1979/15 gegrond

Inspraakorgaan Welzijn Molukkers contra de NCRV

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van het Inspraakorgaan Welzijn Molukkers tegen de NCRV.

Bij brief an 6 juni 1978 heeft het Inspraakorgaan Welzijn Molukkers (klager) een klacht ingediend tegen de redactie van Hier en Nu-NCRV radio (betrokkene). Nadat betrokkene daarop had gereageerd en klager had gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. Voorzitter en secretaris hebben partijen opgeroepen voor een hoorzitting op 19 juni 1979, alwaar alleen klager vertegenwoordigd was. Vervolgens heeft de Raad deze klacht behandeld ter zitting op 6 december 1979. Voor klager zijn verschenen de heren drs M. Mual en de twee beleidsmedewerkers van het Inspraakorgaan. Namens betrokkene is verschenen de heer C. Gravendaal.

KLACHT

De klacht betreft de uitzending van Hier en NU-radio op 16 maan 1978 om 17.32 uur waarin door betrokkene het op de Inspraaknota van klager gelegde embargo werd geschonden.
Op 16 maan 1978 presenteerde klager zijn "Inspraaknota knelpunten tussen de Nederlandse overheid en de Molukse minderheid." hierna als de nota aan te duiden aan de pers tijdens een daartoe georganiseerde persconferentie in Nieuwpoort. Op de nota lag een embargo tot 19.30 van diezelfde dag. omdat klager op dat tijdstip deze nota aan de minister van CRM zou overhandigen.
Betrokkene heeft echter uit deze nota letterlijk geciteerd in haar uitzending op 16 maart 17.32 uur. Klager voert voor zijn bewering. dat betrokkene hiertoe slechts in staat was door het embargo te schenden. het volgende aan. Een half uur voor de aanvang van de persconferentie was de Inspraaknota verkrijgbaar. Omstreeks dat tijdstip verscheen de heer C. Gravendaal van Hier en Nu-radio in de zaal waarde persconferentie werd gehouden . Na enige tijd was hij verdwenen. Korte tijd later kwam hij opnieuw binnen waarna hij onmiddellijk een van de beleidsmedewerkers van klager, de heer Smeets, benaderde met de mededeling dat betrokkene zich niet aan het embargo zou houden omdat de inhoud van de nota bij meerdere parlementsleden en ambtenaren al bekend was.
Betrokkene stelde het onmogelijk te achten in een college van 17 personen (het Inspraakorgaan) volledige geheimhouding te waarborgen. Klager stelt hier tegenover dat er alles aan gedaan is om een vroegtijdig uitlekken van de nota te voorkomen. Niet alleen vanwege de 'verrassing' van de lay-out van de nota, die nagenoeg dezelfde is als die van kamerstukken, maar tevens om zoals dit behoort de minister als eerste de nota in handen te geven.
Adviezen aan de minister van CRM worden formeel door haar gepubliceerd. Nu klager die publicatie zelf mocht verzorgen was er hem zeer veel aan gelegen om dit uitermate zorgvuldig te doen.
Volgens mededeling van klager kwam de nota pas één dag voor de persconferentie van de drukker en werd afgeleverd op het bureau van klager. De beide beleidsmedewerkers sloegen de nota's daar op. De eerste exemplaren die buiten het bureau kwamen, gingen per auto rechtstreeks naar de zaal van de persconferentie in Nieuwpoort.
De mogelijkheid dat betrokkene gebruik maakte van een voorontwerp dient te worden uitgesloten. In de uitzending van 16 maart. 17.32 uur. werden citaten vermeld uit twee hoofdstukken. Eén van de beide hoofdstukken kwam. in de formuleringen zoals die werden uitgezonden, slechts in de definitieve nota voor. Dat hoofdstuk werd namelijk door Inspraakorgaan slechts in concept goedgekeurd. waarna de definitieve versie door het bureau werd verzorgd. Uit deze - definitieve versie werd voorgelezen. Een en ander betekent volgens klager dat geen van de leden van het Inspraakorgaan bedoeld of onbedoeld als 'lek' heeft kunnen fungeren. terwijl de beide beleidsmedewerkers bereid zijn onder ede te verklaren dat zij al evenmin de nota hebben uit laten lekken.
Ook de opmerking dat parlementsleden de nota al zouden hebben acht klager weinig geloofwaardig. Omdat op de dag van de persconferentie het Binnenhof door de politie afgesloten was, werden de nota's voor de Eerste en Tweede Kamer afgeleverd bij de minister van Binnenlandse Zaken (en wel ná 19.30 uur).
Door een misverstand werden de nota's eerst dagen later bij de Kamers afgeleverd, na klachten van vele fracties dat de pers wel, en de Kamers geen nota's hadden.
Klager kan niet aan de indruk ontkomen dat betrokkene de nota op een oneigenlijke manier heeft verkregen voor, tijdens of direct na de persconferentie in Nieuwpoort.
Klager meent dat betrokkene ten onrechte het embargo heeft doorbroken. Daarmee is naar zijn mening de pers als geheel een slechte dienst bewezen, aangezien dit tot gevolg kan hebben dat klager in het vervolg de pers niet die voorkeursbehandeling kan geven die via deze embargoregeling werd mogelijk gemaakt.

