1979/12 onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Ridder van Rappard tegen het Algemeen Dagblad.

Bij brief van 7 januari 1979 heeft mr L.K.J. ridder Van Rappard (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van het Algemeen Dagblad (betrokkene). Nadat betrokkene op deze klacht had gereageerd en klager daarop van repliek had gediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft deze klacht behandeld ter zitting van 1 november 1979 waar zijn verschenen ridder Van Rappard alsmede de heren B. Groenendijk en G. Dullens voor het Algemeen Dagblad.

KLACHT

De klacht richt zich tegen de publicatie van de heer B. Groenendijk (de journalist) in het Algemeen Dagblad van 9 december 1978 onder de titel "De raad, arena voor de ridder". Het artikel is geschreven aan de hand van het interview dat de journalist met klager had op 5 december 1978. Klager heeft dit interview slechts node toegestaan en onder de strikte voorwaarde dat hij slechts tot een persoonlijk onderhoud bereid was indien de concept-weergave van het gesprek hem tijdig voor de geplande publicatie schriftelijk ter controle zou worden toegezonden en niets zou worden gepubliceerd waartegen hij bezwaar had. De journalist heeft, naar klagers zeggen, deze ondubbelzinnige voorwaarde zonder enig voorbehoud aanvaard. Klager ware het overigens van de aanvang af liever geweest indien het gesprek uitsluitend zou dienen als achtergrondinformatie in verband met een te schrijven artikel over de begrotingsbehandeling in de gemeenteraad van Gorinchem, die spoedig zou plaatsvinden. Klager heeft de tekst van het artikel op tijd ter lezing ontvangen. Hij heeft diezelfde avond nog contact opgenomen met betrokkene. Klager heeft van betrokkene, onder verwijzing naar de gemaakte afspraak, geëist dat geen letter van het artikel in de krant zou verschijnen. Betrokkene heeft klager de volgende dag meegedeeld dat het artikel in zijn geheel in de krant zou verschijnen. Klager heeft na plaatsing van het artikel een ingezonden stuk ter publicatie ingestuurd Dit stuk werd niet opgenomen omdat, zo schreef betrokkene "het hem weinig zinvol voorkwam de discussie voort te zetten, noch per brief noch in de krant via een ingezonden stuk en het dan onvermijdelijke weerwoord". Klager's voornaamste bezwaar tegen de publicatie op zich is dat de inhoud volledig is toegespitst op een tendentieuze weergave van klager's persoonlijke gevoelens ten opzichte van de huidige burgemeester. Het artikel is een volstrekt eenzijdige weergave van hetgeen zoal tijdens het interview naar voren is gebracht. Tijdens het gesprek dat in totaal twee uur duurde, ging het voornamelijk over de bestuurs- en beleidsproblematiek van het gemeentebestuur en werd hooguit vijf minuten gesproken over de taakopvatting en de positiebepaling van klager's opvolger.
Klager verzoekt de Raad zijn beslissing te beperken tot de vraag of een ondubbelzinnig gemaakte afspraak met een journalist met betrekking tot de vorm, wijze en omvang van de publicatie van iemands denkbeelden ook metterdaad in loyaliteit naar aard en strekking en met inachtneming van de daaruit voortvloeiende discretie dient te worden geëerbiedigd.

VERWEER

Betrokkene betwist ten zeerste dat aan klager een vetorecht ten aanzien van de inhoud van het artikel zou zijn verleend. De gemaakte afspraak hield in dat over feitelijke onjuistheden in de weergave van het interview overleg mogelijk was. Klager had ook eerder al in een openbare gemeenteraadsvergadering uiterst negatieve opmerkingen gemaakt over zijn opvolger. Betrokkene heeft ter staving daarvan een drietal publicaties uit twee in de omgeving van Gorinchem verschijnende streekbladen overgelegd. Deze publicaties vormden mede de aanleiding voor het interview met klager. Niet kan worden ingezien dat klager dergelijke uitlatingen in een interview met de journalist gedaan,meent te kunnen aanmerken als opmerkingen in de privé-sfeer gemaakt.

