1979/3 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de heer A. Vondeling tegen De Volkskrant

De heer A. Vondeling, voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, (klager) heeft bij brief van 9 januari 1979 een klacht bij de Raad voor de Journalistiek ingediend tegen De Volkskrant, met name tegen de hoofdredacteur, de heer Van der Pluijm, en tegen de parlementair redacteur, de heer K. Bastianen (betrokkenen). Nadat betrokkenen een verweerschrift hadden ingediend, klager daarop had gerepliceerd en betrokkenen hadden gedupliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld in een openbare zitting op 22 maart 1979, waar zijn verschenen klager en betrokkenen.

DE KLACHT

In De Volkskrant van 29 november 1978 is een artikel verschenen onder de titel "Politici lijken nerveus" van de heer Bastianen. Het artikel werd gepubliceerd naar aanleiding van de gebeurtenis dat het PPR-Tweede Kamerlid Waltmans de minister-president in kennis stelde van enkele geruchten over prins Bernhard. In dit artikel komt de volgende passage over het Tweede Kamerlid Dankert voor: "Het begon twee jaar geleden. Het PvdA-kamerlid Dankert werd er toen van beschuldigd gunsten te hebben aanvaard van de Franse vliegtuigfabriek Dassault in ruil voor zijn steun aan de vervanging van de Starfighter door de Franse Mirage en niet door de Amerikaanse F-16. Er viel niets te bewijzen, er was niets aan de hand." Klager wees de heer Bastianen tijdens een persoonlijke ontmoeting de dag na de publicatie op de onjuistheid van deze passage over Dankert en deelde hem mede erop te rekenen dat dit gecorrigeerd zou worden. Toen dit niet binnen enkele dagen daarna gebeurd was, zond klager, ingaande op de suggestie van de heer Bastianen, donderdag 7 december 1978 de volgende brief naar De Volkskrant ter publicatie:

" Nieuwe geruchten Ondanks een dringend verzoek vond uw medewerker Kees Bastianen het niet nodig een ernstige fout te herstellen. Of misschien hield de hoofdredactie dat tegen. Ik weet het niet en het interesseert mij ook nauwelijks. Maar het is wel erg jammer, want het gaat om de goede naam van iemand. In dit geval de goeie naam van collega Piet Dankert. Wat beweert Bastianen in een artikel "Politici lijken nerveus"; oude geruchten rond Bernhard in uw krant van 29 november? (Hierna volgt de hierboven geciteerde passage uit het artikel.) Dat is een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken. Dankert werd niet beschuldigd; Dassault werd beschuldigd. Dankert was de aanklager en, later, getuige. Waarom kost het kranten zo vaak moeite om grove fouten ruiterlijk te erkennen en zo gauw mogelijk royaal te herstellen. Ik hoopte dat het dinsdag zou zijn gebeurd in de rubriek Den Haag dinsdag; zelfs dit niet. Misschien kan de hoofdredactie in een onderschrift vertellen wat haar beleid is in dit soort zaken."

Daarop werd op korte termijn geen enkele reactie van de zijde van De Volkskrant ontvangen. Klager uitte zijn ongenoegen over deze kwestie in een gesprek met een medewerkster van Vrij Nederland, dat om andere redenen plaats vond. In het weekblad Vrij Nederland, dat op 13 december verscheen werd klager over deze kwestie aan het woord gelaten. Bij brief van 15 december 1978 reageerde de betrokken hoofdredacteur op de ter publicatie ingezonden brief. Hij deelde mee een rechtzetting van de passage over Dankert niet gerechtvaardigd te achten. Op de vraag naar het beleid van deze hoofdredactie inzake rectificeren antwoordde de hoofdredacteur dat rechtzettingen plaatsvinden, als er fouten zijn gemaakt, die ergens enige schade - in welk opzicht ook - kunnen veroorzaken of fouten die informatief dusdanig onjuist zijn dat daardoor een scheve voorstelling van zaken bij het publiek ontstaat. Klager is van mening dat er sprake is ten eerste van een journalistiek vergrijp nl. van het uiten van ongegronde beschuldigingen en ten tweede van handelen in strijd met punt 5* uit de