VERWEER

Betrokkene stelt dat de Haagse redactie reeds op de ochtend van 16 maart 1978 op de hoogte was gekomen van de hoofdlijnen en strekking van de nota zoals deze later op de dag door klager zou worden gepresenteerd. Op grond van die informatie onderkende betrokkene de gegevens als van belang om in haar actualiteiten rubriek van die dag om 17.32 uur te melden.
Omdat op de informatie, die 's middags door klager zou worden verstrekt, in de vorm van het uitreiken van de nota en het geven van aanvullende informatie tijdens de persconferentie, een embargo rustte tot 19.30 uur nam de heer C. Gravendaal ruim voor het begin van de persconferentie kontakt op met enkele vertegenwoordigers van klager.
Hij verzocht het embargo op te heffen, aangezien betrokkene uit anderen hoofde van de informatie op de hoogte was, en deze informatie in ieder geval vrij te geven voor publikatie op het moment waarop de persconferentie zou beginnen namelijk om 16.00 uur.
Dit verzoek werd geweigerd. Evenmin wilde klager ingaan op het verzoek van betrokkene om - met inachtneming van het embargo op de nota - de informatie die op de persconferentie zou worden gegeven direct voor publicatie vrij te geven. Dit laatste verzoek ging gepaard met het aanbod om ten behoeve van betrokkene ' s uitzending op die dag van 17.32 uur een interview te maken met een vertegenwoordiger van klager over te geven informatie buiten de directe inhoud van de nota. Hiermee zou volgens betrokkene via een praktische benadering bereikt kunnen worden dat het embargo op de nota gehandhaafd zou kunnen blijven en de minister niet eerder. in ieder geval niet door betrokkene's actualiteitenrubriek, geïnformeerd zou worden over de inhoud van de nota. Ook op dit aanbod ging klager niet in.
Betrokkene was ervan op de hoogte dat de minister en in ieder geval verschillende van haar directe beleidsmedewerkers en een aantal parlementariërs ruim voor het begin van de persconferentie kennis droegen van de hoofdlijnen en de strekking van de nota. Om deze reden meende betrokkene dat de aangevoerde argumenten voor het handhaven van het opgelegde embargo niet langer steek konden houden. Dit standpunt heeft betrokkene eerst mondeling en daarna schriftelijk klager ter kennis gebracht. Vervolgens is van de zijde van betrokkene de persconferentie niet bijgewoond om manifest te maken dat de aangekondigde informatie in de uitzending van Hier en Nu van 17.32 uur niet ontleend werd aan de persconferentie.
Betrokkene stelt dat ten behoeve van deze uitzending op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van de verstrekte informatie tijdens de persconferentie noch dat zij op oneigenlijke wijze haar informatie heeft ontleend aan de kort voor het begin van de persconferentie aan de journalisten onder embargo verstrekte nota's.
Alhoewel betrokkene niet de beschikking had over een exemplaar van de nota was zij al eerder op de dag geïnformeerd omtrent de hoofdlijnen en strekking van de nota door meerdere haar als betrouwbaar bekende bronnen
De zeer korte citaten die in de uitzending uit de nota zijn aangehaald zijn opgetekend uit de mond van enkele onafhankelijk van elkaar staande bronnen, die reeds ruim vóór de persconferentie op de hoogte waren van de hoofdlijnen en strekking van de nota. Een bandje met de volledige tekst van de betreffende uitzending is door betrokkene aan de Raad ter beschikking gesteld.

ZITTING

Aangezien de belangrijkste punten uit de repliek van klager tevens ter zitting ter sprake kwamen zijn deze in het verslag van de zitting verwerkt.

