1979/17 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake
 
de Prof. Mr. W.P.J. Pompekliniek
 
tegen
 
Panorama
 
Bij brief van 14 juni 1979 hebben het bestuur en de directie van de Prof. Mr. W.P.J. Pompekliniek (klagers) een klacht ingediend tegen de heer J. van der Kroon, journalist bij Panorama (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 20 december 1979. Verschenen zijn de heren J. van der Kroon en J. Heemskerk, hoofdredacteur van Panorama, en namens klagers de heer M.H. van Leuken.
 
KLACHT
 
De klacht richt zich tegen de publicatie over de Pompekliniek in het nummer van 25 mei 1979 van Panorama nr 21 onder de titel Ze denken dat hun agressie succes heeft. Het is het derde artikel in de serie over TBR (ter beschikkingstelling van de regering) van totaal vier artikelen van de hand van betrokkene.
Kort samengevat komt de klacht op het volgende neer. Betrokkene heeft klagers verzocht om medewerking van de zijde van de Pompekliniek bij het samenstellen van zijn serie artikelen over de TBR. Hem werd toegestaan gedurende drie dagen in de Pompekliniek aanwezig te zijn met het oog op zijn artikelenserie. Met betrokkene zijn de volgende schriftelijk bevestigde afspraken gemaakt over de publicaties voorzover deze betrekking hadden op de Pompekliniek:
a)      de inzage voor publicatie van de kopy voorzover betrekking hebbend op de Pompekliniek;
b)      het recht op controle van de tekst ter voorkoming van evidente feitelijke onjuistheden;
c)      het waarborgen van de anonimiteit van in de publicaties voorkomende bewoners, tenzij zij uitdrukkelijk hebben aangegeven dat dat voor hen niet hoeft;
d)      het recht van in de Pompekliniek verblijvende t.b.r.-gestelden, die persoonlijk geïnterviewd zijn, om hun verhaal voor publicatie op woord te controleren.
Nadat betrokkene een exemplaar van het betreffende artikel aan klagers binnen het kader van de gemaakte afspraken had gezonden, hebben klagers hem meegedeeld ernstige bezwaren te hebben tegen integrale publicatie van het artikel. De bezwaren tegen het artikel betroffen het volstrekt onvoldoende garanderen van de anonimiteit van de daarin vermelde bewoners.
Niet alleen waren de eigen voornamen gebruikt, maar ook waren van een aantal van hen details van de door hen bedreven delicten vermeld, zoals plaats van handeling, karakteristiek van het slachtoffer (weergave van zijn beroep, de familierelatie) en dergelijke.
Herkenning van de bewoners door familie maar ook door bekenden uit hun omgeving was mogelijk. De herkenning kan leiden tot moeilijk te overziene complicaties en spanningen in het ‘thuismilieu’ van deze bewoners, hetgeen zijn weerslag vindt in de behandeling en de resocialisatie, zo stellen klagers. Naar aanleiding van deze bezwaren heeft een bespreking met betrokkene plaatsgevonden op het departement van Justitie waarbij, behalve de algemeen en psychotherapeutisch directeur van de Pompekliniek, aanwezig waren het hoofd van de sector beleid van de directie TBR van het departement en de psychiatrisch adviseur van deze directie.
Tijdens deze bespreking is namens klagers met klem aangedrongen op zowel wijziging van de gebruikte voornamen als op weglating of wijziging van die delictdetails die voor de essentie van het artikel geen consequenties hadden maar die de betreffende bewoner herkenbaar deed zijn. Dit vanuit het belang van de bewoners van de Pompekliniek.
De naar de mening van klagers tijdens deze bespreking gemaakte afspraken zijn door hem schriftelijk vastgelegd en behelsden dat herkenbaarheid van de bewoners absoluut moest worden uitgesloten in die zin dat de eigen (voor)namen niet mochten worden gebruikt en dat de details van de delicten hetzij achterwege werden gelaten hetzij werden veranderd. Daarnaast heeft betrokkene van een tweetal bewoners een brief ontvangen waarin hem werd verboden uit het gehouden interview te publiceren c.q. de toegestuurde kopy te publiceren. Betrokkene bleek echter slechts bereid tot het wijzigen van de namen. Klagers achten de handelwijze van betrokkene zeer laakbaar omdat hij totaal heeft voorbijgezien aan de duidelijk onder zijn aandacht gebrachte persoonlijke belangen van een aantal bewoners. Klagers menen dat de hoofdredactie van Panorama in dezen eveneens verantwoordelijkheid draagt.
 