*Artikel 5 luidt:"Hij (de journalist) zal bereid zijn elke verstrekte informatie die schadelijk onnauwkeurig blijkt op royale wijze recht te zetten."
Beginselverklaring van de IFJ over het gedrag van journalisten omdat betrokkenen niet bereid waren een zijns inziens simpele correctie in de krant op te nemen, en vervolgens evenmin bereid waren zijn ter publicatie ingezonden stuk op te nemen. Het is klager bekend dat de heer Dankert zich door deze publicatie ernstig gegriefd voelt. Hij verzocht de Raad zijn oordeel over deze zaak te geven mede omdat het aanzien van het Parlement en de parlementaire pers in het geding is.

VERWEER

De ter publicatie ingezonden brief van klager kreeg de hoofdredacteur eerst op vrijdag 8 december 1978 onder ogen. In deze brief sprak klager over " het herstellen van een ernstige fout", suggereerde hij dat de hoofdredactie een correctie zou hebben tegengehouden en werd naar het hoofdredactionele beleid in dergelijk zaken gevraagd. Bovendien was er een soort algemene reprimande aan alle kranten in Nederland in te lezen, dat deze zoveel moeite hadden om een grove fout ruiterlijk te erkennen. Mede omdat de pagina's met ingezonden brieven voor de vrijdag- en zaterdagkrant vrijwel geheel geproduceerd waren zag de hoofdredacteur geen aanleiding de brief onmiddellijk op te nemen maar achtte hij het nuttiger eerst met de heer Bastianen te overleggen.

Op zondag 10 december 1978, nog voordat dit overleg had plaatsgevonden, werd de hoofdredacteur gebeld door een medewerkster van Vrij Nederland die hem op de hoogte stelde van de verontwaardiging van klager over deze zaak. De hoofdredacteur vond het uiterst onbehoorlijk van klager dat deze, slechts enkele dagen nadat zijn brief ter publicatie aan De Volkskrant was gezonden, van zijn ontstemming over deze zaak reeds tegenover een ander publiciteitsorgaan uiting gaf. Hij zag geen aanleiding klager ook in de eigen krant nog voor deze kwestie ruimte ter beschikking te stellen. Wat de feitelijke inhoud van de klacht betreft zijn betrokkenen van mening dat er geen sprake was van een ernstige fout. In het kader van een beschouwing, die over heel andere zaken ging, is ook de zaak-Dankert terug in de herinnering geroepen. Het ging om de sfeer van opspraak, die rond bepaalde politici was ontstaan. In dit licht diende deze passage te worden gezien.

Door betrokkenen is aan de Raad een aantal stukken overgelegd waaronder het requisitoir van de Officier van Justitie te Amsterdam tegen de indertijd als verdachte terechtstaande vertegenwoordiger van Dassault in Nederland, een en ander om duidelijk te maken dat Dankert's positie in de omkoop-affaire een uiterst onduidelijke is geweest.