Klager licht ter zitting toe dat de minister tijdens het gesprek ter gelegenheid van de aanbieding van de nota heeft opgemerkt dat zij verbaasd was dat zij van de inhoud van de nota reeds via de radio terloops kennis had kunnen nemen.
Klager heeft de minister tijdens dit gesprek toegezegd te zullen uitzoeken hoe dit mogelijk was. Tevens wijst klager erop dat zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn achterban dit eveneens vereist.
Ter voorbereiding van het gesprek met de minister had klager een agenda met een begeleidende toelichting opgesteld. Dit stuk was in ruimere kring bekend. Daaraan heeft betrokkene de citaten die in de uitzending voorkomen niet kunnen ontlenen. Evenmin aan de nota zoals deze op 24 februari 1978 door het Inspraakorgaan is behandeld. Toen de bespreking van de nota was afgerond hebben de beleidsmedewerkers van klager de opdracht gekregen de samenvatting van deze nota te verzorgen. De tijd ontbrak om deze samenvatting nog aan de leden van het Inspraakorgaan voor te leggen. Via de definitieve Inspraaknota konden ook de leden van het Inspraakorgaan, zowel als de ambtenaren. parlementariërs en de minister voor het eerst hiervan volledig kennis nemen.
De tekst van de samenvatting werd gemaakt door twee beleidsmedewerkers van klager in de eerste dagen van maart 1978 . Met de drukker is bij de opdracht nadrukkelijk afgesproken dat volledige geheimhouding ten aanzien van de vorm en inhoud van de nota moest worden betracht. Door klager is een verklaring van de drukker overgelegd waarin deze stelt dat het onmogelijk geacht moet worden dat de nota in onbevoegde handen is terechtgekomen.
In de namiddag van 15 maart 1978 hebben de beleidsmedewerkers de nota's zelf van de drukker gehaald en deze op 16 maart zelf per auto naar Den Haag vervoerd. Volgens klager is het uitgesloten dat voor de persconferentie personen als door betrokkene aangeduid op de hoogte waren van de inhoud van de definitieve nota. En juist uit de geheel nieuwe samenvatting van de nota is in de uitzending letterlijk geciteerd.
Ter zitting is vastgesteld dat in de uitzending van betrokkene. die hierna volledig wordt weergegeven, de onderstreepte passages letterlijk in de definitieve nota voorkomen.
Tekst van de Hier en Nu-uitzending van donderdag 16 maart 1978 uitgezonden om 17.32 uur:

'Vanavond wordt door het Inspraakorgaan Welzijn Molukkers een nota over de Zuidmolukse zaak aangeboden aan de regering en aan de Tweede Kamer. Het Inspraakorgaan wil dat de Nederlandse regering het meningsverschil over het recht op zelfbeschikking van de Molukkers voorlegt aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, aldus de nota. Vanuit Den Haag is hier Cees Gravendaal: De conclusie van de regering dat Nederland het staatkundig streven van een onafhankelijke republiek der Zuid-Molukken niet kan en mag erkennen, noemt het Inspraakorgaan een hard en niet mis te verstaan standpunt dat niet in overeenstemming is met de inhoud van de nota van de regering Van Agt. De Nederlandse regering haalt door elkaar erkenning van het zelfbeschikkingsrecht en ondersteuning van dat recht, aldus het Molukse Inspraakorgaan.
De nota van de regering blinkt uit door eenzijdige aanpak en daarom zou de regering bereid moeten zijn haar visie en argumenten aan een onafhankelijke beoordeling te onderwerpen. Dan zou een mogelijk uitweg kunnen worden gevonden uit de welles-nietes discussie. die door de benadering van de Nederlandse regeringsnota wordt opgeroepen. Het Inspraakorgaan beschuldigt de regering van het versimpelen van de problemen en het versluieren van haar eigen rol. Op het punt van de openbare orde waarschuwt het Inspraakorgaan tegen tendensen die erop wijzen dat de overheid bij handhaving van de openbare orde jegens Molukkers te gemakkelijk grijpt naar middelen die in geen verhouding staan tot de aanleiding. Letterlijk staat in de nota: Het Inspraakorgaan is van mening dat een aantal gebeurtenissen in het afgelopen jaar de vraag rechtvaardigen of steeds de gebruikte machtsmiddelen met voldoende zorgvuldigheid zijn overwogen. Cees Gravendaal Hier en Nu Den Haag.'

