kan aan de door de NVJ verzamelde gegevens niets afdoen. De NVJ heeft in de enquête niet slechts gevraagd of men in het bezit is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst of aanstellingsbrief maar ook naar wat daarin zou staan zoals in artikel 28 lid 2 van de CAO is voorgeschreven. Uit de enquête van de NVJ bleek dat 11 van de 34 journalisten of wel geen aanstellingsbrief hadden, of wel een aanstellingsbrief waarin de omschrijving van de functie ontbrak; dat 20 van de 34 journalisten niet zoals voorgeschreven blijkens aanstellingsbrief op de hoogte waren van het hen toekomende aantal dienstjaren; dat 29 journalisten niet wisten hoe hun salaris was opgebouwd dat 20 journalisten geen gespecificeerde salarisafrekening kregen dat slechts 2 journalisten op de hoogte waren van de categorie waartoe het nieuwsblad waar zij werkten behoorde (A-, B- of C-blad) dat slechts 10 journalisten wijziging van hun arbeidsovereenkomst schriftelijk bevestigd krijgen. Betrokkene heeft gemeend op de hem door de NVJ verstrekte enquetegegevens te mogen afgaan.
ad X. Een overeenkomstig commentaar als onder IX.
ad XI. Ook hier de vraag of betrokkene mocht afgaan op de mededelingen van zijn met name genoemde zegsman. Zij berusten op een interpretatie van de gedachtengang aan NNP-zijde ten aanzien van de salarisstructuur in de CAO en de zogenaamde opkrikkende werking van het wettelijk minimumloon, waartegen bij de NNP bezwaren bestaan. BiJ de NNP bestaan daartegen bezwaren die werden verwoord in termen als 'Laten we dan maar meteen iedereen het werkelijk minimumloon geven', aldus was door de zegsman meegedeeld.
ad XII. Hier wordt gedoeld op de mentaliteit van een deel van de bij de nieuwsbladen werkzame journalisten. Bovendien valt niet in te zien waarom een dergelijke opmerking over een aantal journalisten krenkend is voor de gehele bedrijfstak.
ad XIII. Het is in vakbondskring een belangrijk ervaringsfeit dat het niet alleen in de nieuwsbladpers, maar overal in kleine bedrijven extra moeilijk is voor de individuele werknemer om hetzij door inroeping van de hulp van de vakbond, hetzij langs juridische weg iets te ondernemen ter versterking van zijn rechtspositie. Het gelijk krijgen betekent in zo'n geval vaak een verstoorde arbeidsrelatie met als uiteindelijk gevolg niet zelden het einde van een dienstbetrekking.
ad XIV. Het is juist dat de enquête door NVJ en NNP samen werd gehouden. Het is ook juist dat uit de enquête blijkt dat 5 ondernemingen voor in totaal 7 journalisten geen pensioenreserveringen toepassen. Blijft over de vraag of gesproken mocht worden van 'een groot aantal'. Groot is een relatief en uitermate subjectief begrip. Ondergetekende meent dat wanneer 5 van de 96 bedrijven - terwijl over 20 andere niets bekend is! - op een belangrijk onderdeel duidelijk de CAO met voeten treden, hij dat een groot aantal mag noemen, zeker wanneer men let op de ernst van het hier blootgelegde verzuim.
ad XV. Met 'prototype' wordt aangeduid dat veel van wat in het voorgaande van het artikel over de nieuwsbladuitgevers gezegd werd geheel of gedeeltelijk van toepassing is op de heer Boom. De kritiek op de heer Boom wordt bovendien nog geadstrueerd door vermelding van het hanteren van het concurrentiebeding (zie XVI) en zijn cumulatie van functies.
ad XVI. Er is niet gesproken over journalisten als horigen, maar over 'het verschijnsel dat de bij hem in dienst staande journalisten in zekere zin tot horigen maakt'. Niet ontkend wordt dat het concurrentiebeding gehanteerd wordt. Klagers menen dat zij daartoe gerechtigd zijn. Zij hebben het recht ertoe, maar het gebruik maken van dit recht stelt een ongehoorde beperking aan de vrijheid van de werknemer, de journalistieke werknemer in het bijzonder.
Het behoort tot betrokkenes journalistieke vrijheid en tot de vrije uitoefening van zijn functie van vakbondsjournalist in het bijzonder om deze opvatting bekend te mogen maken.
Resumerend ten aanzien van het laatste deel van het verweer geeft betrokkene toe dat hij op drie onbelangrijke details feitelijke onjuiste informatie heeft verschaft, te weten dat de NNP niet is aangesloten bij het VNO, dat niet in alle 9 maar in 7 van de 9 schalen bedragen beneden het wettelijk minimumloon voorkwamen en dat de pensioenenquete niet door de NVJ, maar door de NVJ en de NNP was gehouden. De suggestie dat salarissen beneden het wettelijk minimumloon niet slechts in salarisschalen voorkwamen, maar ook feitelijk betaald zouden worden is een onjuistheid die betrokkene betreurt. Daarbij wil hij er op wijzen dat hier geen opzet in het spel is geweest.
Dit gesteld tegenover de vele andere door hem aangehaalde feiten, de hierboven afdoende weerlegde klachten te dien aanzien en de vele andere niet weersproken feiten, rechtvaardigen een artikel als door hem geschreven.

