1979/16 ongegrond

D. Douwes contra Utrechts Nieuwsblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van D. Douwes tegen het Utrechts Nieuwsblad

Bij brief van 22 mei 1979 heeft de heer D. Douwes. klager, een klacht ingediend tegen de heer W. Breedveld, redacteur bij het Utrechts Nieuwsblad, betrokkene.
Nadat betrokkene op deze klacht had gereageerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de klacht behandeld ter zitting van 6 december 1979 waar zijn verschenen de heren D. Douwes en W. Breedveld.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie van betrokkene van 2 mei 1979 onder de titel 'CDA bepleit grotere Europese democratie'. Met name betreft de klacht de volgende passage uit dit artikel:

'Voor de CDA lijstaanvoerder de kans kreeg om zijn ideeën naar voren te brengen, werd de bijeenkomst in het Jaarbeurs Congrescentrum in Utrecht verstoord door actievoerders onder leiding van David Douwes. Zij scandeerden de kreet 'Breek de macht van Van Agt, van de Paus en van Strauss'. Niemand van de actievoerders wilde ingaan op de uitnodiging van Beumer een discussie over de democratie aan te gaan. Daarbij probeerde de groep met provocerend optreden vechtpartijen uit te lokken. Verder dan een schermutseling met een oude man kwam men niet. Uiteindelijk werden ze door enkele CDA 'ers naar de uitgang van de zaal geleid, waar de groep werd opgevangen door de politie. De groep had zoals eerder was gebeurd bij het stadhuis en in Hoog-Catharijne nepgeld verspreid.'

Klager acht deze berichtgeving lasterlijk ten opzichte van zijn persoon. Tevens verwijt hij betrokkene kiaarblijkelijke onjuistheden niet te hebben gerectificeerd noch een ingezonden brief te hebben opgenomen.
Het artikel is een verslag van een CDA-bijeenkomst op I mei 1979 te Utrecht in het kader van de Europese verkiezingen. Een aantal actievoerders besloot deze vergadering aan te grijpen voor een korte tegendemonstratie. De afspraak was even acte de présence te geven, kort en fel protesteren tegen de Europese machtsvorming en het de kop opstekende fascisme en daarna vertrekken, zodat de CDA-vergadering voort kon gaan.
Er vond slechts één schermutseling plaats tussen een wat oudere man en een meisje, naar klagers zeggen geprovoceerd door de oudere man. De actievoerders zijn uit zichzelf weer vertrokken. Dit gebeurde geenszins onder dwang van het CDA of van de politie. De politie hebben zij ook niet gezien tijdens deze bijeenkomst.
Klager signaleert in de publicatie de volgende onjuistheden. De korte protest demonstratie vond niet onder zijn leiding plaats. Het doel ervan was niet het totaal onmogelijk maken van de CDA-vergadering. De actievoerders verlieten uit zichzelf de zaal, zonder enige dwang en de politie was volgens hen niet aanwezig. Laat staan dat zij door de politie werden opgevangen. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat de actievoerders vechtpartijen trachtten uit te lokken. Vooral deze suggestie stoort klager zeer omdat de actievoerders in deze publicatie worden beticht van fascistische praktijken, waartegen zij nu juist protesteerden.
Klager heeft na de publicatie een ingezonden brief ter plaatsing naar de redactie gestuurd waarin hij een aantal onjuistheden rechtzet. Daarop ontving hij van het redactie het antwoord dat het stuk niet werd geplaatst, zonder enige nadere motivering Klager reageert op de brief met een eis tot rectificatie. Aan deze eis werd niet voldaan door de redactie en het niet plaatsen van de ingezonden brief werd gemotiveerd op grond van een aantal in deze brief voorkomende beledigende uitlatingen.
Uit de omstandigheid dat, zoals klager is meegedeeld, betrokkene en niet in eerste instantie de redactie beoordeelt of de ingezonden brief moet worden geplaatst c.q. een rectificatie moet plaatsvinden concludeert hij dat hier vanuit politieke motieven is gehandeld.