ZITTING

Klager werd voor het interview benaderd omdat uit de streekbladen gebleken was dat zijn optreden als gemeenteraadslid nogal wat stof had doen opwaaien. Afgesproken werd volgens betrokkene dat klager de tekst van het artikel van tevoren zou lezen teneinde de tekst inhoudelijk te verifiëren. Geenszins heeft klager de journalist duidelijk gemaakt dat deze afspraak voor hem inhield dat hij de publicatie geheel of gedeeltelijk zou kunnen verbieden. Betrokkene merkt op dat klager tijdens het interview twee keer heeft gezegd: 'leg nu de pen maar neer'. De op dat moment verschafte informatie is niet in het artikel verwerkt. Betrokkene mocht daaruit, naar zijn mening, afleiden dat hetgeen overigens werd meegedeeld niet van publicatie was uitgesloten. Temeer niet nu soortgelijke uitlatingen ten aanzien van zijn opvolger door klager ook reeds tijdens een openbare gemeenteraadsvergadering waren gemaakt, blijkens publicaties. Klager betwist de lezing van betrokkene ten aanzien van de gemaakte afspraak en stelt nadrukkelijk dat de journalist heeft beloofd dat niets zou worden gepubliceerd zonder klager's toestemming. De voorwaarde is door klager naar zijn zeggen duidelijk gesteld en zonder dat daarover enig misverstand kan bestaan. Klager merkt op dat hij een goede relatie had met wijlen de journalist Louis Sinner van het Algemeen Dagblad, die zijns inziens een goede intuïtie had voor hetgeen wel en hetgeen niet gepubliceerd moest worden. Op grond van deze relatie veronderstelde klager ook bij een collega van het Algemeen Dagblad te kunnen rekenen op eenzelfde instelling. Klager's stelling is dat hij niet vecht tegen zijn opvolger en zeker niet via publicaties. Het gaat hem er om de gang van zaken in de gemeente Gorinchem,met name wat de bestuursrechtelijke aspecten ervan betreft,aan de orde te stellen.

Overigens erkent klager dat hetgeen feitelijk in het artikel vermeld staat wel zijn mening weergeeft.
Betrokkene stelt dat indien klager wijzigingen op onderdelen van de publicatie had voorgesteld daarover overleg mogelijk was geweest. Nu klager echter de hele publicatie wenste te verbieden kon-daarop niet worden ingegaan, zeker niet omdat klager niet klaagde over feitelijke onjuistheden, integendeel. De ingezonden brief is niet geplaatst omdat bij het Algemeen Dagblad de stelregel geldt dat binnen deze rubriek geen discussie wordt gevoerd over de wijze waarop artikelen tot stand komen. Bovendien geldt een maximum lengte voor ingezonden stukken. Klager verklaarde desgevraagd dat hij geen klacht bij de Raad zou hebben ingediend indien zijn ingezonden brief zou zijn geplaatst.

OVERWEGINGEN

De vraag die partijen verdeeld houdt betreft uitsluitend de voorwaarde waaronder het interview werd toegestaan. Klager stelt duidelijk te hebben gestipuleerd dat hij de tekst voor plaatsing wilde inzien teneinde eventueel de publicatie geheel of gedeeltelijk te kunnen verbieden. Van de zijde van betrokkene wordt ontkend dat met deze voorwaarde is ingestemd. De journalist is uitsluitend accoord gegaan met inzage vooraf om eventuele feitelijke onjuistheden te kunnen corrigeren. De Raad is niet bij machte vast te stellen wat exact tussen partijen daaromtrent is afgesproken. Het komt de Raad echter niet erg aannemelijk voor dat betrokkene accoord gegaan is met een bedongen vetorecht ten aanzien van de inhoud van een publicatie naar aanleiding van een interview. De Raad zou, zeer bijzondere omstandigheden daargelaten, het niet goed kunnen billijken indien een journalist accoord zou gaan met een dergelijk ingrijpende voorwaarde, waarbij de geïnterviewde bepaalt wat in de krant verschijnt, en hoe.

BESLISSINGEN

De Raad onthoudt zich van een oordeel over de journalistieke gedraging waarover is geklaagd aangezien de exacte inhoud van de afspraak niet kan worden vastgesteld.

Aldus vastgesteld ter zitting van 1 november 1977 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter, O. Postma, ing.; D. Houwaart; K. Wiese en H. Uilenbroek in tegenwoordigheid van mw mr M.P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 12.