Concluderend meent betrokkene, dat hij,
- gezien het karakter van het blad waarvoor het artikel werd geschreven;
- gezien het aangedragen feitenmateriaal waarop de opinies over de nieuwsbladpers gebaseerd waren;
- gezien het aanbod aan de Nieuwsbladpers in een artikel onjuistheden recht te zetten en desgewenst een geheel andere visie aan de lezers van De Vakbondskrant voor te leggen,
niet de grenzen heeft overschreden van wat, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

REPLIEK KLAGERS

Klagers blijven het in strijd achten met het journalistiek fatsoen om tegenstanders te betitelen als 'ouderwetse uitbuiters' en 'analfabeten'. Er zijn wellicht zeer uitzonderlijke situaties denkbaar waarin dergelijke termen door een journalist gebruikt kunnen worden, maar in deze zaak blijkt dat dergelijke ernstige feiten hier niet aan de orde zijn.
Graftdijk schijnt er vanuit te gaan, dat er voor een vakbondskrant andere journalistieke regels zijn, maar is het publiceren van pertinente onjuistheden en beledigingen het doen beantwoorden van De Vakbondskrant aan 'een van zijn meest eigenlijke functies'?
De Vakbondskrant heeft een zeer grote verspreiding en wordt niet alleen door de leden van de aangesloten organisaties gelezen. Bovendien is het artikel via een ANP-telexbericht verspreid. Klagers hebben daardoor dan ook aanzienlijke schade geleden tengevolge van aantasting in eer en goede naam.
Ten onrechte zegt Graftdijk dat er een impasse was ontstaan in de CAO-onderhandelingen. Er was reeds gedeeltelijk overeenstemming bereikt en de discussie was nog aan de gang. De impasse is juist ontstaan door het gewraakte artikel!
Wat het inwinnen van informatie betreft bij de klagers zelf, is de redenering dat dit het overdoen zou betekenen van de discussies uit het delegatie^overleg, onbegrijpelijk. ConsenSUs vooraf als voorwaarde voor publicatie is door klagers geenszins als eis gesteld. Graftdijk was
echter alleen bereid tot het openen van een polemiek, waaraan klagers uiteraard geen behoefte hebben. Hier komt nog bij dat Graftdijk toe^ geeft op een aantal punten onjuiste informatie te hebben verschaft, maar ook op deze punten werd rectificatie geweigerd.
Tegen beter weten in wordt volgehouden dat de feiten het artikel rechtvaardigen. Daarbij worden uiterst vage opmerkingen gemaakt, zoals 'lage salarissen' (maar over de salarissen is in de CAO-onderhandelingen steeds overeenstemming bereikt met de NVJ, uiteraard is 'laag' uiterst relatief), 'lange werktijden' (eveneens uiterst arbitrair, bovendien is er op basis van de CAO compensatie voor extra-uren), 'onzekerheid over de rechtspositie' (onjuist en nergens aangetoond), 'moeizame CAO-onderhandelingen' (er is steeds overeenstemming bereikt; nu is door het artikel echter een ernstige impasse ontstaan), 'het hanteren van het concurrentiebeding' (worden bij de nieuwsbladpers niet algemeen gehanteerd maar zijn op zich een normaal en maatschappelijk aanvaard verschijnsel. Eventuele concurrentiebedingen worden uiterst soepel toegepast).
Bij het verweer van Graftdijk tegen de 16 punten met onjuistheden wordt door klagers aangetekend, dat weerlegging in de geest van 'geen objectief vast te stellen feiten' voor zichzelf spreken, terwijl in andere gevallen de beschuldigingen niet worden waargemaakt, dan wel dat het verweer onjuist is.
Bij punt VI A wordt opgemerkt: Geheel onjuist. Minimumloon per 1 juli 1977 f 1.591,20 per maand, dat wil zeggen f 19.094,40 per jaar. Het laagste schaalbedrag van de CAO voor nieuwsbladjournalisten voor 23 jarigen en ouder was per 1 juli 1977: f 19.535,-. Bij punt VI B en C wordt opgemerkt dat de onjuistheid door Graftdijk in feite wordt erkend.