Betrokkene ontkent niet dat de onderstreepte passages letterlijk in de nota voorkomen maar stelt dat dit slechts betekent dat zij op de hoogte was van een aantal feitelijke formuleringen uit de nota.
De ochtend van de 16e maart kreeg betrokkene steeds meer informatie die vrij concreet was. Er werd die ochtend op Binnenlandse Zaken over een veelheid van onderwerpen vergaderd die betrekking hadden op de nota. In de loop van de dag kreeg betrokkene een steeds helderder inzicht in hetgeen in de nota stond.
Betrokkene stelt dat door klager niet alleen een embargo op de inhoud van de nota zelf is gelegd maar ook op de persconferentie als zodanig en de daarbij te verstrekken informatie. Naar de mening van betrokkene is dit zeer uitzonderlijk en kent zij slechts één aanvaardbare uitzondering, namelijk de persconferentie bij de presentatie van de miljoenen nota. Betrokkene zal nimmer accepteren dat een embargo wordt gelegd op een persconferentie, indien de daarbij te verstrekken informatie tevoren in grote lijnen bekend is. Omdat het voor betrokkene van belang is een goede samenwerking met allerlei instanties met name die in het Haagse wereldje verkeren te hebben, heeft betrokkene klager voorgesteld een interview te houden zodat in haar uitzending van 17.32 uur aandacht kon worden besteed aan de nota, zonder dat op de concrete inhoud daarvan behoefde te worden ingegaan. Ook dit werd geweigerd, zodat betrokkene, nu zij van de inhoud reeds ruim vóór de persconferentie op de hoogte was, duidelijk moest maken dat zij dat embargo niet accepteerde. Dit heeft betrokkene eerst mondeling en later schriftelijk meegedeeld en vervolgens werd van de zijde van betrokkene de persconferentie niet bijgewoond.
Desgevraagd onderschrijft betrokkene dat de redactie niet de beschikking had over een nota. Op de vraag of ook niet op oneigenlijke wijze informatie is ontleend aan de kort voor het begin van de persconferentie onder embargo verstrekte nota's antwoordt betrokkene reeds vóór de persconferentie over de informatie te hebben beschikt. Wel heeft betrokkene na de persconferentie iemand gesproken en getracht deze persoon tot een interview over te halen. Betrokkene erkent van iemand citaten te hebben vernomen.
Klager zegt voor het eerst via het verweerschrift van betrokkene kennis te hebben gekregen van het verzoek ten aanzien van een interview ten behoeve van de uitzending om 17.32 uur. Klager stelt dat uiteraard op 16 maart op Binnenlandse Zaken is vergaderd, echter niet over de nota want die was daar toen nog niet bekend, maar waarschijnlijk wel over de agenda als mede over de nota want die was daartoe nog niet bekend, maar waarschijnlijk wel over de agenda alsmede over de regeringsnota, waar de Inspraaknota een reactie op is.
Klager bestrijdt dat ten onrechte een embargo is gelegd op de nota alsmede op hetgeen in de persconferentie aan aanvullende informatie werd gegeven . De embargoregeling had nu juist ten doel de journalisten in staat te stellen zo snel en zo goed mogelijk over de inhoud van de nota te publiceren. Het had meer voor de hand gelegen de persconferentie na het gesprek met de minister om 19.30 uur die avond te houden. Om de pers ter wille te zijn is op een eerder moment de nota ter beschikking gesteld echter onder embargo omdat de minister als eerste formeel kennis behoorde te kunnen nemen van de nota.

OVERWEGINGEN

De Raad meent dat door klager niet ten onrechte een embargo is gelegd op de nota en evenmin op de ter persconferentie daaromtrent gegeven nadere aanvulling.
Gezien de omstandigheid dat klager de pers over de inhoud van de nota informeerde vóórdat deze aan de verantwoordelijke minister was overhandigd acht de Raad deze embargoregeling gerechtvaardigd. Tijdens de zitting heeft betrokkene opgemerkt dat slechts ter gelegenheid van de presentatie van de miljoenennota een embargo op een persconferentie acceptabel is. De Raad is van oordeel dat deze stelling in zijn algemeenheid niet kan worden aanvaard.
Klager heeft naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat de inhoud van de definitieve nota niet bekend kon zijn in de kringen als door betrokkene aangeduid.
Betrokkene heeft het embargo bewust niet geaccepteerd. Zij heeft de Raad er echter niet van kunnen overtuigen dat zij vóór de persconferentie van de inhoud van de nota, in de mate waarin deze in de uitzending aan de orde kwam, reeds kennis droeg.
De Raad is daarentegen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene via derden letterlijk uit de nota heeft geciteerd. De Raad leidt dit ondermeer af uit het antwoord dat betrokkene ter zitting heeft gegeven op de vraag of niet op een oneigenlijke wijze informatie is ontleend aan de onder embargo verstrekte nota. Door betrokkene is erkend dat getracht is iemand na de persconferentie tot het geven van een interview over te halen alsmede dat van iemand citaten uit de nota zijn vernomen. Hiermede heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad bewust op een oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van de onder embargo verstrekte nota.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene door op deze wijze het embargo te schenden niet de zorgvuldigheid inachtgenomen heeft die van betrokkene, gelet op haar maatschappelijke verantwoordelijkheid, mag worden verwacht.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 december 1979 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter, drs J. van der Pluijm, mr L. van Vollenhoven; H. Uilenbroek en H. J. Hofland in aanwezigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 15.