VERWEER
 
Betrokkene erkent dat de afspraken zoals weergegeven door klagers in hun klacht sub a t/m d zijn gemaakt. Een en ander betekent echter geenszins dat klagers eindredactionele bevoegdheden zijn toegekend hetgeen hen ook schriftelijk is meegedeeld. Betrokkene ontkent dat tijdens de bespreking ten departemente van Justitie toezeggingen zijn gedaan zoals door klagers worden gesteld. Hij heeft concreet toegezegd de voornamen te zullen veranderen in gefingeerde namen en voorts heeft hij slechts toegezegd het verzoek, om de bij de bewoners behorende delicten en aanverwante achtergronden te verwijderen dan wel te vervangen door nader te verzinnen gegevens, nader in overweging te nemen.
Betrokkene heeft, na zorgvuldige overweging, besloten, afgezien van de verandering van de negen voornamen, geen enkele wijziging in de tekst aan te brengen. Hij is van mening dat de anonimiteit van de betrokkenen voldoende is gewaarborgd ook al is hij zich ervan bewust dat zijn opvatting daarover afwijkt van die van klagers. Naar zijn mening zijn de bewoners reeds van elkaars delicten op de hoogte, evenals de naaste omgeving van ieder van hen, terwijl het verhaal voor mensen buiten die directe omgeving geen aanknopingspunten biedt om daden aan daders te koppelen.
Wat de brieven van de twee bewoners betreft stelt betrokkene dat hij met de ene bewoner duidelijke afspraken had gemaakt ter afbakening van wat wel en wat niet publicabel was en dat hij zich daaraan strikt heeft gehouden. Het interview met de andere bewoner was al gehouden vóór betrokkene's verblijf in de Pompekliniek en de betreffende bewoner had zich op de eerste dag van betrokkene's bezoek daar akkoord verklaard met de publicatie daarvan. Aangezien hem verboden was in kontakt te treden met deze bewoners (hetgeen hem daardoor ook niet mogelijk was) en hij de sterke indruk had dat deze bewoners onder zware druk stonden heeft betrokkene zich gehouden aan hetgeen voor het schrijven van de brieven was overeengekomen.
Betrokkene meent dat hij de anonimiteit van de bewoners voldoende heeft gewaarborgd, zowel qua tekst als op het gebied van de fotografie en dat hij méér dan voldoende oog heeft gehad voor de belangen van betrokken partijen en geenszins onfatsoenlijk te hebben gehandeld.
 