Bij punt IX wordt opgemerkt dat de NVJ slechts 34 van de 130 journalisten in haar enquête heeft betrokken. Zelfs als het juist mocht zijn dat 11 van de 24 ofwel geen aanstellingsbrief hadden ofwel hierin een omschrijving van hun functie ontbrak, hieruit niet geconcludeerd kan worden dat vrijwel geen enkele journalist in het bezit was van een aanstellingsbrief, zoals in het artikel wordt gedaan. Het resultaat van een NNP-enquête uit februari 1976, dat voor zichzelf zou spreken, wordt overgelegd.
Ten aanzien van het verweer tegen punt XIV merken klagers op: Bij vijf ondernemingen met in totaal maximaal zeven journalisten was er (nog) geen sprake van een pensioenregeling, terwijl bij een van de ondernemingen een pensioenregeling nog in de maak was. Graftdijk keert de zaak om: Blijkens de enquête, die mede door de NVJ werd gehouden voldeden de meeste werkgevers wel aan hun verplichtingen.
Bij het verweer tegen punt XV wordt van een volstrekt verwerpelijke en onrechtmatige benadering van de heer Boom gesproken. De werkomstandigheden voor journalisten zijn bij Boom juist zeer goed, de nieuwsbladen van de Boompers zijn van een zeer behoorlijk niveau en het ziekteverzuim is in de onderneming van Boom over 1977 slechts 3,97% en bij de journalisten zelf slechts 2,65%. Boom bekleedt inderdaad meerdere functies bij de NNP, maar het betreft hier een kleine organisatie die de beschikbare krachten in verschillende functies gebruikt.

Resumerend:
Alle door Graftdijk in het artikel als feiten gepresenteerde beweringen blijken onjuist te zijn, op geen enkele wijze is bewezen dat de gebruikte qualificaties gerechtvaardigd zijn, terwijl de uitlatingen van Graftdijk bovendien onnodig beledigend en grievend zijn.
Voorts is er sprake van een ernstige persoonlijke aanval op de persoon van Boom die door niets gerechtvaardigd wordt. Hier wordt moedwillig getracht een tegenstander in diskrediet te brengen, waarbij de journalistieke en maatschappelijke fatsoensnormen volstrekt uit het oog verloren zijn.

ZITTING

Betrokkene legt uit dat men het artikel moet lezen tegen de achtergrond van de vakbondsstrijd, al betekent dit geen carte blanche zoals de klagers suggereren. Bij de informatievergadering is hij afgegaan op een betrouwbare bron, namelijk degene die zelf aan de onderhandelingen heeft deelgenomen. De belangrijkste passages uit het artikel zijn ook nog tevoren aan hem telefonisch voorgelegd. Het horen van de wederpartij vooraf is in dergelijke kwesties onmogelijk en onnodig. Zelfs het nachecken van feiten en cijfers bij de tegenpartij is onmogelijk. Gezien de grote belangen die er bij te pas komen, wordt men toch steeds weer geconfronteerd met sterk uiteenlopende interpretaties. Dit komt ook weer tot uiting bij de meningsverschillen over dit artikel.
In punt IX is door klagers aan de orde gesteld, dat in het artikel ten onrechte gezegd wordt dat 'vrijwel geen enkele nieuwsbladjournalist in het bezit bleek te zijn van een arbeidscontract of aanstellingsbrief zoals toen is voorgeschreven'. Volgens een enquête van de NNP zou dit bij veruit het grootste aantal wel het geval zijn. In zijn verweerschrift zegt betrokkene dat 11 van de 34 of geen aanstellingsbrief hadden of een aanstellingsbrief waarin de functie ontbrak. Dat klopt toch niet met de uitspraak 'vrijwel geen enkele journalist etc.', aldus klagers.