Uit deze stukken komt, naar hun mening, duidelijk het beeld naar voren van een politicus bij wiens gedrag vraagtekens rijzen. Het is waar dat tenslotte Dankert Dassault beschuldigd heeft, maar wel op een laat moment. Hoewel Dankert er niet voor werd aangezien dat hij een cent heeft aangenomen, luidde de kritiek op hem dat hij in een bedenkelijke situatie verzeild geraakt was. Voorts geven betrokkenen hun visie op het functioneren van de moderne parlementaire pers. De kritische pers is niet langer bereid uitsluitend te functioneren vanaf de perstribune. Zij onderkent dat "het parlement" niet bestaat, maar uit partijen, stromingen en individuen bestaat. Vanuit deze realistische benadering is een vrijmoedig contact tussen parlementaire journalisten en politici gegroeid. In het dagelijkse lobbyproces van politici en journalisten ontstaat de politieke berichtgeving en ontstaan de stukken in de belichtende sfeer. In deze sfeer is het betreffende bericht tot standgekomen, zo stellen de betrokkenen. Betrokkenen zijn verder van oordeel dat de zaak door klager schromelijk overtrokken is. Indien klager op een andere wijze gereageerd had zou deze kwestie op een bevredigende wijze opgelost zijn. Dat de heer Dankert door deze publicatie gegriefd was, hebben betrokkenen niet bemerkt. Hij heeft integendeel De Volkskrant inzage gegeven in zijn privé-dossier over de affaire Dassault. Betrokkenen zijn op hun beurt gegriefd door de wijze waarop klager zijn klacht openbaar gemaakt heeft. Op een persconferentie, die ruime aandacht genoot, heeft klager zijn gedachten over misdragingen van de pers ten overstaan van heel Nederland geconcretiseerd en daarbij De Volkskrant als enige grote zondebok aan de schandpaal genageld. Hierdoor is schade aan de goede naam van de krant toegebracht. De hoofdredacteur vindt het ook uiterst incorrect dat klager de met hem gevoerde correspondentie openbaar gemaakt heeft.

ZITTING

Klager zegt dat voor de beschuldiging van ambtsmisbruik van een kamerlid een aparte procedure bestaat. Naar de heer Dankert is in verband met het omkoopschandaal zelfs geen vooronderzoek ingesteld. Klager refereert aan de uitspraak van minister-president Van Agt naar aanleiding van de interpellatie van het Tweede Kamerlid de heer Wolff ..."dat het onderzoek (naar de omkopingsaffaire) niet betrekking heeft op gedragingen van kamerleden"... Voorts merkte de heer Van Agt tijdens dit interpellatie- debat op dat hij geen concrete aanleiding had voor de veronderstelling dat onderzoek in dit verband naar het gedrag van kamerleden geboden zou zijn. Aan de requisitoir van de Officier van Justitie in de zaak tegen de vertegenwoordiger van Dassault in Nederland kan evenmin een aanwijzing worden ontleend dat de heer Dankert van ambtsmisbruik werd beschuldigd. Klager ontkent niet dat de heer Dankert onder meer verweten is dat hij de Justitie onhandig voor de voeten heeft gelopen. De aantijging in de betreffende passage in het artikel in De Volkskrant dat de heer Dankert niet onkreukbaar is, is volstrekt onjuist. Hiervan was geen sprake. Deze onjuiste beschuldiging van ambtsmisbruik vat klager zeer ernstig op. Hij wijst erop dat hij in deze niet voor zichzelf spreekt maar voor 150 kamerleden. Klager had verwacht dat de heer Bastianen de onjuiste passage, nadat hij hem erop geattendeerd had, zou corrigeren in de eerstvolgende rubriek Den Haag dinsdag. Dit gebeurde niet en de heer Bastianen verklaarde later, desgevraagd, dat ook niet te zullen doen maar suggereerde klager een stuk ter publicatie in te zenden. Het ingezonden stuk werd echter niet geplaatst en van de zijde van De Volkskrant werd eerst na ongeveer een week meegedeeld dat plaatsing niet zou geschieden. Het verweer van betrokkenen dat klager hen zo heeft opgejaagd door op zo korte termijn plaatsing te verwachten, komt klager onbegrijpelijk voor. Hij heeft in eerste instantie niet om plaatsing van een door hem ingezonden stuk verzocht maar om rectificatie door De Volkskrant zelf.

