1979/11 gegrond

De Haerlemsche Haerlemmer contra Haarlems Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Jounlalistiek inzake de klacht van de Stichting De Haerlemsche Haerlemmer tegen Haarlems Dagblad.

Pi; brief van 18 maart 1979 heeft de stichting de Haerlemsche Haerlemmer (klager) een klacht ingediend tegen de heer J. Kuys van het Haarlems Dagblad (betrokkene).
Nadat betrokkene op deze klacht had gereageerd en klager daarop van repliek had gediend heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. De Raad heeft de klacht behandeld ter zitting van 1 november 1979 waar is verschenen de heer P. van der Velden voor klager. Betrokkene is met verschenen.

KLACHT

De klacht richt zich tegen het artikel in het Haarlems Dagblad van 8 maart 1979 van de hand van betrokkene onder de titel "De lotgevallen van een tijdschrift een Bomansbeeld en een Stichting". Het artikel werd geschreven naar aanleiding van de presentatie van een nulnummer van een door klager uit te geven blad waarbij tevens een eerste exemplaar van een in opdracht van klager vervaardigd beeld van Bomans aan een wethouder van Haarlem werd overhandigd. De k acht komt kon samengevat op het volgende neer.
Niet alleen komt in het artikel een groot aantal feitelijke onjuistheden voor, doch bovendien wordt klager in het artikel met opzet in een kwaad daglicht gesteld. Het betreft hier vooreerst de passage waarmee het stuk opent:

"Ook wethouder Tinus van de Water had gistermiddag zo zijn twijfels over de achtergronden van het op de markt brengen van een beeldje van Godfried Bomans door de Stichting De Haerlemsche Haerlemmer."

Alsmede de volgende passage:

"De 52 centimeter grote kopieën van het kunststeenstoffen beeldje van Bomans moeten per stuk f 565,- opbrengen. De hoge prijs is volgens Van der Velden (voorzitter van de Stichting) het gevolg van handenarbeid . De beeldjes word en met de hand gegoten en dat is een arbeidsintensief proces. Daardoor komt het gieten van de kopieën per stuk op een kostprijs van tussen de f 230,- en f 245,-. Daarnaast moeten de kosten van twee bronzen beeldjes uit de opbrengst worden betaald en bovendien het honorarium van Wim Jonker (de beeldhouwer). Naar mijn schatting (Van der Velden) blijf ter ongeveer f 2500.-- over wat wij willen besteden aan andere projecten.
Navraag bij een beeldengieter in Amsterdam. de firma Van Paridon leverde de informatie op dat het vermenigvuldigen van een soortgelijk beeldje bijeen oplage van rond 100 stuks volgens haarprocedé, ongeveer f 50-- per replica gaat kosten."

In samenhang met de vermelding van de prijs van f 94.50 voor een replica van een eerder door klager op de markt gebracht beeldje van Laurenzs Coster van 35 centimeter hoogte, wordt de indruk gewekt dat klager via het Bomansbeeldje tracht aanzienlijke winst te maken.
Klager heeft bij zijn klacht een verklaring van de heer J. van Paridon overgelegd waarin deze stelt dat hij onjuist geciteerd is in het artikel. Hij heeft betrokkene meegedeeld niet in staal te zijn een prijs vast te stellen indien hij het model van het beeld niet kan zien. Na het beeldje gezien te hebben verklaart de heer Van Paridon dat de gietkosten inclusief BTW circa f 210,- bedragen.
Klager is van mening dat zijn reputatie door het betreffende artikel is aangetast.

VERWEER

Betrokkene heeft de Raad via zijn hoofdredacteur meegedeeld voor wat zijn verweer betreft te volstaan met toezending van de dagvaarding en het vonnis in kon geding van 25 april 1979 waarbij de vordering van klager tot rectificatie van het betreffende artikel is afgewezen. De hoofdredacteur, J. L. Lodewijks, stelt dat de klacht volkomen ongegrond is en deelt mee niet voornemens te zijn de publicatie en het daaromtrent gevoerde redactionele beleid verder nog te argumenteren of te verdedigen. Voorts heeft het de hoofdredacteur bevreemd dat de Raad zich heeft gericht tot de journalist, wiens naam onder het artikel stond vermeld en niet tot de hoofdredacteur, die immers de verantwoordelijkheid draagt voor alles wat in de krant wordt gepubliceerd.
Aan het vonnis in kort geding wordt voor wat deze klacht betreft het volgende ontleend: De rechter constateert dat door de heer Van Paridon enerzijds met betrekking tot een hem globaal aangeduid beeld f 50,-- als een mogelijke kostprijs heeft genoemd, doch anderzijds ten aanzien van deze prijstaxatie duidelijk slagen om de arm heeft gehouden. Een aanduiding van het relativerende karakter van deze prijsopgave ontbreekt in het artikel.