Hiertegen voert betrokkene aan, dat slechts enkele journalisten, als men ook let op de andere in zijn verweer ongenoemde gebreken, een aanstellingsbrief hadden die conform de CAO was. De gemachtigde van de klagers merkt op, dat vele ondernemingen een eigen model hanteren, maar dat betekent nog niet dat hier in strijd gehandeld wordt met de CAO. Er zijn ook nieuwsbladen die aanstellingsbrieven volgens de NDP-voorschriften gebruiken, d.w.z. dat nog aan stringenter eisen dan volgens de NNP-CAO wordt voldaan. Men moet dit zien tegen de achtergrond van de situatie in de nieuwsbladpers waar naast grote bladen ook bladen met een zeer kleine oplage voorkomen. Maar bij de enquête van de NVJ aldus de betrokkene, bleek dat in zeer vele aanstellingsbrieven essentiële gegevens ontbraken. De gemachtigde van klagers acht de uitslag van de enquête echter niet voldoende representatief.
Bij punt XIV wil betrokkene zijn verweerschrift op dit punt nog corrigeren en aanvullen: 7 van de 33 ondernemingen kennen geen pensioenregeling, terwiJl 5 geen premie reserveren zoals de CAO voorschrijft, m.a.w. 12 van de 33 ondernemingen voldoen niet aan hun verplichtingen. Het is zijns inziens zeker juist om hier van 'een groot aantal' te spreken. Volgens betrokkene mogen termen als 'uitbuiters' in dit artikel gebruikt worden, gezien de aard van de misstanden die zich voordoen. Dergelijke termen worden dagelijks in de pers gebruikt. Ook in de dagbladpers is de laatste jaren de toon scherper geworden. Als men zoals Boom in die mate langs de weg timmert, loopt men de kans scherp te worden bekritiseerd. De gemachtigde van klagers brengt hiertegen in, dat de sfeer bij de CAO-onderhandelingen toch steeds goed is geweest. Ook bij deze onderhandelingen was vóór het artikel niet van een impasse sprake. Dat Boom zoveel functies binnen de NNP vervult, overigens vrijwillig en gratis, is een gevolg van het feit dat de NNP een zeer kleine organisatie is . Deze bereidwilligheid van de heer Boom werkt voor de NNP zeer kostenbesparend. Het apparaat van de NNP is niet met dat van de NVJ te vergelijken. De kritiek op Boom is teveel op de persoon gespeeld en gaat alle perken te buiten.
Gezien de geconstateerde misstanden was de gebruikte terminologie functioneel, aldus betrokkene. Uit een kon na de publicatie in De Vakbondskrant in Elseviers Weekblad (d.d. I oktober 1977) verschenen artikel, dat hij bij zijn verweerschrift heeft gevoegd, waarin Boom zelf aan het woord komt, wordt diens patriarchale optreden alleen maar onderstreept en ook de term 'magnaat' gebruikt. Dit is achteraf een bewijs dat hij juist zat.
De gemachtigde van de klagers merkt op, dat dit artikel in Elseviers Weekblad nu juist duidelijk maakt welke ongunstige gevolgen het artikel uit De Vakbondskrant heeft veroorzaakt: hier is sprake van een sneeuwbaleffect.
Betrokkene stelt vervolgens dat ook de NNP zelf zeer forse taal gebruikt. Er is in het verenigingsblad een artikel verschenen 'De wereld gaat aan Graftdijks ten onder'. Graftdijk en Keizer worden hierin beschuldigd de oorzaak te zijn van het bestaan van 200.000 werklozen. De gemachtigde van klagers zegt dit artikel inderdaad minder juist te vinden. Het was echter slechts badinerend bedoeld.
Op de vraag waarom geen gebruik gemaakt is van de geboden mogelijkheid tot het plaatsen van een wederwoord, wordt gezegd dat klagers niet op een dergelijk niveau wilden discussiëren. Waarom wilde De Vakbondskrant de onjuistheden niet rectificeren? zo is de reactie. Wij kregen een dreigbrief, aldus betrokkene, waarin rechtzetting werd geëist onder bedreiging met een kort geding, terwijl niet werd aangegeven wat nu moest worden gerectificeerd. Dat zouden wij pas later horen. Van de kleine fouten die ik gemaakt had en die ik overigens betreur, was ik toen nog niet op de hoogte. In de brief stond meer voorop dat wij de 'beledigingen' moesten terugnemen; onjuistheden werden niet gespecificeerd.

