1979/2 gegrond

S E. Vet-Bolier contra De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mw M. S. E. Vet-Bolier tegen De Telegraaf

Namens zijn cliënte mw M. S. E. Vet-Bolier (klaagster) heeft mr H. J . M. Boukema. advocaat te Amsterdam zich bij brief van 22 mei 1978 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen mw Dieuwke Grijpma, journaliste bij De Telegraaf (betrokkene).
Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en namens klaagster daarop is gerepliceerd door haar raadsman mr R. W. de Ruuk, die de behartiging van deze zaak van mr Boukema had overgenomen, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen . die deze heeft behandeld ter zitting van 1 maart 1979. Hier zijn verschenen mw Vet-Bolier, de heer Vet en mr De Ruuk.

DE KLACHT

De klacht van klaagster, die mode-ontwerpster in Nederland is, betreft het artikel van betrokkene in De Telegraaf van 31 januari 1978 onder de titel: "De originele mode van Marielle Bolier". Dit artikel is een bespreking van de door klaagster getoonde voorjaarscollectie 1978. De klacht richt zich tegen de van het artikel uitgaande suggestie als zou klaagster niet een origineel mode-ontwerpster zijn, maar haar collectie plagiëren van elders openbaar gemaakte mode-ontwerpen. Met name richt zich de klacht tegen de volgende passages uit dit artikel:

'De 'originele' mode van Marielle Bolier' en: 'Iemand, die niet de kunst verstaat zich op een behoorlijke manier te laten inspireren is Marielle Bolier. een Nederlandse confectie-ontwerpster met een Franse naam. Gisteren toonde zij in Amsterdam een voorjaarscollectie. die men niet anders kan betitelen dan als een samenraapsel van schaamteloos gepikte Franse mode-ideeën. Ideeën van confectie-ontwerpers als Kenzo. Thierry Mugler, Claude Montana en Kansai Yamamoto, die in oktober vorig jaar hun collectie al toonden', en: 'De kleding van Marielle Bolier wordt goed verkocht in ons land én in het buitenland. Dat is niet verwonderlijk, want haar prijzen zijn lager dan die van de Franse ontwerpers van wie zij de ideeën 'leende'. Het is prettig dat er een Nederlandse confectiefabriek is die goed draait. maar als ik Marielle Bolier was zou ik niet het lef hebben om me in m'n eigen persbericht een 'avantgarde mode-ontwerpster' te noemen.'

Deze mededelingen zijn volgens klaagster feitelijk onjuist. De collectie van klaagster is niet een 'samenraapsel van schaamteloos gepikte Franse mode-ideeën'. Evenmin is juist dat klaagster haar ideeën van derden 'leende'. Zij noemt zich niet zelf een 'avantgarde mode-ontwerpster'. Uit het aangehaalde persbericht blijkt dat het een citaat uit Franse bladen betreft. waarin over haar wordt gesproken.
De gebruikte bewoordingen zijn beledigend, althans (onnodig) denigrerend jegens klaagster te achten. Zij is door het artikel in haar rechtmatige belangen geschaad. met name de goede roep die zij als origineel mode-ontwerpster heeft verworven wordt erdoor in diskrediet gebracht. Omdat een protest bij De Telegraaf geen bevredigend resultaat opleverde heeft klaagster zich tot de Raad gewend.

VERWEER

Betrokkene staat op het standpunt dat hetgeen zij in het artikel over mw Vet-Bolier schreef wel degelijk juist is en bovendien wordt geadstrueerd door de bij het artikel geplaatste foto's. Zij stelt dat er meer foto's zijn die haar beweringen in het artikel staven en legt ten bewijze daarvan een vijftal foto's en een pagina van een tijdschrift aan de Raad over met voorbeelden van kleding van Franse mode-ontwerpers en de daarop geïnspireerde kleding van Marielle Bolier.
Betrokkene zegt van diverse mensen vernomen te hebben dat het merendeel van de door klaagster getoonde voorjaarscollectie niet zoals gebruikelijk en algemeen bekend - reeds ontworpen en aan inkopers getoond was in september/oktober 1977, zoals door de raadsman van klaagster bij brief van 6 februari 1978 aan de hoofdredactie van De Telegraaf meegedeeld werd. Het merendeel van de betreffende collectie zou in tegendeel eerst in de laatste weken van januari 1978 tot stand gekomen zijn. Betrokkene zegt dat verschillende modedeskundigen bereid zijn de feitelijke juistheid van haar artikel schriftelijk of mondeling te onderschrijven.
Voorts beweert betrokkene dat collega-moderedactrices haar verteld hebben dat klaagster hen na het verschijnen van het betreffende artikel heeft benaderd met de vraag voor haar als mode-deskundige te getuigen in geval van een kort geding. Klaagster heeft. volgens betrokkene. echter niemand daartoe bereid gevonden om de eenvoudige reden. dat iedereen die de mode in Parijs en Nederland op de voet volgt . met eigen ogen heeft kunnen constateren dat klaagster haar ontwerpen 'leent' van Franse confectie-ontwerpers. Betrokkene merkt tenslotte op dat zij ervan op de hoogte is dat veel Nederlandse mode-ontwerpers zich door Parijs laten inspireren . Haar bezwaar tegen klaagster is echter dat
deze suggereert dat haar collectie het produkt is van haar eigen creativiteit. In dit verband ontkent betrokkene dat haar artikel nodeloos krenkend en grievend zou zijn.

