1979/5 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake mr Th.R.H. Vreede tegen Extra.

Mr Th. Vreede (klager) heeft bij brief van 22 december 1978 een klacht ingediend tegen de heer C. van Groningen, redacteur van het weekblad "Extra"(betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de klacht met instemming van klager en betrokkene zonder nader onderzoek behandeld met inachtneming van artikel 19, vierde lid,van Reglement, luidende:

Mits bij de klager noch bij de betrokkene daartegen bezwaren bestaan, kan de Raad eveneens een zaak zonder nader onderzoek door een met redenen omkleed oordeel beƫindigen, indien in verband met de aard der zaak hem een zodanig onderzoek overbodig en deze wijze van afdoening der zaak doelmatig voorkomt.

De Raad heeft hiertoe besloten omdat uit een over dezelfde klacht gewezen vonnis in kort geding van de Vice-President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam gedateerd 16 november 1978 de feiten en omstandigheden voldoende duidelijk naar voren komen. De Raad heeft de klacht behandeld ter zitting van 3 mei 1979.

KLACHT

In het weekblad "Extra" van 8 september 1978 is het artikel van de heer C. van Groningen verschenen onder de titel "Tuinders dupe van verkooppraktijken". De klacht van klager richt zich tegen de hieronder geciteerde passage uit het artikel: "De gebroeders Hermes uit Berkel en Rodenrijs wonnen voor de Haagse Rechtbank een tegen hen ingestelde procedure. De inzet: een bedrag van f 18.707,- Ze betaalden uiteindelijk toch - "in der minne" - ruim veertien mille aan Piet van Paassen. Dit gebeurde nadat mr Vreede had laten weten beroep in cassatie te zullen instellen en hij fijntjes had meegedeeld hoe duur dat wel zou zijn. De gebroeders schrokken en betaalden." Bij vonnis in kort geding van de Vice-President der Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 november 1978 is de uitgeefster van "Extra", Uitgevers- en Publiciteitsbedrijf De Lage Landen bv veroordeeld een bepaalde rectificatie van de gehele passage te plaatsen. In dit vonnis is de overweging neergelegd dat de betreffende passage een indruk en suggestie wekt, die geheel in strijd is met de bij het vonnis vastgestelde feiten, zodat de gehele passage te beschouwen is als in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer tegenover klager betaamt en dus onrechtmatig.
De klager verzoekt de Raad als zijn oordeel uit te spreken dat de betreffende passage schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. Door klager zijn aan de Raad ter staving van zijn klacht onder meer overlegd het betreFfende artikel in "Extra", en het vonnis in kort geding.

VERWEER

Betrokkene stelt dat aan mr Vreede kort na verschijning van het artikel in "Extra" op een desbetreffend verzoek van klager rectificatie is aangeboden door de uitgeefster van "Extra". Klager wenste daarmede geen genoegen te nemen en eiste in kort geding een uitvoerige weerlegging van de omstreden passage in de vorm van een rectificatie. Overeenkomstig het vonnis is in "Extra" de door de Vice-President van de Arrondissementsrechtbank bevolen rectificatie geplaatst. Nu klager met succes een beroep op de rechter gedaan heeft ontgaat betrokkene de ratio van de klacht bij de Raad.

OVERWEGINGEN

De omstandigheid dat dezelfde klacht reeds ter behandeling is voorgelegd aan de burgerlijk rechter leidt niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van de klacht. De Raad heeft een eigen bevoegdheid inzake klachten journalistieke gedragingen betreffende. De Raad heeft nagegaan of de rectificatie die de uitgeefster van "Extra" aan klager op diens verzoek heeft aangeboden er toe had kunnen leiden dat de zaak daarmee als afgedaan beschouwd kon worden. Nu het aanbod tot rectificatie zich beperkte tot rechtzetting van slechts een enkele onjuistheid en niet van de volledige passage is de Raad van mening dat dit aanbod onvoldoende was. De Raad conformeert zich aan het oordeel van de Vice-President van de Arrondissementsrechtbank over de betreffende passage namelijk dat "de gehele passage is te beschouwen als in strijd met de zorgvuldigheid die gedaagde in het maatschappelijk verkeer tegenover eiser betaamt en dus onrechtmatig." De Raad acht het overigens een goed journalistiek beginsel om dubieuze verkooppraktijken, waarover in dit artikel geschreven wordt, aan de kaak te stellen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond. De Raad besluit deze beslissing uitsluitend ter kennis van partijen te brengen.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 mei 1979 door mr R. de Waard, plvv. voorzitter, ing. O. Postma, mw mr T. Faber-de Heer, mr F. Kuitenbrouwer, K. Wiese in tegenwoordigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 5.