1979/4 deels gegrond

Sahinturk contra De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de heer Sahinturk tegen De Telegraaf.

Mevrouw IJ. van Mosseveld, maatschappelijk werkster bij de Algemene Reclasseringsvereniging te Amsterdam heeft namens heer cliënt, de heer E. Sahinturk (klager) bij brief van 10 november 1978 een klacht ingediend tegen de heer E. Koch, redacteur van De Telegraaf (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 3 mei 1979. Hier zijn verschenen de heer Sahinturk en mevrouw Van Mosseveld.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie van de hand van betrokkene in De Telegraaf van 20 oktober 1978 onder koppen 'Riet niet in voor uitheemse ideeën' en 'Turk hoort 7 maanden eisen wegens mishandeling'. De publicatie betreft een weergave van de rechtbankzitting waar klager terecht stond op grond van mishandeling.
Klager stelt dat zijn anonimiteit is geschonden doordat hij in de publicatie wordt aangeduid als 'de Turkse koffiehuishouder Ekaim S. uit de tweede Jan Steenstraat' .
Daarenboven zijn gegevens over de persoon van klager, zijn achtergronden en omgeving uit hun verband gerukt en in een zodanige context geplaatst dat het artikel voornamelijk sensatieverwekkend is. Feiten zijn verdraaid en verzonnen. Met name richt de klacht zich tegen de volgende passages uit de publicatie: 'De vrouw die mijn leven deelt is mijn persoonlijk bezit. Zij moet haar mond houden en doen wat ik zeg.' 'Het Turkse koffiehuis in de Amsterdamse Pijp daverde dan ook vaak op zijn grondvesten tijdens hun discussies, maar koffiebaas Ekaïm kreeg zijn opvattingen er bij Mokumse Rietje niet in. ' 'Ondanks de kwaliteit van zijn koffie liet zij hem na een relatie van 8 maanden in de
steek...'. 'Als zij bij me vandaan gaat, tatoueer ik haar.' '..., die zich als man en als Turk door haar afwezigheid zonder verlof A of B diep vernederd voelde ....'. En voort het gebruik van de aanduiding
'koffiemagnaat' in de publicatie.
Klager verzoekt de Raad een oordeel uit te spreken over de namens hem voorgelegde klacht.

VERWEER

Betrokkene merkt op dat de klacht niet ingaat op de hoofdzaken van zijn rechtbankverslag, te weten: het duidelijk stellen van de beschuldiging; het putten uit het verhoor van de verdachte; de visie van de
officier van justitie en het weergeven van het verweer van de verdachte en diens raadsman.
De bezwaren gelden vrijwel uitsluitend woordkeus en stilistische voorkeuren van de verslaggever.
Wat betreft de passage 'De vrouw die mijn leven deelt is mijn persoonlijk eigendom...' stelt de betrokkene dat deze passage vroeger door klager geuit was en in de stukken voorkwam. De president besteedde ter zitting aandacht aan deze vroegere uitlating omdat deze, naar de mening van betrokkene, de sleutel tot de hele affaire vormt. Deze uitlating tekent immers het grote verschil in levensopvatting en cultuurpatroon van de twee partners. Berichtgeving die om een of andere reden niet gewenst is bestempelt men al snel als sensationeel. Dit nog afgezien van het feit dat het gebeuren in kwestie - de verminking van een vrouw met een kapot bierglas - nogal schokkend, zo men wil sensationeel is. Betrokkene is van mening dat de klacht ongegrond is.

ZITTING

Klager licht toe dat voor de vermelding van het Turks koffiehuis in de Tweede Jan Steenstraat zijn anonimiteit geschonden is. Er is maar één Turks koffiehuis in deze straat. Hierdoor is hij herkenbaar geworden voor de lezers. Naar zijn zeggen heeft hij hierdoor schade en hinder ondervonden in de vorm van vernielingen aan zijn koffiehuis en van anonieme brieven en telefoontjes die van lezers afkomstig waren. Klager stelt dat hij als verdachte van een misdrijf recht heeft op anonimiteit De uitlating in de publicatie voorkomend dat hij haar zou tatoeëren als zij bij hem weg zou gaan is niet van klager afkomstig. Dit is door hem nooit gezegd. De aanduiding van hem als koffiemagnaat plaatst hem in een verkeerd daglicht.
In dit verslag is nauwelijks gestreefd naar objectieve voorlichting maar meer naar bevrediging van sensationele behoeften van de lezers. Klager baseert dit op het taalgebruik en de goedkope grapjes in de publicatie die onnodig denigrerend zijn ten opzichte van hem. Overigens erkent klager dat het verslag een goede samenvatting is van de terechtzitting.

OVERWEGINGEN

Hoewel betrokkene niet ter zitting is verschenen is de Raad van mening dat, gelet op de gewisselde stukken, de verdediging van de belangen van betrokkene voldoende tot zijn recht is gekomen.
De Raad constateert dat betrokkene de goede gewoonte - volgens vaste jurisprudentie van de Raad - om bij strafzaken de anonimiteit van de verdachte te waarborgen kennelijk erkent. Klager wordt door betrokkene immers niet met zijn volledige naam aangeduid. Hoewel betrokkene deze goede gewoonte blijkbaar onderschrijft, schendt hij echter niettemin de anonimiteit van de verdachte door de toevoeging van Turks koffiehuishouder uit de Tweede Jan Steenstraat. Dit is laakbaar, temeer nu betrokkene niet de plaats waar het misdrijf plaatsvond vermeldt maar wel deze - onnodig te achten - nadere aanduiding van verdachte geeft.
Hoewel de Raad niet geroepen is als stijlcriticus te fungeren onderschrijft de Raad de opmerking van klager dat goedkope grappen gebezigd zijn, zij het dat de Raad meent dat daardoor het door de klager beweerde sensationele karakter van het verslag in zoverre wordt afgezwakt, dat de ernst van het gebeurde daardoor wordt gerelativeerd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond, voorzover het betreft de schending van de anonimiteit van verdacht. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 mei 1979 door mr K. de Waard, plvv. voorzitter; ing. O. Postma; mw mr T. Faber-de Heer; mr F. Kuitenbrouwer; K. Wiese in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 4.