De rechter overweegt hieromtrent het volgende:

' Dit op zichzelf aanwezige manco in de publicatie is in casus alleen van betekenis, voorzover het in het verband van het geheel bij de lezer de door De Stichting gestelde en hiervoren vermelde suggestie zou wekken, die als fnuikend voor de reputatie van De Stichting zou moeten worden beschouwd. Wij zijn van oordeel, dat deze suggestie door evenbedoeld manco in redelijkheid niet bij de lezer kan ontstaan.
Immers Van Paridon spreekt ook alleen over 'zijn procedé' Uit de publicatie valt duidelijk af te leiden. dat niet Van Paridon doch een andere fabrikant de Bomans-beelden giet en dat die ander volgens de óók vermelde mededeling van Van der Velden voor het met de hand gieten in een arbeidsintensief proces op een kostprijs van tussen f 230,- en f 245.- komt. Derhalve blijkt reeds uit de publicatie zelf van zodanige verschillen in gietkostprijs bepalende factoren, dat de opgenomen mededeling van Van Paridon - ook zonder de relativering die hij daaraan heeft meegegeven - voor de lezer geen aanwijzing is voor onbehoorlijke of duistere winstpraktijken als waarvan De Stichting zich suggestief beticht acht. Dat deze eenzijdige suggestie in redelijkheid niet als van de publicatie uitgaand kan worden beschouwd, vindt ook zijn grond daarin, dat Van der Velden met betrekking tot het rendement van het beeld in de publicatie uitdrukkelijk aan het woord komt zeggende: 'Het is zelfs de vraag of wij er met een batig saldo uitspringen'.

De rechter is van oordeel dat de publicatie noch als geheel noch in onderdelen onzorgvuldig is ten opzichte van de goede naam van de Stichting en zeker niet in de zin en met het effect als daaraan door De Stichting gehecht.

ZITTING

De overhandiging van het beeldje van Bomans aan de wethouder was volgens klager een toegift bij de presentatie op 7 maart 1979 van het nulnummer van het tijdschrift MUG. Op dat moment kon klager aan betrokkene geen nadere informatie geven omtrent de kostprijs van de beeldjes, het aantal dat op de markt zou worden gebracht en de exacte plannen met de beeldjes. Over het een en ander moest eerst nog contact met de beeldhouwer worden opgenomen. Het beeld was pas enige dagen tevoren in klagers bezit gekomen.
Klager heeft betrokkene echter aangeboden hem met name voor wat de gietkosten betreft inzage in zijn bescheiden te geven. Van dit aanbod om nog op diezelfde dag die inzage te verlenen, is door betrokkene geen gebruik gemaakt. Wel heeft betrokkene informatie bij derden ingewonnen. Het artikel wekt de indruk dat een kopie voor f 565,-- wordt verkocht terwijl de gietkosten slechts f 50.- bedragen, zulks geheel in strijd met de werkelijkheid. Klager heeft door deze publicatie schade geleden. Het hele plan van het op de markt brengen van het Bomnansbeeldje heeft door deze publicatie, naar zijn zeggen geen doorgang kunnen vinden. Voorts merkt klager op vrijwel direct na de publicatie een ingezonden brief ter plaatsing te hebben verstuurd naar de redactie van de krant. Deze brief is niet geplaatst en klager heeft geen enkele reactie daaromtrent ontvangen.

OVERWEGINGEN

De Raad bezit een zelfstandige bevoegdheid. De omstandigheid dat dezelfde of een soortgelijke klacht reeds aan het oordeel van de gewone rechter is voorgelegd vormt op zich geen beletsel om de klacht in behandeling te nemen. De Raad acht de journalist die het artikel met zijn naam ondertekent de eerst verantwoordelijke voor de inhoud daarvan. Dit standpunt doet naar de mening van de Raad niet af aan de verantwoordelijkheid die de hoofdredacteur draagt voor hetgeen aan publicaties in de krant verschijnt. De hoofdredacteur kan eveneens door de Raad ter verantwoording worden geroepen of kan zichzelf als (mede-)verantwoordelijk opwerpen.
Wat de klacht zelf betreft is de Raad van mening dat de klacht doel treft ten aanzien van de teneur van het artikel. De indruk wordt gewekt dat de verkoop van de beeldjes een dubieuze aangelegenheid was. De Raad acht het, gelet op hetgeen door klager daaromtrent is verklaard, begrijpelijk dat bij betrokkene ter gelegenheid van de presentatie van het beeldje, enige twijfels zijn gerezen ten aanzien van het doel van het op de markt brengen van dat beeldje. Nu klager echter aanbood nog dezelfde middag inzage in zijn bescheiden te geven, is het onjuist. dat betrokkene enerzijds niet op dit aanbod is ingegaan doch anderzijds wel. buiten klager om, bij derden nadere informatie met betrekking tot de gietkosten heeft ingewonnen, en het resultaat van die informatie heeft gepubliceerd zonder dienaangaande nog enig contact met klager te hebben opgenomen. Voorts is de Raad van oordeel dat het te laken is dat betrokkene de relativering in de prijsopgave van de heer Paridon in het artikel niet heeft weergegeven. Tenslotte valt het te betreuren dat betrokkene op geen enkele wijze heeft gereageerd op de door klager. naar aanleiding van het artikel, ter publicatie ingezonden brief.

BESLISSING

Betrokkene heeft ten opzichte van klager niet de zorgvuldigheid betracht die de journalist, gelet op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid betaamt.

Aldus vastgesteld ter zitting van 1 november 1979 door mr R. de Waard. plaatsvervangend voorzitter, O. Postma, ing; D. Houwaart; K. Wiese en H. Uilenbroek in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1979, 11.