OVERWEGINGEN

De primaire vraag die bij de behandeling van deze klacht moet worden beantwoord is of ten aanzien van elk persorgaan dezelfde normen gelden.
De Raad is van mening, dat zich hierbij verschillen kunnen voordoen op grond van de aard van het persorgaan en het publiek waartoe het zich richt. Een vakbondsorgaan heeft onder meer als functie het mobiliseren van de leden. De betrekkingen met werkgevers en werkgeversorganisaties zullen vaak een 'strijdkarakter' dragen, waarbij wederzijds forse taal niet wordt geschuwd. De personen die in dergelijke conflictsituaties een belangrijke rol spelen zullen scherpe kwalificaties die 'functioneel' zijn, d.w.z. dat zij betrekking hebben op hun positie in de arbeidsverhoudingen, tot op zekere hoogte moeten accepteren.
Niettemin dient als uitgangspunt daarbij te gelden dat kritische stellingnamen op voldoende ondergrond moeten rusten. Dit laatste wordt door klagers ten aanzien van het betrokken artikel bestreden, terwijl daarbij wordt opgemerkt dat het beginsel van hoor en wederhoor in dit geval niet is toegepast. Betrokkene kan echter worden toegegeven dat toepassing van dit beginsel in het onderhavige geval geen realistische eis is. Beide partners op het terrein van de arbeidsverhoudingen staan in de regel ook voor wat betreft de interpretatie van feiten diametraal tegenover elkaar. De eigen visie mag hierbij onverkort naar voren worden gebracht, al blijft de journalist verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van zijn bronnen. In dit geval mocht betrokkene afgaan op de betrouwbaarheid van zijn bron, die immers zelf aan de CAOonderhandelingen had deelgenomen.
Over de feitelijke juistheid en gerechtvaardigdheid van enkele stellingnamen in dit artikel bestaat ook bij de Raad twijfel. Toegegeven dient echter te worden dat bij vakbondsberichtgeving opinies en feiten vaak niet duidelijk zijn te scheiden, hetgeen weer het gevolg is van het strijdkarakter van een dergelijk blad.
Het is begrijpelijk, dat klagers het oneens waren met bepaalde aantijgingen en gestelde feiten. Door betrokkene is echter de plaatsing van een wederwoord van ruime omvang aangeboden en het is voor de Raad onbegrijpelijk dat klagers hierop niet zijn ingegaan. Op deze wijze had men de gestelde feiten kunnen rechtzetten en de daarop gebaseerde kwalificaties kunnen bestrijden. Bij voorbaat de toezegging van een rectificatie eisen, zoals klagers deden, zonder dat de betwiste feiten worden gespecificeerd, was geen reële eis, mede gezien de positie waarin partijen tegenover elkaar staan.

BESLISSING

Hoewel enkele gebruikte kwalificaties gezien de feitelijke stellingname waarop deze gebaseerd waren, op de rand van het journalistiek toelaatbare kunnen worden geacht, verklaart de Raad de klacht als geheel ongegrond, mede gezien de geboden mogelijkheid voor plaatsing van een wederwoord.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 15 mei 1979 door mr H. B. Vroom, voorzitter; D. F. Houwaart, drs J. M. M. van der Pluijm, H. A. UiLenbroek en drs A. A. V. Tummers, leden; in tegenwoordigheid van mr J. M. de Meij, plaatsvervangend secretaris.

RvdJ 1979, 7.