REPLIEK

Klaagster stelt dat de originelen van de foto's die bij het artikel afgedrukt waren duidelijk maken dat de suggestie van plagiaat op generlei wijze gerechtvaardigd is. Een eventuele gelijkenis van de op de foto's afgebeelde modellen wordt slechts veroorzaakt door de tengevolge van het raster bij het afdrukken optredende vaagheid van de foto's en door de vrijwel identieke houding van de mannequins. Ter nadere adstructie daarvan worden door haar een tweetal kleurenfoto's en twee mode-technische beschrijvingen overlegd. De bewering van betrokkene dat klaagster het merendeel van de op 30 januari 1978 getoonde voorjaarscollectie niet reeds aan inkopers getoond heeft in september/oktober 1977 is pertinent onwaar. Het is ondenkbaar dat modedeskundigen bereid gevonden zouden worden de beweringen van mv. Grijpma tot de hunne te maken. Klaagster ontkent dat zij collegamode-redactrices heeft benaderd met de vraag voor haar te getuigen.
Het is onmiskenbaar, zegt zij. dat 'mode' bepaalde tendensen vertoont en dat onderlinge invloeden in 'mode' hun neerslag vinden. Maar ook indien men ervan uitgaat, dat de collectie van klaagster daarvan wel sporen zal dragen. dan worden de in de klacht geciteerde passages uit het artikel daardoor allerminst gerechtvaardigd: deze overschrijden de normen van het journalistieke fatsoen.

ZITTING

Ter zitting licht klaagster haar klacht nader toe. Het artikel is geen bespreking van de door haar getoonde voorjaarscollectie maar zuiver een aantijging jegens haar. Zij noemt zichzelf niet een avantgarde mode-ontwerpster en pretendeert dit ook niet te zijn. Aan het slot van het persbericht dat met enkele foto's van ontwerpen ter gelegenheid van de voorjaarscollectie werd uitgereikt staat slechts dat in diverse Franse bladen publicaties op gang komen over 'de Nederlandse avantgarde ontwerpster Marielle Bolier'. Zij toont de Raad een voorbeeld van deze aanduiding in het blad Mode Internationale. Ten aanzien van haar werkwijze merkt zij op dat zij een jaar tevoren de stoffen inkoopt en dat de aard van deze stoffen voor een groot deel het modebeeld bepaalt.
Het komt vaak voor dat ontwerpen enigszins op elkaar lijken. Zo groepeert een modeblad vaak soortgelijke stijlen van toch verschillende ontwerpers bij elkaar. Overigens zijn in de voorjaarscollectie zo'n 80 ontwerpen getoond en twee daarvan heeft betrokkene aangegrepen om haar beschuldiging van plagiaat te onderbouwen.
Uit commerciële overwegingen is het niet mogelijk eerst in januari met een collectie te komen. De beurzen waarop zaken gedaan moeten worden vinden in de periode september/oktober plaats. Klaagster zegt dat zij zich niet tot de Raad gewend zou hebben indien betrokkene in de vorm van een bespreking van haar collectie een negatief oordeel daarover zou hebben gegeven. Betrokkene geeft echter geen kritische mening maar uit een zware beschuldiging die niet met argumenten gestaafd wordt.

OVERWEGINGEN

Ondanks de omstandigheden dat betrokkene niet ter zitting verschenen is. is de Raad van oordeel dat gelet op de gewisselde stukken de belangen van betrokkene voldoende verdedigd zijn.
De journalist heeft bij het schrijven van een recensie ook waar dit betreft een beoordeling van een mode-collectie een behoorlijke mate van vrijheid om zijn eigen mening weer te geven, die zeer kritisch kan zijn. Daar waar echter een ernstige beschuldiging wordt geuit, zoals in deze de beschuldiging van plagiaat, zal de journalist dit in voldoende mate met argumenten in zijn recensie dienen te onderbouwen. In dit geval ontbreken zodanige argumenten echter niet alleen in het betrokken artikel, doch heeft betrokkene evenmin naar aanleiding van de onderhavige klacht haar beschuldiging kunnen waarmaken. Des te kwalijker acht de Raad het dat zij anderzijds wel uitermate grievende kwalificaties als 'een samenraapsel van schaamteloos gepikte Franse mode-ideeën' heeft gebezigd.

BESLISSING

Door het publiceren van het artikel heeft betrokkene de grenzen overschreden van hetgeen, mede gelet op haar journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 1 maart 1979 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter, ing. O. Postma, D. F. Houwaart, mr F. Kuitenbrouwer, H. J. A. Hofland, in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 2.