ZITTING
 
Nadat partijen haar functie bij justitie is meegedeeld hebben zij beiden verklaard geen enkel bezwaar te hebben tegen de aanwezigheid ter zitting van het raadslid mw mr. T. Faber-de Heer.
Namens klagers wordt ter zitting gezegd dat betrokkene gedurende drie dagen zo ongestoord mogelijk heeft kunnen verblijven op de gesloten afdeling van de Pompekliniek. Hoewel het aanvankelijk de bedoeling was dat betrokkene tijdens zijn verblijf ook andere afdelingen zou bezoeken, is er in toegestemd dat hij zijn bezoek tot deze afdeling beperkte.
Klagers vertrouwden erop dat betrokkene iedere herkenbaarheid van de bewoners zou voorkomen in zijn publicatie.
Dit is onder andere met hem besproken tijdens de unit-vergadering waarbij alle bewoners van de afdeling en de dienstdoende staf aanwezig waren. Betrokkene heeft toen duidelijk gesteld dat wanneer bewoners, met wie hij op basis van vrijwilligheid zou praten, bezwaar zouden maken tegen bepaalde passages in zijn artikel of tegen foto's, dat hij die dan niet zou opnemen in zijn publicatie. Ondanks de brieven van de twee bewoners heeft betrokkene toch het artikel gepubliceerd. Bovendien komt een bewoner, die tijdens de unit-vergadering had geweigerd met betrokkene te praten, toch in het artikel voor. Daarnaast zijn er foto's gepubliceerd waarop bewoners herkenbaar zijn. Ten aanzien van de anonimiteit van de bewoners is betrokkene uiteengezet hoe de staf daarmee omgaat. Aan de bewoners zelf wordt overgelaten of en op welke wijze hij zijn delict(en) aan zijn medebewoners bekend wil maken. Er zijn verder geen exacte afspraken hierover gemaakt met betrokkene. Wel is erover gesproken dat hij niet hetgeen hij van de ene bewoner hoorde bij de andere moest overbrengen.
Betrokkene zegt geen star standpunt te hebben ingenomen. Het wijzigen van de echte voornamen in gefingeerde namen kostte hem geen enkele moeite. Het geheel weglaten, wijzigen ja zelfs fingeren van de delicten ging hem echter te ver, omdat hij van mening is dat je als journalist zo dicht mogelijk de waarheid moet benaderen. Overigens zouden gefingeerde delicten tot verwarring bij de bewoners hebben geleid en daarmee eveneens tot schade. Betrokkene is, zo stelt hij, niet uitgelegd dat het een probleem vormde dat de medebewoners niet alles van elkaar wisten. Hem is nimmer duidelijk gemaakt welke delictsdetails nu juist tot herkenbaarheid leidden.
Door klagers is op geen enkel moment geconcretiseerd welke passages in de tekst wijziging behoefden. Ware dit wel gebeurd dan zou hij zeker daarop zijn ingegeaan. Desgevraagd geeft betrokkene toe ook niet zelf naar een nadere concretisering van de bezwaren te hebben gevraagd. Overigens was het klimaat daar op dat moment ook niet meer naar. Wat de brieven van de bewoners betreft merkt betrokkene het volgende op. Het verhaal van de bewoner, gepulbliceerd in het tweede artikel van de serie, was al opgetekend voor betrokkene’s bezoek aan de Pompekliniek.
Hij heeft met deze bewoner het artikel doorgenomen. De bewoner heeft er twee alinea’s uitgehaald en was voor het overige geheel akkoord. Betrokkene was dan ook nogal verbaasd over de brieven. Omdat hij noch met de stafleden noch met de bewoners zelf kontakt mocht en kon opnemen heeft hij de brieven naast zich neergelegd. Temeer omdat hij sterk de indruk had dat de bewoners onder druk stonden van de leiding van de Pompekliniek, getuige onder meer het indentieke schrijfpapier, hetzelfde lettertype en dezelfde data van de brieven. Wat de bewoner betreft die niet met hem in kontakt wenste te treden zegt betrokkene dat hij naderhand wel met hem heeft gesproken. De bewoner had geen enkel bezwaar tegen de passages die hij in zijn artikel wilde opnemen.
De foto’s die bij het artikel zijn gepubliceerd zijn door de Pompekliniek voor publicatie vrijgegeven, zo stelt betrokkene. Betrokkene is van mening dat elke publicatie over tbr-gestelden in welke vorm ook, schadelijk zou zijn. Naar zijn zeggen heeft hij de anonimiteit van de bewoners voldoende gewaarborgd, maar dit kan zijns inziens niet zover gaan dat deze ook voor de directe omgeving van de bewoner is gewaarborgd. De anonimiteit in acht te nemen bij een publicatie ligt anders dan die welke de therapeuten hanteren.
 
OVERWEGINGEN
 
De vraag die partijen verdeeld houdt is of betrokkene de anonimiteit van de bewoners volgens afspraak voldoende heeft gewaarborgd.
 