Overigens juicht klager een kritisch ingestelde (parlementaire) pers toe. Hij heeft er in zijn functie van kamervoorzitter, naar zijn zeggen, altijd naar gestreefd om het parlementaire gebeuren zo openbaar als mogelijk te doen zijn. Klager verzoekt de Raad een uitspraak over de verplichting, al dan niet, tot rectificatie tevens in algemene zin te doen, vanwege het grote belang daarvan zijns inziens. Betrokkenen werpen allereerst de vraag op of zij hier zitten als de zondebok van de Nederlandse pers of voor het artikel van de heer Bastianen. De wijze waarop door klager de klacht bij de Raad is ingediend heeft schade toegebracht aan de goede naam van de krant. Het geeft een vertekening van de werkelijkheid. De Volkskrant is niet het typische voorbeeld van onzorgvuldige journalistiek. De hoofdredacteur zegt verder dat de tekst van het ter publicatie ingezonden stuk hem noopte tot het instellen van een nader onderzoek. Klager wees namelijk op een grove fout die gemaakt zou zijn en suggereerde dat een hoofdredactioneel beleid stak achter het niet corrigeren van de door klager bedoelde passage door de betrokken journalist. Het vragen van een verslag over deze kwestie aan de heer Bastianen vergde enige tijd. Klager heeft, zijns inziens, door de inhoud van het ingezonden stuk alsmede door zijn opstelling, waaronder eerdere publiciteit over deze kwestie in een andere krant, ertoe bijgedragen dat geen rectificatie plaatsvond. Ware er op een andere wijze gereageerd dan zou een goede oplossing, zoals gewoonlijk bereikt wordt, ook hier bereikt zijn.

OVERWEGINGEN

Hoewel aan de Raad bij de behandeling van deze klacht een aantal overwegingen van meer algemene aard ter kennis zijn gebracht, is aan de Raad slechts één concrete klacht ter behandeling voorgelegd, zodat de Raad, conform zijn taakomschrijving, uitsluitend over deze klacht zijn oordeel uitspreekt. De in de klacht gewraakte passage in het artikel van de heer Bastianen suggereert als feit dat indertijd de heer Dankert openlijk is beschuldigd van het aanvaarden van gunsten van de Franse vliegtuigfabriek Dassault in ruil voor zijn steun aan de vervanging van de Starfighter door de Franse Mirage en niet door de Amerikaanse F-16, doch dat er niets te bewijzen viel. Zou de heer Dankert in werkelijkheid aldus gunsten hebben aanvaard dan zou hij zich, als lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal, aan een zeer ernstig misdrijf hebben schuldig gemaakt. Zoals ook door betrokkenen is erkend is er echter van een zodanige beschuldiging nimmer sprake geweest. De Raad maakt hierbij onderscheid tussen deze door haar precieze bewoordingen ernstige beschuldiging en de opspraak die in het zogenaamde informele politieke circuit rond de persoon van de heer Dankert moge zijn ontstaan. De Raad wil aannemen dat het niet in de bedoeling van de heer Bastianen heeft gelegen om zulk een beschuldiging niettemin als vaststaand te presenteren, doch dit neemt niet weg dat de desbetreffende passage laakbaar onzorgvuldig is geformuleerd. Voorts is de Raad van oordeel dat de in die passage voorkomende onjuistheid, gezien de ernst daarvan en mede gezien het verzoek van klager daartoe, behoorde te worden gerectificeerd, hetzij in de vorm van een publicatie door de redactie zelf, hetzij in de vorm van opneming, geheel of gedeeltelijk, van de door klager op aanraden van de heer Bastianen ingezonden brief. Van deze journalistieke plicht was de redactie niet ontheven door de omstandigheid dat ook via een ander blad dan De Volkskrant de ontstemming van klager een uitweg had gevonden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht zowel wat betreft het eerste als het tweede onderdeel daarvan gegrond.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 22 maart 1979 door mr H.B. Vroom, voorzitter, ing. O. Postma, D.F. Houwaart, mr F. Kuitenbrouwer, K. Wiese in tegenwoordigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 3.