VERWEER

Betrokkene is van mening dat klager zich er niet over kan beklagen dat datgene wat hij en zijn mede-actievoerders naar voren hebben gebracht onvoldoende tot zijn recht is gekomen in het kranteverslag. Al hetgeen de actievoerders naar voren hebben gebracht is volledig letterlijk geciteerd. Betrokkene heeft de onuitputtelijke reeks beledigingen, scheldwoorden en valse beschuldigingen die door de actievoerders zijn geuit tijdens deze actie niet geciteerd. De zinsnede 'Daarbij probeerde de groep met provocerend optreden vechtpartijen uit te lokken' is gebaseerd op de waarnemingen van betrokkene en zijn taxering van het gedrag van de actievoerders alsmede op het oordeel dat andere aanwezigen hem daarover spontaan gaven.
De schermutseling met de oudere man vond plaats doordat het meisje struikelde over zijn voeten, handtastelijk wilde worden en begon met een scheldpartij.
Betrokkene heeft met ter vergadering aanwezige politiemannen gesproken en legt een brief van een van hen over.
Wat de ingezonden brief betreft zegt betrokkene dat hij de verantwoordelijke redacteur van de rubriek `Lezerstribune' heeft geadviseerd de brief niet te plaatsen voor zover deze een indruk wilde geven van het gebeurde op de CDA-bijeenkomst. Klager verdraait de feiten in zijn ingezonden brief zo meent betrokkene. Voorts bevat zijn brief verdachtmakingen, niet geadstrueerde beschuldigingen, beledigingen en politieke vuilspuiterij, waarvoor deze krant zich niet leent.
Aangezien er niets viel te rectificeren is betrokkene dan ook niet op deze eis ingegaan.

ZITTING

Ter zitting licht klager toe dat zijn voornaamste bezwaar is gelegen in de suggestie die van de publicatie uitgaat dat de actievoerders op vechtpartijen uit waren en dat zij min of meer de zaal uitgezet werden. Daardoor is hij in een kwaad daglicht gesteld en nu de redactie zijn ingezonden brief niet plaatste is hem ook nog de mogelijkheid van een weerwoord onthouden. De opzet van de actie was die van een korte en felle actie, die uitsluitend als korte onderbreking van deze CDAbijeenkomst was bedoeld. Tijdens deze actie werd niet met de aanwezigen gediscussieerd, maar men liep tussen de rijen door, het nepgeld uitdelend en de hiervoor aangegeven leuzen scanderend.
Klager erkent dat je door dit optreden natuurlijk bepaalde reacties uitlokt, maar dit was geenszins de opzet van de actievoerders, meer een bijverschijnsel. Betrokkene zegt dat uit niets is gebleken dat de actievoerders slechts van plan waren een korte tijd te demonstreren. Het heeft al met al meer dan 15 minuten geduurd. Het door de rijen heen en weer lopen moest onvermijdelijk tot reacties leiden. Betrokkene is niet uitsluitend op zijn eigen waarneming afgegaan maar heeft met een aantal aanwezigen gesproken over hun indruk van de actie. Mede omdat er nogal gescholden wordt door de actievoerders kwam hun gedrag als provocerend over. Het verloop van de actie was totaal niet te voorzien voor de ter vergadering aanwezigen.

OVERWEGINGEN

De Raad sluit niet uit dat klager zelf een andere intentie had met de actie dan die welke in het artikel daaraan wordt toegekend. Klager heeft de Raad echter niet kunnen overtuigen van de onjuistheid van het bericht. Aan de verslaggeving van een dergelijk gebeuren kan niet de eis worden gesteld dat deze volledig objectief is. De verslaggeving is mede gebaseerd op de eigen waarnemingen van betrokkene en zijn interpretatie van het gebeuren. Klager heeft zelf erkend dat een dergelijk optreden tot provocaties kan leiden. Gelet op de weergave van de feiten door beide partijen acht de Raad de conclusie die betrokkene aan het optreden heeft verbonden niet. De Raad kan het besluit van de redactie, op advies van betrokkene, om de ingezonden brief niet te plaatsen, billijken op grond van de inhoud van deze brief.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 december 1979 door: mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter. mr L. van Vollenhoven. drs J. van der Pluym, H. Uilenbroek en H. Hofland, in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 16.