De Raad is van oordeel dat klagers door aan betrokkene toe te staan gedurende een aantal dagen binnen de Pompekliniek te verblijven met het oog op zijn publicatie een risico hebben genomen ten aanzien van de anonimiteit van de bewoners. Een dergelijk risico kan zeer wel opwegen tegen het belang dat is gelegen in een informatieve publicatie over tbr-gestelden. Het ligt echter voor de hand, indien, zoals gesteld, aan de privacy van de bewoners groot belang wordt gehecht dat met de journalist duidelijke afspraken worden gemaakt. De afspraak ten aanzien van de herkenbaarheid is schriftelijk als volgt vastgelegd:
dat de anonimiteit van de bewoners gewaarborgd is, tenzij zij uitdrukkelijk hebben aangegeven dat dat voor hen niet hoeft.
Deze afspraak acht de Raad zodanig algemeen dat het geen wonder is dat over de interpretatie van deze afspraak misverstand is gerezen. Het risico ten aanzien van de anonimiteit is aanzienlijk vergroot doordat klagers aan betrokkene hebben toegestaan gedurende zijn verblijf van drie dagen vrijwel uitsluitend op één (namelijk de gesloten) afdeling rond te lopen.
Betrokkene valt niet aan te rekenen dat de anonimiteit van de bewoners binnen de groep op deze afdeling in zijn publicatie niet volledig is ontzien. Dit komt geheel voor het risico van klagers. Het had op hun weg gelegen het bezoek, de kontakten met de bewoners en de afspraken inzake de publicatie beter te structureren. Nadat betrokkene conform de afspraak zijn tekst aan klagers had voorgelegd hebben deze uitsluitend in algemene zin hun bezwaren kenbaar gemaakt. De Raad is van mening dat zij in dit stadium hiermede niet konden volstaan maar dat zij duidelijk in de tekst hadden moeten aangeven welke concrete veranderingen zij voorstonden en op grond van welke concreet te duchten gevaren. Dit neemt naar het oordeel van de Raad niet weg dat ook van betrokkene had mogen worden verwacht dat hij om een nadere concretisering van de bezwaren had verzocht, gelet op het precaire onderwerp van zijn artikel.
Ten aanzien van de brieven van de twee bewoners aan betrokkene met het verbod tot publicatie van hun verhaal overweegt de Raad het volgende.
De journalist behoort aan een dergelijke brief van een gedetineerde in beginsel groot belang te hechten, gezien de omstandigheden waarin deze verkeert. Betrokkene werd echter niet in staat gesteld met deze bewoners kontakt op te nemen en te vragen naar het hoe en waarom van dit verbod. Nu betrokkene in een eerder stadium met de ene bewoner volledige overeenstemming over de publicatie had bereikt en met de ander vérgaande afspraken had gemaakt over wat wel en wat niet gepubliceerd zou worden, behoefde hij, naar de mening van de Raad zich niet zonder meer neer te leggen bij het verbod, achteraf, ten aanzien van de gehele inhoud van deze vraaggesprekken.
Aangezien betrokkene door toedoen van klagers geen nadere informatie kon verkrijgen van deze bewoners over hun verbod tot publicatie zonder enige nadere motivering, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat hij toch tot publicatie is overgegaan. De omstandigheden dat betrokkene na een eerste poging geen verdere pogingen in het werk heeft gesteld om het verbod tot publicatie te wijzigen leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Overigens merkt de Raad op dat in het artikel enkele punten vallen aan te wijzen waarbij betrokkene niet volledig zijn verplichting tot waarborging van de anonimiteit heeft in acht genomen, te weten de details van het levensdelict tegen een familielid en de details van een verkrachting. Het weergeven van deze details acht de Raad niet noodzakelijk voor de betekenis van het artikel.
 
BESLISSING
 
De Raad wijst de klacht af.
 
Aldus vastgesteld ter zitting van 20 december 1979 in aanwezigheid van mr H.B. Vroom, voorzitter; mw mr T. Faber-de Heer, O. Postma, ing.; mr r . Kuitenbrouwer en K. Wiese in tegenwoordigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.